beeldende kunst

Kees de Back. Museum voor Zuid- en Noord-Beveland, Singelstraat 13, Goes. Di t/m vr 10-17, za 13-17 t/m 3 juni.

De schilder Kees de Back (1901-1983) werd te Nisse bij Goes geboren als zoon van een Oud-Gereformeerde koetsier. Hij is in Rotterdam als machinist opgeleid. Na jaren op de grote vaart ging hij opnieuw in Rotterdam les nemen, nu aan de academie. Later heeft hij in Rhenen gewoond en gewerkt. Voor zijn tentoonstelling in het Museum voor Zuid- en Noord-Beveland is werk met een Zeeuws accent gekozen. Het blijkt dat de lessen aan de Rotterdamse academie zijn werk niet het naïeve karakter hebben ontnomen dat er de feilen en de charme van uitmaakt.

De vrouw met wie hij op zijn 55ste jaar een nieuw huwelijk begon wist niet beter, of hij was vroeger vliegenier geweest. Verre reizen heeft hij zeker gemaakt. Een oude collega in Rotterdam herinnert zich de man goed, het werk nauwelijks. De Back moet een markante verteller van sterke verhalen zijn geweest. Volgens een vouwblad bij de expositie te Goes behoorde hij in Rotterdam tijdens de bezetting tot de kunstenaars die voor het Gemeentearchief topografisch werk maakten. Voor sommigen - onder anderen Charles Kemper, Ed van Zanden en Jan Burgerhout - is dat archief inderdaad een grote afnemer geweest. Van De Back zijn daar maar drie gekleurde tekeningen te vinden: twee slappe en een goede, alle uit 1941. Topografische nauwgezetheid was kennelijk zijn zorg niet. Het Rotterdamse Centrum Beeldende Kunst bezit van hem nog een schilderij uit die tijd.

Toen na de oorlog zijn werk niet werd geaccepteerd als contra-presentatie voor een uitkering, probeerde hij het nog eens met abstracte schilderijen. Die zijn volgens het vouwblad van weinig betekenis. In Rhenen vond hij, opnieuw met figuratief werk in zijn persoonlijke trant, kennelijk meer weerklank. In 1973 heeft hij met veel succes geëxposeerd in het hotel De Wereld te Wageningen. Hij bleef zijn motieven voornamelijk uit zijn Zeeuwse jaren putten.

De expositie te Goes bestaat uit 23 schilderijen en een houten beeld. De Back had zich tot leerling benoemd van Constant Permeke en Edgard Tijdgat, blijkbaar voor wat het expressieve van de boerenkoppen betreft en het naïeve van de voorstelling. Het stereotiepe van de figuren doet eerder nog aan Hendrik Chabot denken, maar niet de verfopdracht die soms kruimig is, met korte toetsen op grof linnen en soms wat vloeiender, op fijner doek. Het houten beeld, dat ook in een schilderij van een atelierinterieur figureert, lijkt min of meer op werk van de Rotterdamse beeldhouwer Koos van Vlijmen.

De Back had als schilder zijn onhandigheden, maar zijn palet was welgekozen en hij componeerde goed. Bijzoner mooi is in dat opzicht een schilderij met een boerin, een boer en een geit die elkaar ten dele overlappen. Een ander doek is ontroerend door de handen van de ongedetailleerd weergegeven figuren die elkaar omhelzen. Tot de beste werken op de tentoonstelling behoort een stilleven in heldere tinten. De Backs kunst heeft iets idyllisch, dat het vandaag goed doet. Bij sommige van de twaalf werken die te koop waren (tweeduizend tot vierduizend gulden) zijn al rode 'verkocht'-stippen aangebracht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden