Begrijp de wereld van nú, lees de filosofen

'God is dood. En wij hebben hem gedood!' schreef Nietzsche in 1882 - al zou het nog wel een eeuw kunnen duren voor iedereen daarvan doordrongen zou zijn. Beeld foto Joël van Houdt
'God is dood. En wij hebben hem gedood!' schreef Nietzsche in 1882 - al zou het nog wel een eeuw kunnen duren voor iedereen daarvan doordrongen zou zijn.Beeld foto Joël van Houdt

Twaalf belangwekkende filosofen uit de geschiedenis brengt Trouw in een boekenreeks onder de aandacht. Ger Groot legt uit: 'Denkers wekken ons steeds opnieuw uit de sluimer waarin de dingen vanzelfsprekend lijken. Ze helpen ons vat te krijgen op de werkelijkheid.'

Precies 130 jaar geleden, in 1882, schreef Friedrich Nietzsche in zijn boek 'De vrolijke wetenschap': "God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood!" Maar, zo voegde hij eraan toe: "Ik kom te vroeg, het is mijn tijd nog niet. Deze ongelooflijke gebeurtenis is nog onderweg, ze is nog niet tot de oren der mensen doorgedrongen."

Nietzsche dacht dat het nog wel een eeuw kon duren voordat het zover zou zijn. En inderdaad zien we inmiddels de ene kerk na de andere gesloten worden: de kerken waarin Nietzsche de 'dolle mens' die hij deze woorden in de mond legde een requiem aeternam deo liet aanheffen. Want 'wat zijn zij eigenlijk nog,' zo beëindigde hij de betreffende passage, 'als ze niet de graven en grafmonumenten van God zijn?'

Profetie vervuld, missie volbracht - zo zou je bij het lezen van 'De vrolijke wetenschap' dus kunnen denken. De Europese samenleving lijkt de godsdienst inmiddels achter zich te hebben gelaten. Of dat winst of verlies is moet ieder maar voor zichzelf uitmaken. Ook Nietzsche nam niet zonder droefheid en beklemming afscheid van 'het heiligste en machtigste wat de wereld tot dusver bezeten heeft'. Maar gedane zaken nemen geen keer. Wij leven inmiddels in Nietzsches toekomst zonder God.

Maar hoe atheïstisch onze cultuur ook geworden mag zijn, ze is nog altijd diep gelovig. Ze is diep overtuigd van de waarheid van de mensenrechten, van de wetenschap, van de democratie, en eerst en vooral van de waarheid zelf.

En wat stelt 'waarheid' nu eigenlijk helemaal voor? - zo blies Nietzsche de oude Pilatusvraag opnieuw leven in. Herhalen wij met ons rotsvaste geloof daarin niet simpelweg het oudste religieuze misverstand dat er zich boven onze onbestendige schijnwereld iets absoluuts verheft dat wij vroeger 'God' noemden en nu 'de waarheid'? Moet ook die laatste er niet eerst aan geloven, voordat wij werkelijk vrij kunnen zijn van alle religieuze rudimenten?

Dat klinkt rijkelijk abstract, maar laten we eens kijken naar de computerwereld die nu net zo vanzelfsprekend deel uitmaakt van ons dagelijks leven als ooit de godsdienst. Wat is er in die cyberspace, de virtuele ruimte die op onze beeldschermen zichtbaar wordt als een geheel eigen werkelijkheid, eigenlijk waar? Hoe weten wij in de foto's die we zien nog wat werkelijk is en wat niet, wanneer we zelfs onze vakantiekiekjes eerst door Photoshop halen voordat we ze aan de buren laten zien? Bestaan al die modellen op de omslagen van de modebladen wel echt? Tonen de nieuwsfoto's in onze kranten de gebeurtenissen nog wel zoals ze werkelijk plaatsvonden?

Nietzsche wist niets van computers of Photoshop. Maar hij wist wel veel van taal en had een gevoelig oor voor de manier waarop wij van oudsher de werkelijkheid vervormen door middel van onze woorden. Waarheid, zo concludeerde hij dan ook, is niet een een-op-eenrelatie van woord en werkelijkheid, maar is het resultaat van ons spreken zelf. Met onze woorden maken we de realiteit tot wat wij willen dat ze is en zetten we de machtswil aan het werk waardoor wij ten diepste worden gedreven. En vervolgens gaan wij van de weeromstuit geloven dat die aldus geconstrueerde 'waarheid' de werkelijkheid zelf is: even onaantastbaar, eeuwig en absoluut als ooit God was geweest.

'Begrijp de wereld van nú, lees de filosofen', zo luidt het motto van de reeks boeken die Trouw uitbrengt. Denkers uit een geschiedenis van tweeënhalf millennium helpen ons nog altijd vat te krijgen op een werkelijkheid die ze zich in veel opzichten onmogelijk hadden kunnen voorstellen.

Plato had niet durven dromen van intercontinentaal vliegverkeer of magnetrons, Descartes niet van het homohuwelijk of transgenetisch voedsel en Schopenhauer niet van vrouwenkiesrecht - hoogstens als nachtmerrie. Maar hoe tijdgebonden zij altijd ook bleven, in hun denken ontsnapte iets aan de veroudering en bleef van waarde als een stimulerend inzicht.

De problemen van waarheid en eeuwigheid waarmee Nietzsche worstelde aan het einde van de negentiende eeuw en die in onze tijd opnieuw terugkeren, trachtte ook Plato al te beantwoorden. Hij deed dat op een manier die radicaal tegengesteld is aan wat Nietzsche voorstelde, maar die wel heel dicht ligt bij de wijze waarop wij er onbewust nog altijd over denken. Zo weeft zich door de geschiedenis heen een debat over de grondtrekken van de wereld en ons denken, dat nog lang niet afgesloten is.

Daarin mag ook Descartes zijn partij meeblazen. Want de systematische en methodische manier waarop wij nu onze (wetenschappelijke) kennis vergaren, hebben we in belangrijke mate aan hem te danken. Hij was het die de 'regels voor het verstand' vastlegde die wij nu zo vanzelfsprekend vinden dat we er nauwelijks nog bij stilstaan. Maar wanneer we Descartes zelf aan het werk zien, ontdekken we hoe avontuurlijk zijn 'methode' was, welke moeilijkheden hij ermee overwon maar ook welke blinde vlekken hij had, die nog altijd in belangrijke mate ook ónze blinde vlekken zijn.

Want, zo valt Schopenhauer dan in, de betrouwbare, stabiele en rustige wereld waarop ons denken meent te kunnen rusten, bestaat helemaal niet. Alles wat vast en onbetwijfelbaar lijkt, is in werkelijkheid opgenomen in een stroom van verandering die we niet kunnen waarnemen. En ook niet wíllen waarnemen. Want daarmee zouden al onze zekerheden op de tocht komen te staan.

Alleen sóms worden wij hard geconfronteerd met de onbestendigheid die achter het wereldgebouw schuilgaat en die maakt dat niets eeuwig of onsterfelijk is. Het pijnlijkst ontdekken we dat in de zekerheid van onze dood, die we dus óók maar zo lang mogelijk uit ons bewustzijn proberen weg te schuiven. Tot er geen redden meer aan is, zegt Schopenhauer, en het te laat is om nog te leren vrede te hebben met de vergankelijkheid die de bron is van al ons ongeluk.

Ook daar heeft Nietzsche (in zijn jeugd een enthousiast volgeling van Schopenhauer) een antwoord op gegeven en zo komt de hele discussie weer in een nieuw vaarwater. De nieuwe mens zal een Übermensch zijn, zegt Nietzsche, en daarmee heeft hij heel wat misverstanden geschapen. Want die Übermensch is geen wrede rauwdouwer, uit op een duizend-jarig rijk, maar de mens die zijn eigen betrekkelijkheid heeft leren inzien en geen God of hiernamaals meer nodig heeft om die betrekkelijkheid desondanks te omarmen. Hij leeft wel 'aan gene zijde van goed en kwaad', maar is tegelijk een meester in vrijgevigheid en gulle vriendschap.

Daarin reikte Nietzsche de hand aan de bewonderde zestiende-eeuwse essayist Michel de Montaigne, die over vriendschap de mooiste bladzijden uit de filosofiegeschiedenis geschreven heeft. In een wereld waarin 'vriend worden' (en 'ontvrienden') dagelijk op ieders lippen ligt, zijn Montaigne's woorden nog altijd niet verouderd - al was het maar vanuit de vraag of Facebook wel echte vriendschap mogelijk maakt. En of, in een tijd waarin familiebanden steeds losser worden, de vriendschap niet de belangrijkste sfeer is waarin mensen hun leven en hun wereld vormgeven.

Karl Marx en Hannah Arendt, Immanuel Kant en Charles Taylor, Baruch de Spinoza en Søren Kierkegaard: oude en recentere denkers wekken ons steeds opnieuw uit de sluimer waarin de dingen vanzelfsprekend lijken en het heden onontkoombaar. Ze wijzen ons op de paradoxen daarvan, de toevalligheid waarmee onze overtuigingen tot stand gekomen zijn, of juist de gegronde redenen die daartoe hebben geleid maar die wij allang vergeten zijn. Ze spreken door de tijd heen tot ons, en ook zij hebben lang niet altijd gelijk in wat ze zeggen. Maar ze zetten ons wel aan het denken - en daarin bestaat de filosofie.

Ger Groot is bijzonder hoogleraar filosofie en literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen en speler in het filosofisch elftal van Trouw. De komende weken schetst hij de actuele betekenis van twaalf belangwekkende denkers: Nietzsche, Arendt, Montaigne, Kant, Descartes, Marx, Schopenhauer, Taylor, Kierkegaard, Levinas, Spinoza en Plato.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden