Review

'Baudelaire', een onbewust zelfportret van Sartre

'De mens is volstrekt kenbaar', beweerde de Franse filosoof Jean-Paul Sartre ergens aan het eind van zijn leven, een stelling die hij zijn levenlang in praktijk bracht door ten diepste over het menselijke bestaan en de de menselijke drijfveren na te denken. In zekere zin zou je dus de hoofdpersoon van zijn roman 'Walging', Roquentin, die het ten slotte opgeeft om de Markies de Rollebon te leren kennen over wie hij een biografie wil schrijven, kunnen beschouwen als een soort mislukte versie van Sartre zelf, zijn negatieve alter ego.

Zelf heeft Sartre in een drietal biografieën gepoogd zijn ideeën over de menselijke existentie toe te passen op bestaande (en befaamde) individuen. De eerste daarvan is zijn studie over Baudelaire, geschreven in 1944, een omvangrijke poging om de befaamde dichter van de romantische decadentie te begrijpen en in kaart te brengen (de anderen waren Genet en Flaubert).

Het is altijd een omstreden werkstuk geweest, in die zin dat het niet erg past in het beeld dat andere auteurs en de literaire geschiedenis van Baudelaire hebben opgeleverd: een gekweld mens, lijdend onder zondebesef, wroeging en armoede, maar ook vervuld van satanisme en sadisme, die de burgerlijke moraal verwierp en de schoonheid van het lelijke verheerlijkte (zijn beroemde dichtbundel 'Les fleurs du mal', waarvoor hij in het burgerlijke Frankrijk van Napoleon III veroordeeld werd). Kortom, een icoon van de zwarte romantiek.

Wat Sartre erin aantrok om juist hem te biograferen is eigenlijk nogal raadselachtig. Voor Sartre zelf was poëzie een onwenselijke vorm van literatuur en het vermeende asociale en 'zwarte' karakter van Baudelaire zal hemzelf die zijn leven lang op zoek bleef naar verantwoordelijkheid, ook niet erg aangetrokken hebben. Niettemin gebruikt hij hem als demonstratiemodel voor een van de belangrijkste uitkomsten van zijn existentie-filosofie, het idee dat de mens vrij is om het leven te kiezen wat hij wil. Baudelaire zou, ondanks het hem aanklevende idee dat zijn leven volgens een bepaald noodlot verliep, juist en bij uitstek zélf zijn bestaan hebben gekozen en ingericht.

Sartre baseerde zijn ideeën over het mensenleven enigszins op die van de filosoof Henri Bergson, die het bestaan van de enkeling vooral als een 'eenheid' beschouwde. Niet de historische ontwikkelingen in het leven maken de kern uit maar die eenheid van karakter en noodlot. Sartre wilde zo het leven van Baudelaire in zijn kern, zijn synchroniciteit, en niet in zijn ontwikkeling zien te vatten.

Centraal is zijn idee dat een jonge, zevenjarige Baudelaire ten diepste gekwetst zou zijn door het (tweede) huwelijk dat zijn moeder met generaal Aupick sloot. Ergens op die leeftijd zou hij als het ware gekozen hebben voor het voortdurende verzet dat volgde. Sartre beschouwde het leven van Baudelaire als een wapen om zijn wrok mee te stillen.

Hoezeer Sartre voor het leven als eenheid opteerde blijkt wel uit de opzet die hij voor 'Baudelaire' koos: eerst een lang hoofdstuk over het karakter van Baudelaire, de keuzes voor het amoreel estheticisme die hij maakte, pas daarna een tweede hoofdstuk over zijn historische leven, zijn dandyisme, zijn maîtresses, zijn afkeer van de natuur etcetera. Alsof de auteur wilde zeggen: eerst komt je keuze voor het karakter, pas daarna het leven dat je ermee leidt. Cruciaal is Sartre's opvatting over die allesbepalende wilsvrijheid, die het leven zou structureren. Hij schrijft daarover: ,,Inderdaad moeten wij niet denken (...) dat dit alles duidelijk en openlijk is gewild en dat Baudelaire slechts de opvattingen van het epicurisme in praktijk brengt: in dat geval zouden al zijn listigheden tevergeefs zijn, want hij zou zichzelf te goed kennen om zich te kunnen bedriegen. Deze keuze van hemzelf ligt veel dieper in hem verzonken. Hij kan haar niet onderscheiden, omdat zij één geheel met hem vormt. Maar evenmin moeten wij een vrije keuze van deze aard gelijkstellen aan de duistere chemische reacties die de psychoanalytici in het onbewuste situeren. Deze keuze van Baudelaire is zijn bewustzijn, zijn wezenlijke onderwerp. In zekere zin is hij er zo van doortrokken dat zij als het ware zijn eigen doorzichtigheid is. Zij is het licht van zijn ogen en de smaak van zijn gedachten. Maar in die keuze zelf legt hij de bedoeling zich niet prijs te geven, hij wil alles kennen, maar niet gekend worden.'

Wie dit leest kan nauwelijks aan de gedachte ontkomen dat Sartre, enigszins krampachtig, zich ook te weer stelt tegen de bevindingen van Freud c.s., dat de mens door blinde en onbewuste driften bepaald zou zijn. Hij legt de verantwoordelijkheid voor zijn leven bij Baudelaire zelf. Wat hij er vervolgens in aantreft, het volstrekt gecultiveerde, de afkeer van de natuur, de verheerlijking van het steriele, koele en onvruchtbare, de verwerping van het christelijke, maar ook het verlangen naar het satanische, naar het onbevredigde, de onvoldaanheid, beschouwt hij allemaal als een experiment van Baudelaire, die zich vanuit een diep doorvoelde afkeer van het werkelijke, organische leven, heeft voorgenomen gekunsteld, geforceerd en atheïstisch te leven en iedere vorm van spontaniteit, elke gehechtheid aan de materie uit te bannen.

En juist in dit portret van Baudelaire, of het nu treffend is of niet, herkent men (en hier zit de zijdelings bestreden Freud natuurlijk te glimlachen) het gezicht van de biograaf zelf. Het is een toegespitste beschrijving van Sartre zelf. Niet dat Baudelaire als mens op Sartre geleken heeft, maar in die hem toegeschreven overbewuste vormgeving van zijn leven zie je de verwantschap.

En terwijl Sartre zich steeds verder van de canonieke en plausibele Baudelaire verwijderde, die zijn cruciale stiefvader in de praktijk helemaal niet zo gehaat heeft, laat hij steeds meer van eigen drijfveren en karakter zien. Terecht, zij het enigszins hatelijk, merkt Sartre's biograaf Ronald Hayman op dat Sartre's veronderstelling dat Baudelaire in saus gekookt vlees moet hebben geprefereerd boven gewoon gebraden vlees, en conserven boven vers fruit (als teken van zijn afkeer voor het natuurlijke) vooral iets zegt over Sartre zelf, die van vlees in saus en fruit in blik hield.

Hoewel de welbewuste onnatuurlijkheid van Baudelaire dus niet echt iets zegt over de gebiografeerde, is 'Baudelaire' wel degelijk een interessante studie. De auteur beschrijft op onnavolgbaar synthetiserende wijze een ge(re)construeerd personage, waarin hij veel van zichzelf heeft gelegd en waarin vervolgens ieder welbewust mens het nodige zal herkennen. Sartre's 'Baudelaire' is het volstrekte anti-type, dat ontstaat in het kind dat zich verzet tegen de heersende moraal en door stout te willen zijn juist het gezag waartegen het in opstand komt erkent. Het is misschien wel de bewuste mens in optima forma, waarvan men overigens in zichzelf hopelijk slechts deeltjes zal aantreffen. Een onnatuurlijk product, een homunculus, precies dat wat Baudelaire volgens Sartre van zichzelf maakte maar wat in feite Sartre, niet zonder onbewust iets van zichzelf te verraden, van Baudelaire maakte. Daarom moet het boek in de boekenkast bij Sartre staan en niet bij Baudelaire.

Overigens, een commentaar of wat notities over de ontvangstgeschiedenis van dit boek of bijvoorbeeld het zeer kritische en lucide essay van Vestdijk uit 'Zuiverende kroniek' over dit boek, zou als aanvulling op deze vertaling niet misstaan hebben. Veel onverkwikkelijker is dat de uitgever op eigen houtje de oorspronkelijke vertaling uit 1966 zodanig heeft 'opgefrist' dat het ding nu vol blunders en ongerijmdheden staat. Vertaler Paul Beers neemt er dan ook nadrukkelijk afstand van, wat je als lezer met een verscheurd gevoel achterlaat: boeiend boek, raar op de markt gebracht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden