beeldende kunst

'Het Galante Tijdperk - Achttiende eeuwse schilderijen uit de collectie van het Rijksmuseum' t/m 3 september. Dag. 10-17u. Catalogus fl. 39,50.

De Lairesse moest het penseel al rond 1690 neerleggen omdat hij blind werd, maar via 'Het groot schilderboek' uit 1707 wist hij toch zijn stempel te zetten op de schilders die na hem kwamen. Zij moesten zich, geheel in lijn met de regels van het Franse classicisme, beperken tot verheven onderwerpen. Boerenscènes, zoals Adriaen van Ostade die in de zeventiende eeuw maakte, vind je niet op deze kleine expositie die in één zaal, alleen eigen bezit van het museum toont.

De Amsterdammer De Lairesse zou zeer tevreden zijn geweest over het doek van Isaak Walraven, waarop Spartaanse soldaten en dienaars in wisselende uitingen van wanhoop zijn gedrapeerd rond het bed van hun meester, een generaal. Die ligt, nog in harnas, hartstochtelijk dood te gaan. Verheven is ook zeker 'Een nimf dansend op het fluitspel van een herder' uit 1714 van Adriaen van der Werff. De nimf oogt uiterst bevallig, het donkere schilderij ademt sereniteit.

Van der Werff gold in zijn dagen als de beste schilder die Nederland ooit had voortgebracht, maar de latere generaties lieten van die reputatie weinig heel: zij vonden zijn werk te glad, gekunsteld en beduidend minder dan dat van de zeventiende eeuwse meesters. Kwalificaties die men ook op de gehele achttiende eeuw betrok. De 'Pruikentijd' was vergeleken met de Gouden - zeventiende - Eeuw een periode van zogenaamd verval, zelfgenoegzaamheid en van on-Hollandse decadentie.

Wie echter mee wil gaan in de veranderde smaak van die tijd, ziet dat ook die uitstekende schilders heeft voortgebracht. Zoals Jacob de Wit, die vooral 'grisailles' maakte, doeken waarin grijs op grijs werden aangebracht zodat ze leken op een bas-reliëf. Het ronde doek 'Winter' is een smaakvolle compositie. Drie naakte jongens staan rond een vuurbekken: de een draagt takken aan, de ander blaast in de vlammen, de derde warmt zich eraan.

Ook voor dit genre wees De Lairesse de weg: diens allegorieën zijn vroege grisailles. Maar pas onder De Wit bereikte deze zogeheten behangselkunst haar hoogtepunt. Deze schilderijen gingen zelfs de naam van de kunstenaar dragen: 'witjes'.

Sommige genres zetten de traditie van de Gouden Eeuw wel voort. 'Stilleven met bloemen op een marmeren tafelblad' van Rachel Ruys doet in techniek en subtiliteit niet onder voor de werken Jan Davidsz de Heem uit de eeuw ervoor. Een overvolle bloementuil met irissen, papavers en rozen is in een zacht, gedempt licht gevangen. De bloemen staan in een blauwe fles, waarin een raam wordt weerspiegeld. Een kever loopt weg over het marmer.

Ook de portrettisten trokken de lijn met de zeventiende eeuw door, maar wel aangepast aan de nieuwe mode. Hun figuren zijn een toonbeeld van 'decorum'. Cornelis Troost beeldde een lid van de rijke Amsterdamse familie Van der Mersch af op een stoel in zijn muziekkamer. Links op de voorgrond staat een globe, rechts de cello, op de achtergrond een boekenkast. In zijn linkerhand houdt de regent een tekening op, hetgeen er op wijst dat hij kunst verzamelde.

Maar Troost kende in zijn detaillering geen erbarmen: op de schouders en de jas van de Amsterdammer is het witte poeder te zien dat uit diens pruik is neergedwarreld.

Op het einde van de 18de eeuw maken de schilders zich weer los van de regels uit 'Het Groot Schildersboek' en grijpen terug op de glorie van de Gouden Eeuw. Jan Ekels II had voor zijn paneeltje 'Een schrijver die zijn pen versnijdt' goed gekeken naar Johannes Vermeer. De schrijver is op de rug gezien, maar zijn gelaat is weergegeven in de spiegel die boven de tafel hangt. Mysterieus helder licht valt in het vertrek. Het breekt tussen de gordijnen door die voor het raam hangen.

Een van de laatste schilderijen op de expositie toont de rijke koopman Jan Gildemeester Jansz in de kunstzaal die hij in zijn huis aan een Amsterdamse gracht liet inrichten. De verzameling is kenmerkend voor de smaak van de gezeten burgerij. In de voorzaal zijn de wanden behangen met zeventiende eeuwse meesters, waaronder een Rembrandt, Jan Steen en Van Ostade. Gildemeester kocht ook werk van tijdgenoten, maar die zijn grotendeels naar de achterzaal verbannen.

Ook na het zien van 'Het Galante Tijdperk' blijft overeind dat de achttiende eeuwse schilderkunst lang niet zo veelzijdig, intens en gedurfd is als die van vóór 1680. Tot nu hingen deze werken van het museum in de Zuidvleugel, die momenteel gerenoveerd wordt. Zij verdienen het echter zeker om na de verbouwing een eigen 'voorzaal' te krijgen. Of misschien kan het Rijksmuseum een echte overzichtstentoonstelling organiseren met werk uit andere verzamelingen om hen uit de schaduw van de Gouden Eeuw te bevrijden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden