Beatles toonden wat jong-zijn zo heerlijk ellendig maakte

In mei 1968 werkte ik in het St. Ives Bay Hotel in Cornwall als kelner. Het was de zomer van Jumping Jack Flash. In april had ik Nederland in lichtelijk wanhopige toestand verlaten om te ontsnappen aan verdere lotsverbetering via avondcursussen.

Toen ik als hbs’er niet werd toegelaten tot de studie filosofie (psychologie mocht wel) dacht ik ’wat doe ik hier nog’ en nam de boot naar Engeland.

Dit klinkt verdacht overzichtelijk en veel te resoluut, maar ik bespaar u de warrige details en de minstens zestien maanden durende aanloop tot deze sprong. Ik hield in mijn achterhoofd de mogelijkheid om in Engeland filosofie te gaan doen, hoewel het me volstrekt onhaalbaar leek. Naast die filosofische droom was Engeland ook aantrekkelijk door The Beatles en de Stones.

Ik ging niet zozeer naar het land van Locke, Berkeley, Hume en Russell, alswel naar het land van John, Paul, George en Ringo. Ik geloof dat ik A Hard Day’s Night wel vijf keer gezien had.

Van The Beatles wordt wel gezegd dat ze een perfecte spiegeling boden van hun tijd. Hun haar, spraak, muziek, humor, kleding, laconieke politieke opvattingen, halve meditatie-ernst, hun vermogen alles en iedereen, ook zichzelf, in de maling te nemen, zij leken in zich zo’n beetje alles te verenigen wat jong-zijn zo heerlijk ellendig maakte.

Ergens in 1964 of 1965 houdt dat spiegelen op en gebeurt er iets anders. Mijn Beatle-kennis is van te koude grond om hier een exact tijdstip of nummer aan te kunnen wijzen. Maar al was ik van hogerop in de Beatle-musicologie dan zou dit nog altijd een hele klus blijven, want het soort stap dat ik probeer aan te wijzen is nooit zomaar één stap. Ergens rond A Hard Day’s Night beginnen The Beatles mooi op snelheid te raken, een indruk die mogelijk heel even wankelt bij sommige nummers van ’Help’, een lichte weifeling die voorgoed verdwijnt bij ’Rubber Soul’, een lp die geen zwakke momenten meer heeft. En hier houdt dat spiegelen van hun tijd op en lijken ze zich helemaal naar voren te wagen in de menselijke optocht om, gedurende een korte tijd, een stukje voor de stoet uit te lopen. Ik denk dat dat het gevoel is dat ik had bij het luisteren naar ’Revolver’ in 1966. Op de hoes van deze lp zag je The Beatles als jonge mannen die voorbij veel sex, drugs and rock and roll een welhaast Platonisch Ideaal neerzetten op het gebied van denken, lachen en voelen.

De Stones wilden nog wel eens een venijnige trap uitdelen, maar The Beatles hadden niet meer nodig dan een speels duwtje en de hele wereld van onze ouders: huwelijk, Dixieland, Sacramentsdag, het verzet, Brylcreem, D-Day, Taptoe Delft, Perry Como, de Huzaren van Boreel, theebiscuitjes, Toon Hermans en het Pastoraal Concilie, het belandde allemaal met een sierlijke boog in de vijver. En wij zeiden dag met ons handje.

In 1967 kwamen ze met Sgt. Pepper waaruit bleek dat hun heerschappij niet op een gok berustte, maar voortkwam uit een werkelijk meesterschap. Dat ze later lichtelijk verveeld op hun troon zaten en er elkaar zelfs vanaf duwden laten we hier onbesproken. Het gaat mij om het visioen dat The Beatles even voor ons opriepen.

Ik meende daar overal sporen van te vinden in Engeland. De goedlachse brutaliteit van de vier en hun generatiegenoten had zo veel omver gehaald dat er ruimte was voor deze dolende hbs’er met weltschmerz en toekomstangst.

Ik vond een vriendin, een baantje als afwasser en een prachtige kamer in Dartington Hall in Devon, waar zij op de toneelschool zat. Ik werd van alle kanten gesteund bij het zoeken naar een plaats op de universiteit.

Mijn hbs-diploma werd in het Engels vertaald. Ik slaagde voor het universitaire toelatingsexamen. Alleen had ik nu nog geen geld. Het eerste jaar redde ik het op wat spaargeld en geld van mijn vader. Hij had een beetje te doen met mijn ambities die hij eigenlijk als onhaalbaar inschatte. „Je grijpt veel te hoog jongen”, was zijn bezorgde commentaar. Voor de rest van mijn studie kreeg ik geld van de familie Elmhirst die Dartington Hall bestierden.

Dat was niet echt genoeg voor het hoge collegegeld dat ik als buitenlander moest betalen. Elk jaar als ik mij aanmeldde in september vroeg mijn hoogleraar: „And what are we going to do about your tuition fees this year?”

Ik antwoordde dat ik het weer niet wist. Waarop hij zei: „I suppose you’d better leave it to me then.” Ik heb nooit collegegeld hoeven te betalen.

Ik heb altijd het gevoel overgehouden dat Engeland ongelooflijk aardig is geweest voor mij. Of moet ik zeggen dat de Sixties aardig voor mij waren?

Ik weet niet of ik in Frankrijk, Duitsland of Amerika zo makkelijk mijn weg had gevonden naar vrouw, muziek, literatuur en vooral filosofie. Het kwam mede door The Beatles, vind ik, die me eerst wakker maakten in Nederland en mij vervolgens op de boot naar Engeland zetten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden