Bankierseed: holle belofte

Van een taxichauffeur op Bonaire leerde Hans Achterhuis dat het geen zin heeft eerlijk gedrag af te dwingen, als mensen daar zelf niet in geloven. Vandaar zijn scepsis over de onlangs ingevoerde eed voor bankiers.

Hans Achterhuis (1942), filosoof, was Denker des Vaderlands. Hij publiceerde diverse boeken over filosofie en maatschappelijke thema's. Hij schijft regelmatig voor dit katern.

Zweren, dat moeten we niet lichtvaardig doen. Want wie een eed zweert zonder zich daaraan te houden, overtreedt niet zomaar een regel, hij schendt een belofte en haalt die omlaag. In dat opzicht lijkt het breken van zo'n belofte op vloeken. Als het gaat over het invoeren van een eed, bijvoorbeeld voor bankiers, moet ik dan ook regelmatig denken aan het derde gebod: Gij zult de naam van de Eeuwige, uw God, niet ijdel gebruiken.

In het Hebreeuws kan en mag de naam van God niet worden uitgesproken. De naam van God is een vierlettercode, het Tetragram dat wel gelezen, maar niet uitgesproken kan worden; de klinkers mag de lezer niet invullen. De Franse rabbijn en filosoof M.A. Ouaknin interpreteert het Tetragram als 'stilte'. Mensen mogen de naam van God niet lichtzinnig gebruiken - liever helemaal niet. Dan kunnen ze Hem ook niet lichtvaardig voor hun karretje spannen. Omdat God heilig is, dienen mensen uiterst terughoudend te zijn om hem in hun besognes te betrekken.

Dat geldt ook bij het doen van beloftes. Zónder kunnen we niet, zoals Hannah Arendt betoogt in 'De menselijke conditie'. Beloften zijn een tweede geboorte, van mensen als sociale wezens. Maar in het samenspel met anderen, met andere opvattingen en ideeën, is een misverstand zó geboren en maken we allemaal vuile handen. Om die onzekerheid het hoofd te bieden, werd de macht van de belofte ontdekt, met de naam van de godheid als extra garantie. Enerzijds leg ik mijzelf tegenover anderen vast: ze mogen erop vertrouwen dat ik in de toekomst zal doen wat ik vandaag zeg. Anderzijds wekt de belofte een onderlinge vertrouwen dat de hele gemeenschap energie geeft: eendracht maakt macht.

In een moderne cultuur blijven half uitgesproken beloften en geloften van groot belang, ook al zijn veel afspraken schriftelijk vastgelegd. In een traditionele, grotendeels orale cultuur is dit nog sterker het geval. Dat heb ik tijdens reizen buiten Europa meermaals ervaren.

In 1998 gaf ik les aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen op Curaçao. Tijdens een weekend maakten mijn vrouw en ik een uitstapje naar Bonaire. We huurden een auto en verkenden het eiland. Toen we 's avonds de auto op het vliegveld terugbrachten, bleek de prijs ongeveer verdubbeld. Ik protesteerde hevig: afspraak is afspraak. De verhuurder legde uit dat de situatie veranderd was. Hij had die dag weinig huurders gehad, waardoor hij zijn verwachte inkomsten niet had gehaald. Toen ik hem boos op het ondertekende huurcontract wees, pakte hij dit beet en scheurde het in stukken. "Dat was vanmorgen, nu is het avond." Pas toen ik voet bij stuk hield en met de politie dreigde, gaf hij toe. Net op tijd haalden wij ons vliegtuig.

Mijn studenten in Curaçao, aan wie ik dit voorval vertelde, reageerden minder verontwaardigd dan ik had verwacht. Natuurlijk had de verhuurder geprobeerd mij op te lichten, maar zijn redenering paste naadloos in de colleges die ik juist had gegeven over het verschil tussen orale en gealfabetiseerde culturen. In orale culturen bestaan geen zichtbare contracten waar men op kan terugvallen: alleen via een mondelinge belofte kan men vertrouwen op een toekomstige daad. Zo'n belofte is uiterst kwetsbaar. Hoe kon ik zonder het ondertekende contract bewijzen dat de autoverhuurder en ik een bepaalde prijs hadden afgesproken? Het valt goed te begrijpen dat in zo'n situatie het beroep op een godheid, die je zal straffen als je je belofte niet houdt, soelaas biedt.

Hoe vertrouwen in een samenleving kan groeien en verdwijnen, is nauwkeurig beschreven in Francis Fukuyama's klassieke studie 'Trust'. Op grond van gedetailleerd

onderzoek maakt hij onderscheid tussen high-trust societies en low-trust societies. Tot de eerste rekent hij Japan, Duitsland en de Verenigde Staten, tot de laatste Frankrijk, China en (vooral Zuid-)Italië. Fukuyama concludeert dat vertrouwensrelaties veelal op culturele tradities voortbouwen. In Duitsland en Japan zijn ze nog afkomstig uit de feodaliteit, in de Verenigde Staten hebben ze veel te maken met de religieus geïnspireerde activiteiten van Amerikanen: vertrouwen breidt zich hier vaak moeiteloos uit tot buiten de eigen groep.

Dat was veel minder het geval in China en Italië, waar de familie loyaliteit verdient, terwijl de wereld daarbuiten gewantrouwd werd. In Frankrijk had vooral de eeuwenlange sterke centralisering een vernietigend effect op veel sociale verbanden waarin vertrouwen aangeleerd kon worden.

'Vertrouwen komt te voet', zoals het gezegde luidt. Het moet langzaam groeien. Maar het vertrekt 'te paard' en komt daarna ook niet zomaar terug. Politici kunnen daaruit de volgende les trekken: wie denkt met een bankiersleus het maatschappelijk vertrouwen simpel te kunnen herstellen, kan van een koude kermis thuiskomen.

Fukuyama moet zelf zijn verrast door de uitkomsten van zijn onderzoek. Als voorstander van de liberale democratie had hij altijd geloofd dat individuen hun behoefte aan onderlinge erkenning kunnen bevredigen via een stilzwijgend aanvaard contract om elkaars rechten te eerbiedigen. Volgens de filosofische theorie die op denkers als Locke en Rousseau teruggaat, zou er niet meer nodig zijn om een moderne maatschappij goed te laten functioneren - al heeft ook de moderne maatschappij een toezichthoudende overheid nodig die over het geweldsmonopolie beschikt.

Een informeel contract dat individuen uit eigenbelang met elkaar sluiten is dus niet genoeg, ontdekte Fukuyama. Dat leidt onvermijdelijk tot een vertrouwenscrisis op vele terreinen. De taxichauffeur op Bonaire voelde zich niet door enig informeel contract gedwongen een eerlijke prijs te vragen voor de rit. Hij begreep eenvoudigweg niet wat ik bedoelde.

In Nederland spelen vergelijkbare problemen. Het is misschien tekenend dat het Derde Gebod, gericht op een belofte met een beroep op God, in Nederland vooral associaties oproept met acties van de Bond tegen het Vloeken. De leus 'Spreek vrijmoedig over God, maar misbruik nooit zijn naam' hing vroeger vaak bij de stationsreclames. Tegenwoordig zie ik die leus nog sporadisch op een bord in een weiland van een vrome boer. Ik betwijfel of hij veel effect had en heeft.

Zelf zie ik massale overtredingen van dit gebod, maar dan doel ik niet op vloekende landgenoten. Ik heb het over bankiers en bankmedewerkers die sinds 1 april 2015 allemaal de zogeheten bankierseed moeten zweren. Zo'n 90.000 bankemployees zijn hierbij betrokken. De Rabobank organiseerde één grote gebeurtenis waarbij maar liefst 36.500 medewerkers op hetzelfde moment de bankierseed aflegden.

Vanwaar mijn scepsis over deze ontwikkeling? Is de eed niet een fantastisch instrument om het danig geschokte vertrouwen in de financiële sector te herstellen? Zal een bankier die 'Zo waarlijk helpe mij God Almachtig' als plechtige slotformule in de mond neemt, zich niet geroepen voelen om klanten en samenleving oprecht zo goed mogelijk te dienen? Minister Dijsselbloem was getroffen door de ernst waarmee de eed, vaak tijdens bijeenkomsten in kerken, werd afgelegd. "Mensen krijgen er tranen van in de ogen. Zo symbolisch belangrijk kan een eed zijn."

Maar zoals Fukuyama uitlegt, kan de moderniteit niet zonder de culturele waarden uit de traditie. Alleen in historisch gegroeide netwerken kan vertrouwen tussen mensen ontstaan. In de Verenigde Staten gebeurde dat, zoals ik al aanduidde, vooral vanuit de kerkelijke verbanden. Ondanks de enorme afstanden bleken mensen elkaar zodanig te vertrouwen dat ook afspraken met partners die men niet had gezien en misschien zelfs nooit zou zien, gerespecteerd werden. Een extra openlijk beroep op een goddelijke sanctie via een eed bleek hierbij nauwelijks nodig te zijn.

De moderne maatschappij heeft dit traditionele maatschappelijke vertrouwen deels afgebroken. Waar het ontbreekt, helpen dure eden niet meer. De overheid kan via regels proberen af te dwingen dat mensen hun onderlinge afspraken nakomen. Maar als ze van bovenaf een eed oplegt en het nakomen daarvan bureaucratisch wil controleren, wordt het paard achter de wagen gespannen. Zou het mij geholpen hebben wanneer de autoverhuurders op de Antillen een eed hadden moeten zweren om hun klanten rechtvaardig te behandelen, zoals nu van bankiers wordt gevraagd? Vast niet. Zowel daar als hier moet vertrouwen langzaam van onderaf worden opgebouwd in plaats van met afgedwongen eden van bovenaf opgelegd. Anders ontbreekt de kracht die aan een eed werd toegeschreven.

Dat geldt zeker voor de moderne bankensector. De behoedzame, betrouwbare en degelijke bankier uit een nog recent verleden, heeft hier plaatsgemaakt voor de snelle financiële deskundige, die graag risico's neemt die op anderen afgewenteld kunnen worden, zoals Jeroen Smit in 'De Prooi' schrijft over de geschiedenis van ABN Amro.

Daar komt bij dat de bankierseed zo algemeen gesteld is, dat iedereen er zijn eigen vrije interpretatie van kan geven. Met de eerste inhoudelijke uitspraak kun je letterlijk alle kanten op: 'Ik zweer/beloof dat ik een zorgvuldige afweging zal maken tussen alle belangen die bij de onderneming betrokken zijn, te weten die van de klanten, de aandeelhouders, de werknemers en de samenleving waarin de onderneming opereert.' Hoe moeten die belangen onderling worden afgewogen?

En wat te denken van de laatste zin: 'Ik zweer/beloof dat ik mij zal inspannen om het vertrouwen in de financiële sector te behouden en te bevorderen.' Het is pijnlijk te constateren dat dit vertrouwen precies na de invoering van de eed op een dieptepunt is beland, doordat de top in de bankenwereld zichzelf salarisverhogingen en bonussen bleef toebedelen.

Bij de eed die artsen moeten afleggen, gaat het om concrete zaken die aan een duidelijke toetsing kunnen worden onderworpen. Dat is bij de bankierseed onmogelijk, daarvoor is de tekst te abstract en te algemeen. Bij de gezondheid van patiënten kan ik mij iets voorstellen, maar bij de financiële gezondheid van de samenleving (volgens Rob Langezaal, directielid van SNS Bank, een kernpassage in de eed) helemaal niets. Economen twisten voortdurend over dit thema en het lijkt mij ronduit blasfemisch om God hier ook nog bij aan te roepen.

Tijdens de Friese Nacht van de Filosofie 2015 zei Joris Luyendijk, die het morele gedrag van bankiers uitgebreid onderzocht, over de bankierseed: 'Dat is zoiets als tegen kinderen zeggen: pappa en mamma gaan zo de kamer uit, beloven jullie niets uit de snoepkast te pakken? Zo naïef. Je moet de kast op slot draaien. Of het snoep eruit halen.'

Luyendijk had gelijk. Wanneer je kinderen laat beloven dat ze alleen maar snoepjes zullen pakken waarvan ze denken dat die gezond zijn of dat anderen die misschien toch niet lusten, leidt dat tot eindeloos gesteggel over interpretaties. Dat zal zeker bij de bankierseed gebeuren.

Dit is een bewerkt hoofdstuk uit 'Erfenis zonder testament. Filosofische overwegingen bij de tien geboden' door Hans Achterhuis en Maarten van Buuren, dat dinsdag verschijnt. Lemniscaat, 240 blz, euro 19,95. Zie voor auteursoptredens Lemniscaat.nl

Waar vertrouwen ontbreekt, helpen dure eden niet meer

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden