beeldende kunst

DEN BOSCH - Zijn werk werd 'duister, donker' genoemd, 'een brandend zwerven door de grensgebieden van een ontluisterd bestaan. Een duister zich voltrekkende ondergang, een dreigend Godsgericht', schreef de criticus Henri Bruning naar aanleiding van zijn tentoonstelling in 1928 in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Zeventig jaar na dato is het werk van Hendrik Wiegersma nog altijd duister, diepgravend als het is in de krochten van de menselijke ziel waar de kijker voor tal van verrassingen kan komen te staan.

Het werk van Wiegersma, die behalve schilder ook huisarts, verzamelaar en schrijver was en als zodanig ook artistiek inspirator (Antoon Coolen beschreef zijn geboortedorp Lith in 'Dorp aan de rivier', Toon Kortooms portretteerde hem in de film 'Help, de doker verzuipt'), heeft zijn actualiteitswaarde behouden. Hoewel de stijl nu enigszins gedateerd aan doet, kun je je nog steeds bezighouden met de thema's die hij in zijn werk aanreikt: de menselijke geest, een tijdloos gegeven dat door de jaren heen blijft boeien.

De eerste grote retrospectieve over Wiegersma (niet in Deurne waar het museum, in zijn voormalige dokterspraktijk ondergebracht, ten enen male niet over de nodige outillage beschikt, maar in het Noordbrabants Museum in Den Bosch) maakt het werk zeer inzichtelijk. Anderzijds wordt in het begeleidende boek de figuur Hendrik Wiegersma als legende, als mythe in stand gehouden.

Dat komt omdat er geen poging werd ondernomen om Wiegersma volledig te verklaren. Wat ontbreekt is een hoofdstuk waarin nu eens alle verhalen die vandaag de dag over hem de ronde doen (en dat ruim 28 jaar na zijn dood) zijn opgenomen.

De samenstellers van het boek, dat veel meer wil zijn dan een puur beschrijvende catalogus, wijzen dat soort informatie af. Het weergeven van dergelijke bronnen is volgens hen 'niet wetenschappelijk'. Maar ze vergeten daarbij dat er in de wetenschap, ook in de kunstgeschiedenis, zoiets bestaat als oral history.

Zonder die talloze faits divers is het beeld van Wiegersma als mens niet compleet, blijft de mythe voortleven.

Heiligverklaring

De samenstellers willen dat waarschijnlijk ook, hun boek is één lange poging om de bewonderde man heilig te verklaren. Geen woord van kritiek op een kunstenaar die geplaatst op een torenhoge sokkel tot een monument van Nederlands schilderen uitgroeit.

Wat wel erg veel eer is voor deze schilder, die niet echt een rol van betekenis in de Nederlandse kunst van tussen de twee wereldoorlogen heeft gespeeld en zeker niet in het na-oorlogse tijdvak. Daarvoor hield hij te lang vast aan zijn eenmaal verworven stijl.

Het expressionisme, dat hij als stijl al snel ontwikkelde nadat hij 33 jaar oud begon te schilderen, was voor de oorlog een regionale stroming, die vooral vanuit het buitenland werd gevoed. Regionaal, omdat ze niet doordrong tot de grote stad, maar beperkt bleef tot kunstenaarskolonies, zoals die er waren in Bergen (NH) en Groningen. Werd Bergen sterk door Le Fauconnier beinvloed (de Franse variant), Groningen door de Duitsers (Kirchner, Die Brücke), Wiegersma liet zich inspireren door de schilders van de school van Sint Martens-Latem, met Constant Permeke als belangrijkste voorman, de Belgische variant derhalve.

Broeierig

Net zoals Permeke de gewone man (meestal Vlaamse boeren) uitkoos voor zijn visie op de mensheid, nam Wiegersma mensen uit zijn dagelijkse omgeving die hij van het Brabantse platteland plukte. Ze blikken inderdaad duister en ondoorgrondelijk, je krijgt als kijker moeilijk vat op hen. Ook de zelfportretten zijn broeierig, al schilderde Wiegersma zichzelf onverkort met grote, opengesperde ogen. Dat is een populair trucje om de geportretteerde knapper te laten lijken.

Veel interessanter zijn Wiegersma's tekeningen. Daarin toont hij zich van een heel andere kant, die diametraal tegenover het schilderen staat. Met als enige middel de zuivere lijn analyseerde hij het menselijk lichaam, zoals een arts streng onderzoekend, maar met de milde vergeving van het vergoelijkend oog. Maar waar Wiegersma als schilder de psycho-analyticus wil uithangen, gaat zijn hart bij het tekenen uit naar het lichamelijke, dat hij in zijn poging om het te begeren, als uitbundige schoonheid verbeeldt. Zo houdt hij een strenge scheiding tussen schilderen en tekenen: het eerste métier voor het Apollinische, het tweede voor het Dionysische. Geen naakt komt in olieverf voor, geen psyche met krijt neergezet. Op de vraag hoe die tegenstelling in één kunstenaar verenigd konden worden, wordt helaas geen uitsluitsel gegeven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden