beeldende kunst

Van realisme tot Symbolisme. Kunstcentrum Oud Sint Jan, Brugge. Dagelijks 9.30-18 uur, t/m 14 oktober. Cat. Bfr. 1250 (ca ¿ 70). Bij de NS zijn toegangskaarten met railidee-korting verkrijgbaar.

Het modernisme - met snel opeenvolgende 'ismen' - ging van Parijs uit. Toch riep een Parijse criticus, Jean Ajalbert, honderd jaar geleden Brussel uit tot 'het centrum van intellectueel internationalisme'. Die opmerkelijke mening was gebaseerd op een in 1894 door Belgen georganiseerde internationale tentoonstelling. Deze toonde een ruime keuze uit de vrije en toegepaste kunsten. Brussels werk was sterk vertegenwoordigd. In Brugge is nu kunst uit de jaren 1880-1900 bijeengebracht van de Belgische avant-garde. Ze is gekozen uit tientallen collecties in België, Duitsland, Finland, Zweden, Nederland en de VS.

Het gebeurde voornamelijk in Brussel. In verzet tegen het artistieke establishment, richtten daar in 1883 jonge kunstenaars de groep 'Les XX' op. Zowel modernisten als meer behoudende landschapsschilders traden toe. Tot de buitenlandse leden behoorden Rodin en Jan Toorop. In het heterogene gezelschap kwam het tot conflicten. Zo zegde Henri de Groux zijn lidmaatschap op toen voor een jaarlijkse groepstentoonstelling Signac, Toulouse-Lautrec en - in zijn sterfjaar - Van Gogh werden uitgenodigd.

Met zulke exposities was volgens Alfred Barr, directeur van het Museum voor Moderne Kunst in New York, 'Les XX' de meest geavanceerde kunstenaarsgroep ter wereld. Dat was vooral de verdienste van de jurist Octave Maus. Zoals na de tweede wereldoorlog de jurist Karel Geirlandt in een onwillig Gent baan brak voor de moderne kunst die daar nu door Jan Hoet wordt beheerd, zo was Maus de stuwende kracht achter 'Les XX'. Om een einde aan het geruzie te maken, liet hij na tien jaar de groep ter ziele gaan om haar te vervangen door 'La Libre Esthétique'. In het bestuur van dat gezelschap hadden, evenals in dat van de Rotterdamse Kunstkring, kunstenaars geen zitting. Het werd dus niet geremd door gevestigde belangen.

België is meer verzamelaars van hedendaagse kunst rijk dan Nederland. Toch leek het tot dusver wel, alsof men er van wat direct voorafging geen hoge hoed op heeft. In de moderne afdeling van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel kan men - ondergronds - een goed beeld krijgen van de Belgische avant-garde. Dat is te danken aan de voormalige hoofdconservator Philippe Roberts-Jones. Het heeft hem wel zijn baan gekost, want de kritiek vond dat hij meer beroemde buitenlanders had moeten kopen, die men in de meeste musea aantreft.

De Belgische expositie die nu in Brugge staat is ook niet door Belgisch maar door Brits initiatief tot stand gekomen. Ze is hier wel aangevuld met documenten die een indruk geven van de Belgische bouwkunst in die periode. Naast de art nouveau was er neo-gotiek en eclecticisme met terugblik naar de renaissance. Van de nauwe relatie tussen beeldende kunst en literatuur - voornamelijk die van het symbolisme - wordt wat meer getoond dan van de ambachtskunsten. Die zijn pro memorie aanwezig met een klein stoeltje van Henry van de Velde.

De beeldende kunst is gegroepeerd naar richtingen die zich min of meer gelijktijdig voordeden. Bij het anti-classicistische realisme, met Franse invloeden (van Courbet, Millet en Barbizon), treden niet alleen zwoegende werkers en rokende schoorstenen van Meunier aan. Met ziet er ook meewarigheden van Evert Larock (daklozen) en Auguste Oleffe (vissersweduwe). Een van Ensors stillevens springt er hier uit als een meesterwerk. Zijn 'Christus bedaart de storm' kan, evenals een zeegezicht van Louis Artan, op bewondering voor Turner duiden. Een doek met schuiten, van de Gentenaar Albert Baertsoen, doet even aan Breitner denken.

Lichter van tinten is uiteraard de afdeling met impressionistisch en pointillistisch werk. Emile Claus verwerkte met veel succes een late Franse invloed in altijd zonnige landschappen met onbekommerd boerenvolk. Maar zelfs bij hem versmelt de realistische vorm niet met het licht. Met Minne is, ondanks de afwezigheid van De Saedeleer, ook de kunst van de Leie-streek vertegenwoordigd, die weldra het Vlaamse expressionisme zou opleveren. Van de Velde stippelde in 1889 als de beste, maar lijkt daarna in krijt- en pasteltekeningen met hevig gewatergolfde lijnen een tik van de Van Gogh van Arles gehad te hebben. Van Rysselberghe is prominent onder de pointillisten, de stippelaars, maar er hangt van hem ook een donker tonig Kempenlandschap. En wat de Kempen betreft: Jakob Smits ontbreekt.

De voorstelling van de dood door de symbolist Jean Delville kan niet imponeren, maar met Ensor, Rops, Khnopff, Mellery en Spilliaert is deze afdeling wel de boeiendste. Met de belijsting van werken van Rops en Khnopff is gestreefd naar de 'perfecte harmonie'. Een van de onbehaaglijk-donkere interieurs van Mellery daarentegen heeft geen lijst. Kenmerkend voor Spilliaert is steeds de ruimtevlucht door diagonalen in zijn tonige werk. Er is hier ook een zelfportret van deze spirituele kunstenaar. Degouve de Nunques hield van maannachten met zwarte zwanen op een zilveren vijverspiegel.

De expositie roept blijkens de catalogus bij Belgische auteurs nogmaals de vraag op inzake een nationale identiteit. Meer dan bij ons Rembrandt, moeten bij hen Rubens opdraven en de Vlaamse barok in het algemeen. Er lijkt ook wat nostalgie door te klinken waar sprake is van Vlaams-Waalse culturele samenwerking. In de architectuurafdeling worden onder meer voorbeelden getoond van staal- en glasbouw, van volkswoningbouw en van het befaamde Brusselse Volkshuis uit 1895, toen de Werkliedenpartij evenals de SDAP in Nederland nog culturele ambities koesterde voor haar leden. Het Volkshuis is intussen dan ook afgebroken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden