Beelden van roem, macht en liefde

Simon Schama over Britse geschiedenis en de mensen achter de maskers

Elke tijd kent haar eigen debat over kunst. Volgens de Britse schilder en kunsttheoreticus Jonathan Richardson was de "gewone natuur net zomin geschikt voor een schilderij als onverbloemd vertellen voor een gedicht". In 'Essay on the Theory of Painting' (1715) schreef hij dat kunstenaars op zoek moesten naar vormen van volmaaktheid die niet waren te vinden in de realiteit. Zo konden die de hele mensheid 'verheffen'.

Dat oppoetsen van de werkelijkheid werd op andere momenten weer zo ongeveer de grootst denkbare zonde. De negentiende-eeuwse schilder Samuel Palmer portretteerde zichzelf als hoogst kwetsbare jongeman. De 'blikken van de ziel' waren volgens hem volmaakt. Ze vormden "de enige echte maatstaf om de natuur mee te beoordelen".

Fragmentarisch komen die constant veranderende smaak en opvattingen aan de orde in 'Het gezicht van een wereldrijk. Groot-Brittannië in portretten' van Simon Schama. De Britse hoogleraar maakte naam met 'De geschiedenis van de Joden' en meer nog met 'Overvloed en onbehagen', over de Nederlandse Gouden Eeuw. In zijn nieuwe boek draait het om alles wat met portretten kan worden uitgedrukt: macht, roem, liefde, vriendschap, spot en nog veel meer.

Schama vindt het portret "zowel het meest elementaire als het minst onbevangen genre van de beeldende kunst". Al heel vroeg gold het treffend kunnen schilderen van het menselijk gezicht als een bewijs van beheersing van het vak. De auteur noemt het "een driehoekskrachtmeting tussen model, kunstenaar en publiek". Het wil nog weleens schuren tussen het zelfbeeld, het beeld van de kunstenaar (die ook graag het gezicht onder het onvermijdelijke masker vandaan krabt) en de ideeën van degenen die met het resultaat moeten leven.

Portretten van bijvoorbeeld Hendrik VIII tonen feilloos hoe onder zijn regering wereldlijke en geestelijke macht één werden. Heersers voor hem poseerden meestal nog waardig en gereserveerd. Hendrik stond erbij als God de vader zelf.

Op sommige momenten was het maken van een goed portret een spannend tweegevecht. De Canadese fotograaf Yousuf Karsh kreeg in Ottawa in 1941 maar even om de Britse premier te kieken. Toch wilde hij niet zomaar een foto maken, maar dé foto. Hij kende de standaardbeelden: de oude baas met hoed en sigaar, de vingers die een V-teken maakten, wandelend tussen menigten bewonderaars. Die clichés wilde hij vermijden.

Karsh was brutaal. Hij trok de sigaar gewoon bij Churchill uit zijn mond. "Tegen de tijd dat ik weer bij de camera was", herinnerde Karsh zich later, "keek hij of hij me wilde verslinden." Hij maakte nog een tweede foto, van een wat bedaarde premier. Maar zijn opdrachtgever koos de boze, vastberaden Churchill, een portret dat iconisch zou worden.

Dertien jaar later had de kunstenaar Graham Sutherland een nog veel lastiger opdracht. Hij mocht het portret maken dat het parlement aan Churchill cadeau zou doen voor zijn tachtigste verjaardag. Dat wekte grote verwachtingen: men wilde meer dan de mens, men wilde de belichaming van het roemrijke Groot-Brittannië, de nationale redder. Sutherland wist dat, maar besloot er niet te veel bij stil te staan. Hij wilde schilderen wat hij zag. Dan zou het grote ding ook gebeuren. Of niet.

Sutherland beeldde de premier af als een rots, maar wel een enigszins verweerde rots. En het grote ding gebeurde niet. In een briefje aan de kunstenaar noemde Churchill het portret ongeschikt vanwege de controverse die het zou oproepen. "Ik zie er achterlijk uit", mopperde hij in kleine kring. "Hoe schilderen ze tegenwoordig? Zittend op de plee?"

Bij de onthulling verdeelde het schilderij het publiek. De meeste Labourpolitici waardeerden Sutherlands werk, de Conservatieven verafschuwden het. Een van hen zei dat het in de Theems gegooid mocht worden.

Zover kwam het niet. Maar Churchills vrouw Clementine zorgde er wel voor dat niemand het schilderij na bezorging op hun landgoed nog te zien kreeg. De afbeelding van haar man als 'grof en wreed monster' moest worden vernietigd. 'Pictocide' noemt Schama dat. Een privésecretaresse nam het portret mee en verbrandde het in de tuin van haar broer.

Dat Schama de kunst van het vertellen verstaat, behoeft geen betoog. Maar het wordt niet altijd duidelijk wat hij nu precies met 'Het gezicht van een wereldrijk' beoogt. Vijf jaar geleden verscheen bij ons 'Verleden in verf. De Nederlandse geschiedenis in veertig schilderijen' van Hans den Hartog Jager en Pieter Steinz. Maar voor een soortgelijke, bijna canonieke historie van een land via opmerkelijke doeken, tekeningen en foto's doet Schama's selectie net even te willekeurig aan. Hier geen beschouwing van de plaatjes voor een andere kijk op de geschiedenis. Om structureel veel wijzer te worden van de kunst van het portretteren verliest Schama zich te vaak in biografische schetsen en anekdotiek.

En het moet wel gezegd: bij die opgeroepen werelden van weleer en tevoorschijn getoverde portretten zit een aantal om nooit meer te vergeten. De prachtige portretten van achttiende-eeuwer Thomas Gainsborough van zijn twee dochters (echte kinderen, geen kleine volwassenen) en de treurige geschiedenis die er op volgde: Mary werd waanzinnig en tot het einde van haar leven verzorgd door zus Margaret. De menselijke blik van Henry Tonks toen hij de onmenselijkheid van de Eerste Wereldoorlog vereeuwigde in portretten van de getroffenen. Het aanleggen van een infuus als een moderne versie van de klassieke kruisafname.

Simon Schama: Het gezicht van een wereldrijk. Groot-Brittannië in portretten. (The Face of Britain) vert. Karina van Santen en Martine Vosmaer. Atlas Contact; 592 blz. euro 39,99

Galerij der groten

Al in 1846 waren pogingen ondernomen om de Britten een plek te gunnen waar ze oog in oog konden staan met grote landgenoten uit de geschiedenis. Pas bij de derde poging, in 1856, gaf het parlement toestemming en kwam geld vrij voor de National Portrait Gallery. De Fransen hadden al wel het Pantheon voor hun grands hommes, maar een schilderijenverzameling als deze bestond nog niet.

Het idee was dat een volk sterker zou worden van het kijken naar stichtelijke voorbeelden. Het Verenigd Koninkrijk was een wereldmacht, maar het rommelde internationaal. 1848 had geleerd hoe snel revoluties om zich heen konden grijpen.

Bij de opening in 1859 bood de National Portrait Gallery slechts plek aan zo'n veertig schilderijen, maar de belangstelling was overweldigend. De collectie omvat nu bijna tweehonderdduizend portretten en jaarlijks passeren ruim 2,5 miljoen bezoekers de kassa.

'Amy - Blue' door Marlene Dumas (2011). Aan de hand van dit portret van zangeres Amy Winehouse belicht Simon Schama de twee kanten van roem.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden