Bedrijfsleven pikt ontwikkelingsgeld in

De minister van ontwikkelingssamenwerking steunt ten onrechte export naar Afrika en Azië. Het geld komt vooral producenten van Hollandse waar ten goede, niet de ontwikkelingslanden. Die worden er eerder minder van.

De vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken evalueert morgen de Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties (ORET). Ze moest deze vorm van financiering maar afschaffen.

Met de ORET wordt de export van Nederlandse bedrijven naar ontwikkelingslanden gesteund. Dit jaar besteedt minister Herfkens zo'n 350 miljoen gulden aan dit programma. Gezien alle veranderingen die Herfkens sinds haar aantreden heeft doorgevoerd in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking is het opmerkelijk dat zij deze transacties nog niet heeft aangepakt. ORET is een inefficiënte vorm van hulp.

Wemos, een organisatie voor internationale gezondheidsvraagstukken heeft - na een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur - inzage gekregen in vijf ORET-projecten op het terrein van gezondheidszorg. Het betreft Philips-leveranties van röntgen- en echo-apparatuur aan Tanzania, India, Zimbabwe, Ghana en Jordanië ter waarde van 135 miljoen gulden aan Nederlands ontwikkelingsgeld. Uit de projectdocumentatie blijkt dat de leveranties weinig te maken hebben met ontwikkelingssamenwerking. Het betreft allereerst exportsteun aan Philips.

Ontwikkelingsprojecten dienen te worden opgesteld op basis van de prioriteiten in het ontvangende land. Dit is heel terecht ook uitgangspunt in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Maar de ORET-procedure werkt precies andersom. De verkoop van 'Hollandsche waar' is het startpunt, en het is een hele toer om die export nog enigszins te laten bijdragen aan de ontwikkeling van het ontvangende land. Een commercieel bedrijf is immers geen ontwikkelingsorganisatie.

De nadruk in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid ligt op steun aan de armste groepen en basisgezondheidszorg. Hier immers kan met relatief beperkte middelen een grote bevolkingsgroep worden bereikt. De leverantie van röntgenapparatuur is niet 'de meeste hulp voor het minste geld'. En ORET kijkt niet naar effectiviteit van de hulp. Nederlands ontwikkelingsgeld is daarom slecht besteed. Tot overmaat van ramp betalen de ontvangende landen veertig tot zestig procent van de aanschaf. Omdat ook zij iedere gulden slechts één keer kunnen uitgeven, is er een gerede kans dat de aanschaf afgaat van sociale uitgaven ten gunste van de allerarmsten. In drie van de vijf door Wemos onderzochte gevallen ging het ontvangende land zelfs een lening aan om de bijdrage te kunnen betalen. Zimbabwe en Ghana vergrootten hiermee hun toch al aanzienlijke schuldenlast.

Door het ORET-programma loopt minister Herfkens dus onnodig het risico haar eigen beleid te ondergraven. Niet de prioriteiten van het ontvangende land staan centraal, maar die van het exporterende bedrijf. Het is niet de meeste hulp voor het minste geld. En de hulp gaat mogelijk ten koste van de sociale uitgaven.

Het ORET-programma is feitelijk exportsteun aan het Nederlandse bedrijfsleven. Zulke steun werkt al snel marktbedervend en hoort al helemaal niet thuis in de begroting van Ontwikkelingssamenwerking. 'Koopt Hollandsche Waar' zegt ORET tegen de ontwikkelingslanden. Terwijl andere projecten beter, goedkoper of meer toegesneden kunnen zijn op de behoefte van het ontvangende land.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden