Bedauwde spinnenwebben tekenen het begin van de herfst

Merels vliegen ijl roepend rond in de boomtoppen. Trekkers, de weg kwijt in de mist en voor de dag hier neergestreken. In de prille morgen lichten webben op tussen de brandnetels, zwaar van dauw. De herfst is begonnen, de zomer is voorbij.

De grote wielwebben zijn van gewone kruisspinnen. Dat is te zien aan het midden van zo'n web. De tussen de spaken van het web gespannen spiraaldraad laat het centrum open. Hooguit is de naaf van het wiel bespannen met een apart fijnmazig netje, dat door een open zone van de grote spiraal is gescheiden.

Met wat oefening kun je verscheidene spinnensoorten aan hun webben herkennen. Het centrum van het web is helemaal dichtgesponnen of juist open, het web is onregelmatig, heeft weinig spaken of is grofmazig of de spiraaldraad is onderbroken waardoor een sector van het wiel open blijft.

In tegenstelling tot andere kruisspinnensoorten komt de gewone kruisspin overal voor, tot midden in de stad. Ze is te herkennen aan het witte kruis binnen golflijnen, die samen een bladfiguur op haar achterlijf vormen. Bij sommige is het kruis onduidelijk, want tekening en kleur van de gewone kruisspin zijn buitengewoon variabel. Met een lengte van anderhalve centimeter is het volwassen vrouwtje een van onze grootste spinnen. Het spichtige mannetje heeft een kleiner achterlijf, vaak met een onduidelijk kruis.

INSECTENVERDELGERS

Spinnen vangen insecten. Volgens W.S. Bristowe, die in 1947 het aardige boekje A Book of Spiders schreef, verdelgen spinnen vele malen meer insecten dan vogels. Hij berekende dat alle spinnen van Engeland en Wales jaarlijks 220.000.000.000.000 insecten verorberen, die samen meer wegen dan alle inwoners van datzelfde gebied.

Om die insecten te vangen maakt de kruisspin een verticaal wielweb, dat bestaat uit een groot aantal spaakdraden en een vangspiraal met lijmdruppeltjes. Ze kan over het web lopen zonder eraan vast te kleven, omdat haar klauwen en getande pootharen aan de lijm geen houvast bieden.

Meestal is het web gemaakt tussen twee horizontaal gespannen hoofddraden. Die draagkabels kunnen enkele meters overspannen. Spinnenonderzoeker Pater Chrysanthus beschreef vijftig jaar geleden hoe de spin dat doet. Ze posteert zich op een tak of iets dergelijks en laat een draad uit haar spintepels op de wind wegwapperen. Als die draad lang genoeg is, keert ze zich om en gaat ze aan de draad trekken. Als die zich ergens aan heeft vastgekleefd, palmt ze de draad in tot deze strak staat. Vervolgens maakt ze de draad vast aan haar zitplaats. Een eindje lager bevestigt ze het begin van een nieuwe draad. Lopend langs de eerste draad spint ze de nieuwe draad, die ze met een achterpoot afhoudt van de eerste draad. Aan de overkant gekomen loopt ze een eind naar beneden, trekt ze de nieuwe draad strak en verankert ze beide draden aan die kant even stevig als waar ze begonnen is. Vervolgens versterkt ze beide draagkabels door er meer draden overheen te leggen.

Daarna spint ze twee verticale draden, die samen met de draagkabels een vierhoekig kader vormen. Daarbinnen komt het web, eerst de spaken, dan een wijde en niet kleverige hulpspiraal en als finishing touch de dunne kleefspiraal, die van buiten naar binnen wordt gemaakt, terwijl de spin de hulpspiraal afbreekt. Tenslotte wordt een signaaldraad gespannen naar de schuilplaats aan de rand van het web, waar de spin zich bij ongunstig weer of bij gevaar in terugtrekt. De verklikkerdraad, die ze voortdurend gespannen houdt, verraadt of iets in het web is gevlogen.

GEDULDIG WACHTEN

Bij mooi weer tronen de dikke vrouwtjes met de kop naar beneden midden in hun wielweb. Ze wachten geduldig tot een insect onbesuisd in de bijna onzichtbare draden vliegt. Met al haar acht ogen moet de kruisspin het niet van het gezicht hebben, want ze is bijziend. Haar feilloze gevoel vertelt haar waar de prooi zich in haar web heeft verstrikt.

Spinnen doden hun prooi met gif, dat ze via hun scherpe kaken in hun slachtoffer injecteren. Een oud Angelsaksisch woord voor spin is Attercop, wat gifkop betekent en lijkt op het Nederlandse scheldwoord etterkop, dat gewoonlijk wordt uitgelegd als puistenkop.

Al voordat haar slachtoffer dood is, begint de spin het in zijden draden te wikkelen, de buit ronddraaiend alsof ze garen op een klos windt. Wespen en bijen worden veiligheidshalve op die manier geboeid voordat de spin ze doodt. Het ingesponnen insect wordt naar de schuilplaats gesleept en daar in alle rust fijngekauwd en uitgezogen.

Vangsten beschadigen het tere web, dat meteen wordt gerepareerd, maar na een tijdje toch onbruikbaar is. Elke morgen bijt de spin op de draagkabels na alle draden los en maakt ze in een half uur, hooguit drie kwartier een nieuw web.

VOORZICHTIG VRIJEN

Als een mannetje geslachtsrijp is, brengt het zijn sperma uit zijn achterlijf over in de holle kaaktasters, die speciaal voor de copulatie gebouwd zijn. Vervolgens zoekt hij een vrouwtje. Dat benadert hij omzichtig, want het zit niet op een liefdesrelatie te wachten, maar op een prooi. Aan de rand van haar web, zodat hij eventueel snel een veilig heenkomen kan zoeken, spint hij een draad, waaraan hij met de voorpoten gaat tokkelen. Na een tijdje gaat het vrouwtje met de kop naar beneden, roerloos aan de tokkeldraad hangen, de buik naar het mannetje gekeerd. Deze springt razendsnel toe, drukt een taster met zijn sperma tegen haar geslachtsopening en smeert hem al na een paar seconden.

Soms verslindt het vrouwtje het mannetje na de paring. Dat is eerder uitzondering dan regel. Erg is het niet, want kort na de paring sterft het mannetje toch.

BESCHERMENDE EIERCOCON

Het vrouwtje gaat pas dood als ze een paar honderd eitjes heeft gelegd. Ze weegt dan nog maar eenderde van haar oorspronkelijke gewicht van ongeveer een gram. Voor haar eitjes spint ze een dikke cocon van fijn geel spinsel. De cocon weert sluipwespjes, die eitjes in spinneneieren leggen, maar beschermt niet tegen insectenetende vogels, die in de winter alle schorsspleetjes naar iets eetbaars afzoeken.

Als alles goed gaat, komen de jonge spinnetjes in de volgende voorzomer uit. Ze zijn lichtgeel met een zwart vlekje op het achterlijf. Ze overwinteren in vorstvrije hoekjes en zijn pas in hun tweede jaar volwassen, in september. Tot het zo ver is, vervellen mannetjes zes, vrouwtjes acht keer. Soms zie je een leeg spinnenhemdje, met holle pootjes en al, aan een twijgje hangen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden