Barsten in het plaatje van de gelukkige landman

Foto's hielpen om de mensonterende woonomstandigheden van de allerarmsten onder de aandacht te brengen. In de serie over iconische beelden uit de Nederlandse geschiedenis vandaag aandacht voor het documentaire werk van Tonnis Post.

PAUL VAN DER STEEN

Geen diagnose zonder opsomming van waar te nemen symptomen. Zorgvuldig noteerde de huisarts van Bellingwolde, Pieter Bloemers Middendorp, de details van de verziekte woonomstandigheden van de armen op het platteland van Oost-Groningen: maten van behuizingen die nauwelijks die naam mochten dragen, de grootte van bedstedes, aantallen bewoners en hun gezondheidstoestand.

Bloemers Middendorp was lid van de regionale gezondheidscommissie. Op een landelijk congres in Den Haag in 1913 hadden velen met hem geconstateerd dat Nederland sinds twaalf jaar weliswaar een Woning- en een Gezondheidswet kende, maar dat er nog steeds volop mensonterende toestanden voorkwamen. Na terugkomst uit de hofstad wilde hij voor zijn eigen streek de feiten gaan verzamelen.

Toch beklijfde zijn boekhouding van de armoe uiteindelijk minder dan de beelden die de door de dokter meegenomen Winschotense portretfotograaf Tonnis Post schoot: half in het veld verzonken plaggenhutten, hetzelfde verblijf- en slaapvertrek voor mens en vee, personages die lijken te zijn weggelopen uit streekromanversies van de boeken van Charles Dickens. Vroege documentaire fotografie, dat was het.

De Groningse politicus Hajo Albert Spandaw dichtte in 1815 over de 'gelukkige landman': De boer heeft een gelukkig lot! / Zijn stand is waarlijk vrij; / hij werkt en zingt en dankt zijn God, / hij smaakt het zuiverste genot / is vergenoegd en blij.

De romantisch ingestelde negentiende-eeuwers verheerlijkten het buitenleven. Wie het zich kon veroorloven trok naar buiten, waar het bestaan nog puur was en onbedorven door de jachtigheid van de moderne tijd. Die illusie werd gekoesterd door de gegoede stand, maar zelfs begin twintigste eeuw was de werkelijkheid voor de armen buiten de stad bikkelhard.

Bloemers Middendorp en Post waren niet het eerste duo dat in woord en prent sociale misstanden aan de kaak stelde. Toen de krant Het Nieuws van de Dag in 1898 bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina een tweedelig gedenkboek over de voorafgaande halve eeuw uitbracht, verscheen niet veel later 'Een vergeten hoofdstuk', bedoeld als supplement bij deze geschiedenis.

Volgens de inleiding van deze toegift was de jonge vorstin rondgeleid 'in een soort van luilekkerland, waar alles vrede en vooruitgang ademt, waar des avonds als de natuur na een schoonen zomerdag zich kalm ter ruste legt, ook alle burgers van Nederland in staat zijn geweest hun kinderen te voorzien van het noodige voedsel, en geen enkel den nacht onder den blooten hemel of in een krot behoeft door te brengen.'

In werkelijkheid bestond er ook een Nederlandse wereld 'u zeker nog meer onbekend dan de binnenlanden van Afrika met zijn bevolking.' 'Een vergeten hoofdstuk' gunde de koningin en haar onderdanen een kijkje in het leven van 'blanke slaven'. Jan de Waardt liet met zijn indringende tekeningen zien hoe de Nederlandse armen woonden en werkten. De schrijver bleef in eerste instantie onbekend. Omdat het supplement verscheen op hetzelfde formaat en vergelijkbaar papier als het gedenkboek, dachten velen dat het er echt bij hoorde. De recensies waren behoorlijk positief, wat veranderde toen duidelijk werd dat de anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis de auteur was.

In 1901 trokken de sociaal-democratische politicus en veelschrijver Louis Hermans en tekenaar Albert Hahn door 'slechte' wijken in Amsterdam. Ze bezochten onder meer de Jodenhoek, de Eilanden en de Jordaan. Een probleem kwam daar zelden alleen. De bewoners die opeengepropt in veel te kleine ruimtes woonden, leden niet alleen onder armoede, maar ook onder werkloosheid en ziekte. Hermans trok voorzichtig een vergelijking tussen de stinkende behuizingen met hun afgebladderde pleisterwerk en de "proletariërslijven, een en al wond, slechts ten deele door een vuil-groezelig hemd bedekt". Hahn, een begenadigd politiek tekenaar, worstelde met het onderwerp. Op de meeste prenten die hij maakte voor het boekje 'Krotten en sloppen' ontbraken mensen. De perspectieven die hij koos waren bovendien behoorlijk ruim voor wie de werkelijke omstandigheden kende. Van de door Hermans beschreven stank, vocht en duisternis was maar weinig terug te zien.

In het buitenland waren de abominabele woonomstandigheden van de armen al wel eerder met een camera vastgelegd. De Amerikaanse journalist Jacob Riis (1849-1914) had als Deense immigrant in zijn eerste jaren in de Nieuwe Wereld van weinig rond moeten komen. Nadat hij zich omhoog had weten te werken tot journalist vergat hij de onderkant niet. Sterker: hij zag er een onderwerp in. Riis trok in zijn eentje door de sloppenwijken van New York. Hij schreef op wat hij zag en fotografeerde bovendien. Doordat hij als een van de eersten flitslicht gebruikte, kon hij ook doordringen tot de donkerste hoeken van de armenbuurten: nauwe steegjes, overbevolkte kamers en kleine kinderen slapend tegen elke muur die ze maar konden vinden.

Het verworven materiaal diende als basis voor artikelen en lezingen, en voor zijn boek 'How the other half lives'. Dat was zo'n succes dat een tweede boek volgde: 'Children of the poor'. Riis' werk viel niet bij iedereen in goede aarde. Critici verweten hem sensatiezucht. De journalist zou overdrijven. Sommige kerken wilden hem liever niet als spreker; hij zou mensen immers voor het hoofd kunnen stoten of - nog erger - geldschieters kunnen beledigen.

Maar bij velen wist Riis toch de ogen te openen. Uiteindelijk droegen zijn publicaties bij aan de eerste verbeteringen van de woonomstandigheden in de New Yorkse sloppen. De journalist schroomde ook niet zich activistisch op te stellen. En hij maakte machtige vrienden. De prominentste was de politiecommissaris Theodore Roosevelt, niet veel later de president van Amerika.

In het Oost-Groningse land van rond de aanvang van de Eerste Wereldoorlog was Tonnis Post in wezen niet meer dan de anonieme medewerker van dokter Bloemers Middendorp. Maar zijn indringende foto's verdienen meer eer. Ze werden gemaakt onder moeilijke omstandigheden. Tweederde van de woningen lag aan onverharde wegen. De fotograaf moest het vertrouwen winnen van de bewoners. Veel van de huizen waren zo klein dat hij moeizaam voldoende afstand tot zijn onderwerp kon nemen. Magnesium moest zorgen voor wat extra licht. Niet zonder risico in benauwde onderkomens als deze.

Inmiddels is er erkenning voor Posts werk. De provincie Groningen looft elke twee jaar 8500 euro uit voor documentaire fotografie over de geschiedenis van deze regio: de Post Middendorp Opdracht. De foto's van de Winschotense middenstander maken deel uit van de collectie van het Openluchtmuseum, dat naast de schilderachtige facetten van de Nederlandse geschiedenis ook oog heeft voor de sociale keerzijde.

De openlijke aanklacht van Bloemers Middendorp en Post had destijds trouwens maar weinig effect. Terwijl ze al in 1901 bij wet verboden waren, duurde het nog tot ver na de Tweede Wereldoorlog voordat de laatste plaggenhutten uit Noord-Nederland waren verdwenen.

s l u i t e r t i j d

v a n d a g u e r r e o t y p i e n a a r f o t o g r a f i e

1 9 1 3

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden