Barok in Beetsterzwaag

Er zou een geschiedenis geschreven kunnen worden van alle clubs en clubgebouwen in Nederland, waarin sinds de Tweede Wereldoorlog meningen werden gevormd. Er zijn gebouwen die helemaal gesleten zijn van alle diepe gedachten en heftige discussies die er in de afgelopen decennia zijn gevoerd. Ik denk aan het Woodbrookershuis in Barchem, aan Woudschoten, aan de Volkshogeschool in Bergen. Die gebouwen hadden met elkaar gemeen, dat je in strenge onthouding sliep. Er waren zalen met stapelbedden, waarin de te harde matrassen deden verlangen naar alweer een goede discussie de volgende ochtend.

Bij de discussies in die ascetische vormingscentra waren gestudeerde types van allerlei slag betrokken maar bij mijn weten bijna nooit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Die waren druk bezig met geld verdienen en hielden hooguit beroepspraatjes tijdens een Rotarylunch. Tussen opiniërend en producerend Nederland gaapte een diepe kloof.

Tegenwoordig is dat alles heel anders. Met grote beslistheid heeft het bedrijfsleven zich meester gemaakt van de organisatie van de opinievorming. Dat betekent in de eerste plaats, dat de behuizing voor het goede gesprek en het belangwekkende referaat een heel andere is geworden. Wie nu de lobby van een veelsterrige horecaonderneming betreedt, wordt daar onmiddellijk geconfronteerd met een soort aanprikbord waarop allerlei praatgroepen met bijpassende voordrachten staan vermeld. Professoren en andere soorten sprekers die vroeger de vormingscentra bevolkten treden nu, onder veel betere condities, op voor bedrijven en instellingen. Daarnaast is er een leger van consultants en adviseurs gekomen, die allemaal menen wat te vertellen te hebben, tot en met Pim Fortuyn en Emile Ratelband. 'Workshop Inspirerend Vergaderen Zaal 3', 'Globalisering Zaal 5', 'Postmodernisme en ondernemingsgeest Zaal 6', 'Leiding geven aan Uw toekomst in de Grote Zaal', 'Rollenspel Zaal 7', 'Effectief omgaan met emoties Zaal 8', 'Mind mapping voor oudere directeuren Zaal 2'. Wie naar één van de lezingen gaat krijgt eerst van een stralende hostess wat schriftelijke informatie in de hand geduwd. Kom je de zaal in, dan zie je meteen een overheadprojector. Dit vreemde voorwerp is het altaar van de moderne communicatierituelen geworden. Er worden sheets mee geprojecteerd en op die sheets staan korte zinnen of steekwoorden. Vaak lijken ze op titels van hoofdstukken van een boek. Niet zelden blijkt het een titel zonder hoofdstuk te zijn, een bewering die hoogstens een beetje uitgelegd wordt maar zeker niet kritisch wordt getoetst.

Het spreekt vanzelf, dat de meningen die werden gevormd in ascetische vormingscentra naar aard en inhoud grote verschillen vertonen met de opinies, die worden gegenereerd in vijfsterrenhotels. Vroeger ging het onder leiding van mensen als P. J. Bouman en C. A. van Peursen om overdenking van maatschappelijke en levensbeschouwelijke vragen. De bedoeling was dat je je daarmee ontwikkelde tot een zekere intellectuele onafhankelijkheid, die tot uitdrukking kwam in een eigen mening. Nu gaat het vooral om het verwerven van operationele inzichten, waarbij het van belang is, dat iedereen min of meer dezelfde taal spreekt of gaat spreken. Het nadeel van de oude situatie was, dat wereldvreemde wijsneuzen vertelden hoe de maatschappelijke werkelijkheid georganiseerd moest worden. Maar zoals het nu is, verwarren vertegenwoordigers van de sheetcultuur het projecteren van slogans met serieus analytisch nadenken.

Hoe heeft het zover heeft kunnen komen, dat ondernemers zich presenteren als mensen die vooral het goede willen?

Ergens in één van die zelfvoldane zalen moet het zijn gebeurd. Iemand heeft daar met lichtende sheets gesproken over 'het verantwoordelijke bedrijfsleven'. Er waren wat journalisten bij van die hardglanzende tijdschriften voor managers. Er werd over geschreven, er werd over gepraat en zo kwam een nieuw en prachtig onderwerp tot stand, dat nu al twee jaar stand houdt.

Het verhaal op de sheet gaat aldus. De overheid treedt terug. Er ontstaat een leegte. Het ontheemde individu richt zich in wanhoop tot de enig overgebleven machtigen deze aarde: de ondernemers. “Ondernemers pas op onze zaak” zo smeken zij “de overheid heeft ons in de steek gelaten”. De ondernemer neemt deze noodkreet ter harte. Alle normen en waarden, die in hem sluimerden - en dat zijn er niet weinige - al die normen en waarden worden geactiveerd. Van Nigeria tot de Waddenzee strekt zich zijn nieuwe weldadige verantwoordelijkheidsgevoel uit. Zo heb ik het horen vertellen door een vooraanstaande Nederlandse ondernemer met stralende sheets en met dezelfde eufore gevoelens, die grote delen van de Amerikaanse samenleving zo onuitstaanbaar hypocriet hebben gemaakt.

Gelukkig is er ook Hollandse nuchterheid. Onlangs heeft James Leyer in een uitvoerig artikel in de Nijenrode Management Review en in een interview met drie vooraanstaande Nederlandse ondernemers gedegen aandacht besteed aan dit zogenaamd ethische gedrag van ondernemingen. Dan blijkt, dat er niet zozeer sprake is van een ethisch reveil, maar van welbegrepen eigenbelang. Het management kan “geconfronteerd worden met publieke eisen en wensen inzake produkten, produktontwikkeling, exportbeleid, onwelgevallige regimes, vervuiling, kinderarbeid en genetische manipulatie. Via acties variërend van ludiek tot militant.” Niks reveil, de ethiek wordt afgedwongen. Het zijn gedragscodes uit baatzucht.

Het probleem met de ethische pretenties van sommige ondernemingen is, dat zij de aandacht afleiden van een ander veel belangrijker cultuurhistorisch fenomeen. Zoals zo vaak ontneemt het bobologisch debat het zicht op wat er werkelijk aan de hand is. Dat is de spectaculair toegenomen macht van de consument, die nu kennelijk in staat is om naleven van normen en waarden af te dwingen op straffe van verlies van marktaandeel van de betreffende ondernemingen. Na de emancipatie van het individu in de Renaissance van de 15e eeuw zijn we aan het einde van het tweede millennium gekomen tot de mondigheid van de consument - een nieuwe wedergeboorte van het individu.

Hoe bijzonder deze renaissance van het fin de siècle is, blijkt wanneer je het beroemde boek The hidden persuaders. An introduction to the techniques of man - persuasion through the unconscious van Vance Packard uit 1957 nog eens ter hand neemt. Packard achtte het vanzelfsprekend dat de enig mogelijke manipulatoren het bedrijfsleven en de politiek zouden zijn. Tegenover hun geraffineerde methoden is het individu machteloos. Hooguit kunnen wij trachten de privacy in onze geest te beschermen. Maar dankzij de motivation researchers zullen wij toch onvermijdelijk kiezen voor het wasmiddel of de politieke partij met de beste publiciteit. Het individu zal in toenemende mate onmachtig zijn om zijn keuze in vrijheid te bepalen uitgaande van zijn reële eigenbelang.

Het is opmerkelijk, dat James Leyer in ondernemersland menig manager tegenkomt, die nog steeds uitgaat van de wereld die Vance Packard beschrijft. Het moet mogelijk zijn om de klant door manipulatie eronder te houden. “Zo werd in managementkringen wel gehoopt en betoogd dat kritiek op ondernemingen weggecommuniceerd en weggemasseerd zou kunnen worden. Men dacht te kunnen volstaan met public relations. Langzaam werd echter duidelijk dat communicatie alleen niet genoeg was om het doen en laten van een onderneming te legitimeren.”

De vraag blijft: waarom? Wat is er in de consument gevaren, waar haalde hij die nieuwe mondigheid vandaan? Daarvoor zijn meerdere redenen te bedenken. Eén ervan is ongetwijfeld, dat hij verzadigd raakte door al die t.v. reclame. Hij werd het zat. Er is ook nog iets anders.

Net als in de vijtiende eeuwse Renaissance heeft publieke mondigheid veel te maken met de oprichting en de werking van prestigieuze verenigingen. In de vijftiende eeuw heten ze broederschappen, tegenwoordig noemen we ze non-gouvernementele organisaties, afgekort NGO's. Kritische burgers worden lid van Amnesty International, Greenpeace, Pax Christi of Milieudefensie. Die organisaties hebben in de afgelopen jaren steun gekregen, waardoor zelfs een oude, eerbiedwaardige organisatie als de Vereniging Natuurmonumenten in actie is gekomen, zoals de publiciteit rond het referendum over IJburg duidelijk maakte.

Waarom is het maatschappelijke en politieke effect van die NGO's zo enorm toegenomen? Dat heeft nauwelijks te maken met een terugtredende overheid, maar veeleer met andere factoren, waarvan ik de rol van de media nader wil bespreken.

Kunsthistorische kennis, die voorheen slechts voor weinigen was weggelegd, is terechtgekomen bij taxichauffeurs, obers, beveiligingsambtenaren, zaalwachters, uitsmijters en kioskhouders. Naar één kunsthistorisch programmaatje op de televisie kijken vaak meer mensen dan naar de best bezochte tentoonstelling. Met de kijkers van tien minuten kunst kan je vier voetbalstadions vullen.

Over alle hete maatschappelijke hangijzers krijgt iedereen informatie. Al zappend flitsen de deskundigen voorbij. Dat kastje is het ware theater van de meningsvorming. Degene, die in staat is het meest vanzelfsprekend, het meest natuurlijk zijn inzicht of mening over te dragen, heeft het meeste succes. NGO's hebben geleerd van de media gebruik te maken. Wie dat niet kan, telt binnen de kortste keren niet meer mee. Ik weet dat ik een open deur intrap, maar voor mijzelf is deze mogelijkheid van kennisoverdracht en beïnvloeding nog steeds een verbijsterende ervaring. De nieuwe mondigheid van de klant is voor een groot deel gecreëerd door dezelfde media, die in het boek van Packard alleen maar figureren als instrumenten tot manipulatie.

Door de media, vooral de televisie, is een mechanisme op tilt geslagen, dat in de sociale wetenschappen wordt aangeduid als 'gezonken cultuurgoed'. Kunsthistorici hebben voortdurend met dit fenomeen te maken. Na dertig jaar komt een schilderij van Mondriaan, dat maar door heel weinigen werd gewaardeerd, als patroon terecht op een plastic douchegordijn in een warenhuis waar het grif van de hand gaat.

Barok in Beetsterzwaag komt jaren na Barok in Rome en ziet er ook anders uit. Zinkende cultuurgoederen zijn niet alleen spullen. Het kunnen ook ideeën, inzichten en meningen zijn. Die kunnen ook dalen en volgens sommigen ook stijgen. Vooral in Nederland waren er sociologen, die het fenomeen 'gezonken cultuurgoed' verafschuwden, omdat het een maatschappelijke werkelijkheid impliceerde met sterke, relatief gesloten, makkelijk te definiëren elites. Daar hielden die sociologen niet van. Maar of sociologen ervan hielden of niet, wij leefden in zo'n maatschappelijke werkelijkheid.

Die werkelijkheid bestaat niet meer en dat komt voor een groot deel door de televisie. De oude sociale elites zijn erdoor vernietigd. Wie het best communiceert komt het verst. Nog voordat een elite zich rond een cultuurgoed heeft gegroepeerd en er inhoudelijk over is doorgedacht is het al gezonken.

Het nieuwste boek van Andreas Burnier De wereld is van glas kan gelezen worden als een langdurig volgehouden uitbarsting van woede jegens de hedendaagse cultuur, waarin geen elites meer zijn. Banale geesten maken zich onmiddellijk meester van alles wat zich voordoet. Daarom zoekt Burnier haar toevlucht bij een rabbi, die vanaf zijn “vijfde of hooguit zesde jaar Tenach leest, vanaf zijn achtste Misjaa, vanaf zijn tiende Talmoed, vanaf zijn vijftiende Kabbala alle overige halachische, verhalende, ethische, filosofische, historische, wetenschappelijke, potische en mystieke middeleeuwse en renaissance-geschriften die het rabbinale jodendom rijk is”. U ziet, er komt heel wat bij kijken, wanneer je je heden ten dage aan de tijdgeest wilt onttrekken en nog iets van elite wilt ervaren, anders dan van de elite waarvan de contouren worden gedefinieerd door het slijk der aarde. Het kan bijna niet anders of de kletskoek over het ethisch reveil van ondernemers heeft óók succes, omdat de entrepreneur daarmee weer even dat oude elite-gevoel te pakken wil krijgen. Ik wind me op over dat pseudo-reveil, omdat het het nadenken over een samenleving, waarin de klant meer koning is dan hij ooit mocht worden, overbodig maakt. Eventjes kan de baas nog denken: we hebben de touwtjes nog steeds in handen, omdat we naar normen en waarden leven. Maar goed gedrag heeft zelden of nooit met vrije wil te maken. Ook niet in dit geval. Het wordt afgedwongen door de mondige consument.

Het cultuurgoed zakt te diep. Wat van het oorspronkelijke ideeëngoed overblijft is vaak alleen nog maar geschikt voor ordinaire demagogie. Je kunt je voorstellen, dat Burnier haar toevlucht zoekt bij een exclusieve rabbi om aan simplificatie te ontkomen. Maar de overheid en het bedrijfsleven kunnen niet anders dan het banale serieus nemen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden