Beddingen van onbegrip

Slechts een stuk of zes titels maar heeft dichteres en schrijfster Fritzi Harmsen van Beek op haar naam staan. Ze is vooral bekend door haar jaren als bohémien. Uit haar werk stijgen drankdampen op. Of is het geraffineerde techniek? Neerlandica Annie van den Oever promoveert vandaag op deze dichteres die volgens haar het vak volledig beheerst en zo een andere kijk op de wereld biedt.

,,Voor de onzin gewoon'', antwoordde de dan 54-jarige dichteres Fritzi Harmsen van Beek op de vraag waarom ze gedichten schrijft. Ze zei dat in 1981, in een zeldzaam televisieoptreden, toen de literaire criticus Gomperts haar interviewde.

,,Je laat je door haar om de tuin leiden als je dat woord 'onzin' letterlijk neemt'', zegt neerlandica Annie van den Oever. ,,Wat Fritzi Harmsen van Beek schrijft is zo verbluffend samenhangend, zo uitgewerkt, zo doordacht. Maar ze wil geen schrijver zijn die met gezag spreekt.''

Van den Oever promoveert vandaag op de dichteres Harmsen van Beek, van wie het werk wel is afgedaan als goedmoedig gemompel van een warhoofdige alcoholica. Zo ziet Van den Oever het niet: ,,Fritzi Harmsen van Beek presenteert een ander soort samenhang.''

De dichteres debuteerde in 1965, op 38-jarige leeftijd. Ze had nooit iets gepubliceerd, maar schreef wel, al vanaf dat ze twee was. Haar ouders tekenden kinderboeken. Haar vader maakte de boekjes van Tiels Flipje, van de jam uit de Betuwe. Met haar vader maakte ze serieuze en vooral onserieuze gedichten. Later zagen vrienden van haar, zoals Remco Campert met wie ze kort getrouwd is geweest, haar gedichten maken op snippers papier en ook wel eens op een beslagen raam.

Fritzi ten Harmsen van der Beek, zoals ze heette voor ze haar naam wat inkortte, maakte gedichten voor de gelegenheid, in huiselijke kring. Maar niet in een handomdraai. Dagen en dagen en dagen deed ze erover. Woorden die schijnbaar spontaan waren komen opborrelen, zijdelingse invallen die op het eerste gezicht niets met het eigenlijke onderwerp te maken hadden, doorhalingen, herhalingen, het leek allemaal het product van een chaotische geest die de zaak niet meer in de hand had.

Dat is schijn, zegt Van den Oever. Harmsen van Beek beheerst het ambacht. Het lijkt chaos, maar het is techniek. Wat dat betreft zijn haar gedichten misschien te vergelijken met de papieren knipsels die ze maakte en die op foto's nog te zien zijn. Ze plakte ze op de tussendeuren in haar villa. Ragfijne kunstwerkjes zijn het, en gezien de hoeveelheid moet ze er uren en uren aan besteed hebben. Uren waarin ze ook had kunnen schrijven, om weer eens wat geld te verdienen, of om een groter publiek dan haar huisgenoten van haar talent te laten genieten.

Fritzi Harmsen van Beek was zeventien jaar lang het excentrieke middelpunt van een Goois kunstenaarsnest. Van 1954 tot 1971 woonde ze met haar zoontje op Jagtlust, een vervallen villa waar alle dichters, schrijvers en uitgevers die kwamen aanwaaien aan de grond genageld stonden zodra ze haar zagen. Zoals zij was er maar één.

Uit haar mond kwam poëzie, uit haar handen kwamen kunstige knipsels en tekeningetjes en gedichten, 's nachts was het feest en was er altijd heel, heel veel drank. Cees Nooteboom kwam er, Gerard Reve en Remco Campert, tekenaar Peter Vos, de dichter Gerrit Komrij, Adriaan Roland Holst, Hugo Brandt Corstius, uitgevers als Theo Sontrop, Geert van Oorschot en Geert Lubberhuizen. Lucebert en Hugo Claus hoorden tot de bewonderaars van haar werk.

Tekenaars en schrijvers herkenden haar talent en uitgevers probeerden haar te verleiden iets te publiceren. Maar Harmsen van Beek had niet de bedoeling om te publiceren of beroemd te worden. Ze was verknocht aan de huiselijke kring van de bohémiens om haar heen. Alles daarbuiten was vervelend.

Wel schreef ze af en toe iets in Vrij Nederland en publiceerde ze soms een gedicht in het literaire tijdschrift Tirade of maakte ze een aflevering van Tiels Flipje. Maar om echte bundels of echte boeken te maken, zoals Remco Campert, Gerard Reve en de andere bewoners en bezoekers van Jagtlust deden, daartoe voelde ze geen behoefte.

Zonder dat ze het wist stuurde Remco Campert haar werk op naar de jury van de poëzieprijs van de stad Amsterdam. Een prijs die al eens naar hemzelf gegaan was,en ook naar Adriaan Roland Holst en Lucebert. In 1963 kreeg Harmsen van Beek de prijs. Ze had nog nooit een bundel gepubliceerd. Ze had geen behoefte aan aandacht van pers of publiek en dat is ook zo gebleven. ,,Ik heb geen hap ambitie'', zei ze ooit. ,,Alles wat ik doe heeft alleen maar de pretentie van een goed geslaagd grapje.''

Wat dat betreft zou je haar het tegenbeeld kunnen noemen van Harry Mulisch, bekend om zijn grote behoefte zijn aanwezigheid kenbaar te maken, het liefst aan de gehele wereldbevolking.

Haar kracht ligt in haar argeloosheid, zegt Van den Oever. Die argeloosheid is geen naïviteit, maar een manier om de werkelijkheid met open oog te zien, zonder geïntimideerd te worden of op sleeptouw genomen. ,,Het is een vitale, volwassen vorm van argeloosheid en in die manier van kijken is ze geen spat veranderd, al die jaren niet.''

Van den Oever richt zich uitsluitend op de poëzie van Harmsen van Beek en haar verhalen. Over het leven van de vrouw die heel kunstminnend Nederland destijds kende als Fritzi schrijft ze geen woord. Een tikje geërgerd merkt ze op dat dat amicale 'Fritzi' wel erg gemakkelijk uit de monden kwam, eind jaren zestig. Net zoals daarna even gemakkelijk werd verondersteld dat die Fritzi na haar gedwongen verhuizing van Jagtlust naar het Friese Garnwerd, wel werkloos weggezonken zal zijn in een met drank besprenkelde depressie. ,,Ze schrijft nog steeds'', zegt van den Oever, die wel contact heeft opgenomen met de dichteres, maar van haar te horen kreeg dat ze haar studie maar gewoon moest doen. ,,Ik denk dat er ergens ook wel een grote hutkoffer staat met van alles erin. Maar ze wordt nu niet meer achter de broek gezeten door uitgevers om iets te publiceren, zoals eind jaren zestig.''

Van den Oever maakte begin jaren tachtig kennis met het werk van Harmsen van Beek. ,,Ik las eerst haar verhalen, zoals '13 manier om in tranen uit te breken'. Die verhalen troffen me door hun enorme brille. Haar invallen, haar taalspel wijken zo af van gangbare opvattingen over samenhang.''

Lyrisch wordt Van den Oever over Gewone Piet en andere Piet, een getekend sprookje dat Harmsen van Beek maakte voor haar zoon Gilles. Het sprookje begint met een zin van maar liefst 101 woorden, waarvan het eerste 'Gelukkig' is en dat cirkelend rond allerlei tekeningetjes bij het laatste woord 'koud' aankomt. Onderweg zijn sommige woorden doorgestreept en ook wel tussen haakjes gezet. ,,De filosoof Derrida doet dat ook. Daarmee geeft ze aan dat de zin ook op een andere manier verder kan gaan.''

Na die lange zin komen er ook die uit één woord bestaan. Harmsen van de Beek gebruikt deze grillige vorm om het innerlijke leven van de vogel Piet weer te geven. Piet neemt alles zoals het komt: de kou, de dood van een andere vogel, de winter. Hij voelt niets bij verlies of vergankelijkheid, hij registreert alleen wat hij ziet, meer niet. ,,Ze is daar heel rigoureus in.''

Van den Oever noemt het werk van Harmsen van Beek 'grotesk'. Ze vergelijkt het met het werk van Paul van Ostaijen, de dichter van 'Marc groet 's morgens de dingen', dat begint met 'Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem ploem ploem'. Of ook met Annie M.G. Schmidt. Een dichter van grotesk werk gebruikt heel gewone ingrediënten, alledaagse woorden, niks bijzonders. Een vogel die Piet heet, een jongen die Marc heet en die 's ochtends de kamer binnen komt. Maar die gewone woorden worden anders gebruikt dan anders. Zo anders dat de lezers zijn houvast kwijt raakt en diep moet nadenken.

Een groteske schrijver heeft geen vast stramien. Dat blijkt alleen al uit de lengte van de zinnen, die onvoorspelbaar is. Van den Oever heeft het werk van Harmsen van Beek op dit punt vergeleken met dat van Simon Carmiggelt, die in dezelfde tijd als zij publiceerde en die ook in het lichtvoetige genre zit. Zowel Carmiggelt als Harmsen van Beek maken dan weer heel lange, dan weer ultrakorte zinnen. Maar bij Carmiggelt zit daarin een patroon. Als hij zelf aan het woord is, is de zin lang. Als hij iemand uit het café citeert, is de zin kort. ,,Toch de schrijver die met autoriteit spreekt'', constateert Van den Oever. De lengte van de zinnen van Fritzi Harmsen van Beek hangt op geen enkele manier af van wie aan het woord is.

,,Harmsen van Beek strekt zich uit in beddingen van onbegrip. Ze vraagt de lezer bestaande begrippen los te laten en trager tot nieuwe vormen van begrip van een tekst te komen'', legt van den Oever uit. ,,Daarom wilde ze ook niet uitleggen wat haar werk betekent of daar commentaar op geven of een samenhangend essay schrijven. Misschien kon ze dat wel, maar ze wilde dat niet. Het zou haar werk ondermijnen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden