beeldende kunst

'1893: L'Europe des Peintres', t/m 23 mei in het Musee d'Orsay, ingang Quay Anatole France/Place Henry de Montherlant, Parijs, dag. behalve ma, 10-18 uur, zo 9-18 uur, di tot 21.45 uur. Cat. 350 fr. (ca. fl. 116,50), petit journal 15 fr. (ca. fl. 5).

Het is dit decennium dat een belangrijke rol speelt op de expositie die het Parijse Musee d'Orsay aan de kunst van 1893 wijdt. Een expositie die eigenlijk reageert op de grote tentoonstellingen in de jaren tachtig op het thema 'Zeitgeist', monstermanifestaties die de geest van de schilderkunst reflecteerden.

In Parijs geen actuele kunst, maar een historisch overzicht. Wel actueel van thematiek, omdat het onderwerp van toen nu in de discussie staat.

Het museum reconstrueerde een imaginaire kunstsalon, zoals die onder ideale omstandigheden kon plaatshebben. Het is geen authentieke salon geworden, de bezoeker loopt rond in een moderne omgeving, maar de getoonde kunst biedt wel een mooie doorsnee van de kunst van dat moment.

Het jaar 1893 werd gekozen om een beeld van de kunst van precies honderd jaar geleden te geven, een terugblik op een tijd die zich goed laat vergelijken met de huidige. Niet voor niets heeft het museum als ondertitel aan de tentoonstelling de zin 'het Europa van de schilders' meegegeven. Nu is het verenigde Europa vooral in politiek, sociaal en economisch opzicht een actueel onderwerp, een eeuw geleden was het dat vooral voor de kunstenaars. Een van de conclusies die uit deze imaginaire salon getrokken kan worden, is het feit dat in een tijd waarin de communicatie nog lang niet zo goed was als tegenwoordig, schilders tot in de uithoeken van Europa uitstekend op de hoogte waren van nieuwe ontwikkelingen. Of het nu om schilders in Rusland, in Polen, in Italie, Scandinavie of Ierland ging (al die nationaliteiten zijn met voorbeelden aanwezig), ze waren op de hoogte van wat zich elders, met name in Frankrijk in de schilderkunst afspeelde.

Blond licht

Er werd geschilderd in stijlen die met recht internationaal genoemd mogen worden. Van Oslo tot Palermo heerste het blonde licht van het impressionisme, waren schilders in post-impressionistische trant bezig of hadden ze het symbolisme ontdekt. Frankrijk functioneerde bij die nieuwe stromingen als aanjager: in Parijs, in kleine schildersoorden in Normandie en Bretagne moest de schilder gaan kijken om zich op de hoogte te stellen van nieuwe opvattingen over de schilderkunst, om er inspiratie op te doen. En dus werd er gereisd in het Europa van 1893, met een scala aan internationale uitwisselingen tot gevolg. De negentiende-eeuwse kunstenaar was een wereldburger, lang voordat politici op het idee kwamen dat zo iets kon bestaan.

De uitstraling van de Franse kunst was enorm. Het impressionisme was geaccepteerd en, schilderkunstig gezien, over zijn hoogtepunt heen. Monet schilderde in 1893 met nieuwe opvattingen een serie gezichten op de kathedraal van Rouaan en kreeg onmiddellijk navolging. Gauguin was net weg uit Pont-Aven, maar zijn nieuwe opvattingen als reactie op het in zijn ogen vastgelopen impressionisme werden praktisch tegelijkertijd overgenomen. Haaks op deze stromingen was een eenling als Gustave Moreau bezig. Zijn ideeen sloegen aan bij zijn leerlingen, onder wie enkele schilders die later, in het begin van de 20e eeuw, tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de moderne kunst zouden behoren.

Het jaar 1893 was het jaar van stromingen, stijlen, scholen, met als voertaal het Frans, waarvoor de deelnemers hun eigen aard en identiteit opgaven om de les te kunnen volgen. Aan weinig schilderijen valt nu te zien waar de schilder vandaan kwam: zo gelijkgestemd zijn de zielen in hun uniforme aanpak. Goed, de Scandinaviers zijn een beetje weemoedig in hun landschappen en de Oost-Europeanen doen melancholiek aan, maar de besten onder hen wilden zo 'Frans' mogelijk zijn. De Deen Soren Kroyer, die aan het einde van de vorige eeuw in zijn land als de grootste schilder van zijn tijd werd beschouwd, deed met zijn tuingezichten niet voor Monet onder. Kijk je naar de hem op de expositie omringende schilders, dan zie je niet veel anders. Max Liebermann, een Duitse impressionist die veel in Nederland heeft gewerkt, schilderde in Brandenburg een tuingezicht dat zo in het Bois de Boulogne of in Bougival kan worden gesitueerd. De Schot James Guthrie wist in Edinburgh precies de zuidelijke toets te vangen om zijn tuingezicht En plein ete (Hoog zomer) er alleszins Frans uit te laten zien.

Isaac Israels

Niet alleen de landschappen en tuinen vertonen opvallende overeenkomsten. In de jaren tachtig hadden de impressionisten ook het interieur ontdekt. Walter Sickert, een van de aardigste Engelse impressionisten, slaagde er wonderwel in om de Franse toon te vinden. Hij had diverse gelijkgestemde collega's van niet-Franse nationaliteit. Zoals Isaac Israels, die zich moeiteloos een Franse identiteit als schilder kon laten aanmeten, wat in mindere mate voor George Hendrik Breitner gold (een wat stroevere toon, een besmuikter licht).

Aan goede Nederlandse schilderkunst is op de imaginaire salon van 1893 geen gebrek. Eduard Karsen hangt er op de afdeling 'inspirerende plaatsen' met een uitzicht op het Begijnhof in Amsterdam, Jan Toorop en Johannes Thorn Prikker bevolken de zaal van het symbolisme, waar ze broederlijk zijn verenigd met de Fransman Pierre Puvis de Chavannes en de Zwitser Ferdinand Hodler. Daarmee wordt geen uitspraak over hun kwaliteit gedaan, wel over het feit dat ze dezelfde overtuiging deelden.

Anders dan bij het impressionisme waar de voorbeelden ruim voorhanden waren, hadden de organisatoren met de symbolisten grotere problemen. Klimt ontbreekt, net als Klinger, Bocklin en Von Stuck, de Engelse Nederlander Alma-Tadema. De redenen waarom van hen geen werk aanwezig is, zijn uiteenlopend: soms kon een schilderij om technische redenen niet worden uitgeleend, soms had de bewuste schilder precies in 1893 geen belangrijk doek gemaakt. Was drie jaar geleden het jaar 1890 als uitgangspunt gekozen, dan hadden er werken van Van Gogh (die in dat jaar stierf) en Seurat kunnen hangen, was over drie jaar het jaar 1896 genomen, dan was het aanbod aanzienlijk uitgebreider geweest met de modernen van de 20e eeuw als Kandinsky, Mondriaan, Picasso en Matisse. Deze expositie is dus ook belangrijk om wat ze niet laat zien: een moment dat een breukpunt vormt in de tijdgeest.

Natuurlijk vinden de organisatoren dat Frankrijk de spil was waar omheen de kunst draaide, maar die opvatting wordt niet echt hardop op de tentoonstelling uitgesproken.

Individualisten

Typerend op dit punt is dat de individualisten een aparte zaal hebben gekregen, een staartje waar de organisatoren geen raad mee wisten. Daar hangen Cezanne, die later veel invloed kreeg, daar is ook Munch te vinden, naast de naief Rousseau de Douanier en Ensor die zich gewoontegetrouw bij niemand en niets laat indelen. Juist door niet de eigen schilderkunst centraal te zetten, is deze salon zo geslaagd: ze laat zien dat schilders van uiteenlopende nationaliteiten zich niet door staatkundige en politieke grenzen lieten weerhouden een gezamenlijke taal te vinden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden