Beetje elan best belangrijk

Nederland heeft zichzelf in de EU in een hoek gewerkt van eurosceptische lastpakken. Edmund Wellenstein, als Nederlandse diplomaat van meet af aan betrokken bij de oprichting van de EU, ziet het met leedwezen aan.

'De laatste jaren is Nederland in toenemende mate een alles-of-niets-houding gaan aannemen. Dat is niet verstandig. Je moet jezelf nooit in een hoek manoeuvreren waaruit geen uitweg meer is." Edmund Wellenstein is 92, maar hij spreekt zonder haperen, haalt met het grootste gemak herinneringen op, en maakt vergelijkingen met het heden. "Het vervelende is dat als je eenmaal deze reputatie hebt, je niks meer kunt doen zonder dat de andere landen zeggen: 'Ah, daar heb je ze weer.' Dat is het griezelige: dat stemmingen belangrijker worden dan feiten, en die krijg je niet gauw meer weg. Heb je dan iets redelijks in te brengen, dan zeggen ze in Brussel: 'Daar heb je die Nederlanders weer.'"

In zijn flat in Den Haag staan twee oliebollen klaar op een gebloemd schoteltje. Eén voor hemzelf en één voor het bezoek. Maar eerst wil hij op zijn balkon op de zesde verdieping nog even zijn sigaartje oproken voordat het interview begint. Hij wijst over de bomen van het Haagse bos naar de nieuw gebouwde ministeries. "Dit uitzicht is fantastisch, hè." Via een binnentrap in zijn appartement laat hij het nog mooiere uitzicht vanaf het dak zien. Hier is ook zijn werkkamer. Zijn woonkamer is onberispelijk ingericht en opgeruimd, maar hier liggen overal stapels boeken en kranten. Het bureau is overladen met papieren. "Ik werk nog met een schrijfmachine", verklaart hij. "Maar wel heel snel."

Terug in de woonkamer vertelt hij over het elan uit de beginjaren van de Unie. Hoe hij samen met zijn vriend Max Kohnstamm, die hij in de Tweede Wereldoorlog in kamp Amersfoort had leren kennen, zich na de oorlog vol overgave inzette voor de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, voorloper van de Europese Unie. Het was het project uit de koker van de Fransman Jean Monnet, dat ervoor moest zorgen dat er niet opnieuw oorlog kon uitbreken tussen de aartsrivalen Frankrijk en Duitsland door te garanderen dat alle landen verzekerd waren van een goede aanlevering van kolen en staal. "Het was meer dan enthousiasme. Het was het gevoel: we zijn op een weg die nodig is en die ergens toe leidt. En daar kunnen we zelf iets aan bijdragen."

Wellenstein werkte bijna 25 jaar voor de Unie en volgde de ontwikkelingen daarna op de voet. Dat Nederland zich zo gedistantieerd opstelt als in de laatste jaren, heeft hij niet eerder gezien. "Het gebeurde af en toe wel eens dat we het ergens niet mee eens waren, maar dat gebeurde anderen ook. We waren geen eenlingen."

Wellenstein was in de periode 1970 - 1972 namens de Europese Gemeenschap de hoofdonderhandelaar voor de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, een land dat, net als Nederland, nu eurosceptisch is. "Maar er hing begin jaren zeventig een heel andere sfeer. De Britse premier Sir Edward Heath was als jonge onderminister al betrokken geweest bij de eerste poging van de Britten, begin jaren zestig, om erbij te komen. Die poging mislukte omdat de Franse generaal De Gaulle de toetreding niet zag zitten. Maar uit die tijd had hij wel zijn belangstelling voor die continentals overgehouden."

Nu Heath zelf premier was geworden, hadden de Britten zich grondig voorbereid op de aankomende toetreding. Om aan te tonen dat het hun ernst was, hadden ze in Parijs in plaats van een normale ambassadeur een Britse politicus neergezet. Dat was Sir Christopher Soames, die getrouwd was met de jongste dochter van Churchill. "De tweede man van Soames was Sir Michael Palliser. Met hem heb ik nog regelmatig contact. Het was een ploeg mensen die er helemaal voor ging."

Het contrast met de recente Britse weigering, in december, om mee te doen met een nieuw verdrag om de euro te versterken kan niet groter zijn. "Het is inhoudelijk van geen belang dat die Britten niet meedoen", zegt Wellenstein. Hij schuift de International Herald Tribune en een stapeltje boeken opzij om zich naar voren te buigen en een duidelijk 'nul' te maken met zijn vingers. "Het six-pack (de zes Europese afspraken waarmee het beheer van de euro wordt versterkt, red.) en de verordeningen voor het bankentoezicht, die daarvoor waren aangenomen, kun je ook zonder verdragswijziging nog verbeteren. Dit is een krankzinnige oefening, maar bondskanselier Merkel wilde het blijkbaar per se.

"De Britten hadden al ingestemd met die eerdere regelingen, dus dat ze nu niet meedoen is niet relevant. Het heeft natuurlijk wel grote symbolische betekenis. Het besluit is in eigen land gebracht als een overwinning, maar ze hebben zichzelf behoorlijk onmogelijk gemaakt. Cameron wilde iets binnenhalen voor de City. (Londens financiële zakencentrum, red.) Besluiten over bankentoezicht wilde hij voortaan unaniem nemen, zodat er niets kon worden besloten wat de Britten niet willen.

"Dat is natuurlijk van de gekke. De problemen met de banken zijn voor een groot deel uit het Britse bankwezen voortgekomen, en uit Amerika. Nu zegt iedereen: 'Jullie hebben je City, maar jullie willen niet meedoen met een regeling voor de banken?' Het was zo manifest onredelijk, dat ook Nederland het meteen veroordeelde." Terwijl Nederland zich doorgaans nauw verwant voelt met het Groot-Brittannië als handelsland en protestantse natie met vergelijkbare wensen en ideeën.

Voor Wellenstein komen - ondanks de positieve sfeer in 1970 - de moeilijkheden met Groot-Brittannië niet uit de lucht vallen. De andere EU-landen, Nederland inclusief, hebben Groot-Brittannië niet correct behandeld. "Door hoe de Europese landbouwfinanciering was geregeld, kon je zien aankomen dat de Britten op den duur relatief veel zouden moeten bijdragen. Dat hebben we ook opgeschreven, nadat we allerlei berekeningen hadden gemaakt, met allerlei hypotheses. De Britse zorgen daarover hebben we ontzaglijk knullig behandeld. Ik mag dat zeggen. Ik werd bij de onderhandelingen natuurlijk geconfronteerd met dit probleem en ik moest er iets op verzinnen. Het idee van de structuurfondsen kreeg gestalte, voor de financiering van regionale achterstanden. De Britten hadden veel achtergesteld gebied en zo'n regeling zou voor hen gunstig zijn.

"Er zou meer ontwikkelingshulp komen, waarvan ook sommige Commonwealth-landen zouden profiteren. Ook dat was een gebaar jegens de Britten. Maar het was duidelijk dat die sommen niet zouden compenseren wat zij als gevolg van de landbouwafspraken zouden moeten afdragen. Toen hebben we een zinnetje verzonnen voor het toetredingsverdrag." Wellenstein citeert uit het hoofd: 'Als de ontwikkeling op den duur tot onacceptabele situaties leidt wat de financiering betreft, dan zullen de instellingen daarvoor een oplossing moeten vinden'. "De Britse onderhandelaar noemde dit een 'bankable assurance', een verzekering waar je bankgeld op kon zetten."

Wellenstein was net weg bij de Europese Commissie, toen eind jaren zeventig premier Thatcher in beeld kwam. "Wat niemand meer weet is dat Thatcher op verkiezingstoernee ging met zeer pro-Europese statements. Die houding is vanwege het gedoe om de centen geleidelijk veranderd."

Nederland profiteerde in die jaren gigantisch van de Europese betalingen. Nederland en andere landen vonden dat er absoluut niet getornd mocht worden aan de landbouwfinanciering. Uiteindelijk heeft de Franse president Mitterrand in 1984 Thatcher beloofd dat ze 66 procent van de Britse bijdrage terug zou krijgen. "Zonder aan die toezegging een einddatum te koppelen, of een clausule om te kijken hoe de zaken zich zouden ontwikkelen. Daar waren we heel dom. Nu krijgen die Britten die teruggave nog steeds, wat de getallen ook zijn. Maar Thatcher had wel gelijk. We hebben niets gedaan met dat zinnetje in het verdrag. De Britse bijdrage wás onacceptabel. Dat is gaan rotten. We deden wat toen het te laat was. Toen was de sfeer al verziekt. En toen ook voor Nederland de bijdrage aan Europa negatief werd, zei minister Zalm: 'Wat de Britten hebben, dat wil ik ook'."

De 'volkomen eurosceptische' opstelling van Nederland plaatst Wellenstein echter later, bij het referendum in 2005 over de vaststelling van een Europese Grondwet. "Sinds wij het referendum ingingen met de mantra 'Europa best belangrijk' kon je het vergeten. Het is de stomste kreet die we ooit hebben verzonnen. Bovendien is toen vanuit de regering helemaal niets gedaan om naar het publiek toe te komen. Iedereen zag de economische voordelen van de Unie. Maar de houding was 'Laten we alles vooral houden zoals het is.' Men dacht er niet aan dat alle projecten onderhoud behoeven.

"Wij hebben nog tot het grootste deel van 2011 volgehouden dat we zo min mogelijk met die vervelende Europese zaken lastiggevallen wilden worden. In het regeerakkoord vind je er eigenlijk niets over. Dat is omgedraaid in september. Toen kwam heel onverwacht die brief van de premier, die ons schreef dat er een heel belangrijk probleem speelde. Rutte bepleitte een super-eurocommissaris. De regering was wakker geworden. Maar nog steeds niet pro-Europa. Het is tegen een hele lauwe achtergrond. Ze is vooral pragmatisch.

"Dat maakt het weer zo onbegrijpelijk dat we in het najaar zo hardnekkig zijn blijven weigeren om Roemenië en Bulgarije toe te laten tot het Schengengebied. Er was immers een uitweg uit dat probleem. Er lag in Brussel een compromis dat voorstelde de Schengenregeling vast te laten gelden voor de lucht- en de zeehavens van deze landen. De landsgrenzen zouden gecontroleerd blijven. En als er problemen zijn bij het grensverkeer is het natuurlijk dáár, en niet op de lucht- en zeehavens waar iedereen al langs de controle moet. Toch blijft Nederland zeggen: nee, geen sprake van, alles of niets."

Zo'n alles-of-niets-houding is niet van deze tijd, betoogt Wellenstein. "Ik heb door mijn familie een zwaar koloniaal verleden, al sinds de VOC. Ik heb een deel van mijn schoolopleiding in Batavia gedaan. Ik kende het leven van een groot koloniaal rijk, dat geen last wilde krijgen met de buren. De Nederlanders hadden wel vrienden die hetzelfde soort leven leidden. Dat waren de Britten, en voor een deel de Fransen, maar die hadden dat leven elders. Wij leefden van een heel apart netwerk van handel en productie van rijst, suiker, koffie, tabak.

"Dat leven was in één nacht, met de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940, voorgoed voorbij. Niet iedereen besefte dat. Nadat wij ons moeizaam hadden losgemaakt van Indonesië, werd de vraag: wat gaan wij met dit landje doen? Die positie in de wereld die we hadden, was heel behaaglijk geweest. Nu zaten we opeens als klein land op een verwoest continent. We konden niet meer leven van het verbouwen van suiker op Java, wij moesten leven van onze omgeving. Ons lot hangt in deze turbulente wereld af van hoe wij als kleine eenheid, in dit door onszelf gekozen grotere verband, onze rol spelen voor dat geheel in de wereld. Wij hebben politiek handelingsvermogen als wij een gezond, gezamenlijk economisch beleid voeren, en als we samen inzichten naar buiten dragen.

"Dat geldt ook voor Groot-Brittannië. Dat heeft zich, net als Nederland, nu in zo'n hoekje gewerkt waar het moeilijk uit kan komen. In eigen land doet Cameron het goed in de peilingen. Maar daar zien de mensen niet de rest van het verhaal. De financiële kringen in het Verenigd Koninkrijk zijn minder juichend, want die leven van die grote markt. Ook de Britten moeten ergens een plek vinden. Dat zij alleen van de Commonwealth konden leven, is lang geleden."

Wellenstein ziet voor Nederland wel mogelijkheden om uit dit ongunstige, zelfgekozen isolement komen. "Voor de Nederlandse regering is het op dit moment heel belangrijk - nadat ze Merkel haar zin heeft gegeven met dat verdrag waar weinig in staat - dat ze heel positief gaat meewerken om die staatsschuldencrisis werkelijk aan te pakken. Het is niet verstandig om dan steeds de vraag op te werpen of er bevoegdheden worden overdragen. Dat klinkt alsof er ergens iemand iets krijgt overgedragen.

"Zo is het niet. Het gaat erom dat wij samen naar Brussel gaan, en daar vergaderen hoe wij die bevoegdheid samen uitoefenen. Er wordt niets weggegeven, we doen het samen. Voor bepaalde onderdelen wijzen we mensen aan die het werk voor ons doen. Omdat wíj hebben besloten dat ze dat moeten doen.

"Sinds september ben ik opgelucht, omdat de Nederlandse regering de problemen eindelijk bij naam noemt. Daarvoor was ik ongerust. Niet somber, hoor. Als ik ten diepste niet opgewekt was, dan was ik niet zo oud geworden."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden