Bange architecten maken van de ruine pas echt een gruwelpakket

Precies zestig jaar geleden, in de avond van de 27ste februari 1933, brandde het interieur van de Rijksdag in Berlijn volledig uit. Voor Hitler aanleiding om zijn politieke tegenstanders definitief uit te schakelen. De Rijksdag bleef leeg tijdens de nazi-jaren, maar het misverstand een duister symbool te zijn raakte hij niet kwijt. Aan de lijdensweg van het weinig geliefde, middelmatige gebouw komt geen einde. Er zijn nieuwe plannen.

WIM BOEVINK

En de Muur natuurlijk. Die liep een paar meter achter die eenzame kolos van steen. En ooit - zo bedacht Albert Speer - had hier Hitlers Germania-hal moeten verrijzen. Weg zijn de paleizen, de opera aan de overkant van de Konigsplatz. Maar de stenen kolos - de Rijksdag - staat er nog steeds, in een niemandsland van de wereldgeschiedenis.

Zijn voorname hoofdingang met de zuilen die de tekst 'Dem Deutschen Volke' schragen, ziet uit op een leeg, winderig plantsoen: de Platz der Republik. Het kost moeite zich voor te stellen dat binnen enkele jaren in dit ontzielde landschap opnieuw het hart van Duitsland zal kloppen. En toch is zo beschikt.

Op tekentafels en in witte maquettes ligt het regeringscentrum van de 21ste eeuw, en - o wonder - het oude lijk van de Rijksdag is weer opgelapt. In sommige voorstellingen zijn de oude muren volgepropt met high-tech en afgedekt met een reusachtig baldakijn, in andere torst het gebouw een eigentijds koepel-skelet, in weer andere gaapt in het hart van de Rijksdag een atrium met planten.

Hoofdschuddend schrijft de criticus van de Frankfurter Allgemeine: "De spitse vingers, waarmee de architecten de ruine omzichtig aanpakken en binnenste buiten keren, maken de Rijksdag pas echt tot een gruwelpakket."

Rust er een vloek op het bouwsel aan de rand van de Tiergarten of maakt het spectrum van de nazi-jaren een onbelemmerde blik op de Rijksdag onmogelijk? De criticus leest de buitenlandse architecten de les: "Ze geloven klaarblijkelijk dat de keizer in de Rijksdag de macht aan de nazi's heeft overgedragen en dat daarom het gebouw als symbool van anti-democratische heerserszucht verdoemd moet worden."

De Rijksdag herbergde tussen 1894 (toen hij na een voorbereidingstijd van ruim twintig jaar werd ingewijd) en 1933 het parlement van Duitsland. Omstreden was het bouwwerk vanaf het begin en als voorwerp van Duitse nationale trots heeft de schepping van architect Paul Wallot nooit willen

gen. In 1898, vier jaar na de opening, dichtte Frank Wedekind:

Ich habe im Lauf des Jahrhunderts gesehen

Viele Parlamentshauser entstehen.

Wie kommt es, dass das deutsche an der Kuppel Statt

Einen Bonbonnieren-Deckel hat?

Keizer Wilhelm II die toch al weinig met parlementen op had, noemde de Rijksdag 'het toppunt van smakeloosheid'. Hij liet zich er maar een keer (in 1906) zien. Des te ironischer is het dat tegenwoordig het bouwwerk als 'typisch wilhelminisch' wordt afgedaan. Wilhelminisch is de door mateloosheid gekenmerkte bouwkunst die met feilloze precisie het verkeerde gebouw op de meest onmogelijke plaats laat ontstaan.

In Wallots Rijksdag schuiven de bouwstijlen over elkaar heen, geen facade is dezelfde, de koepel eerder ingenieurskunst dan architectuur: het lijkt wel of de beslissing over hoe het gebouw eruit moet zien nooit is genomen. Dat gebrek aan consensus was evenwel precies de uitdrukking van het Duitse parlementarisme van die dagen, een land krijgt de architectuur die het verdient. Wallot treft geen blaam. De jonge Duitse staat had geen nationale vormentaal waarvan hij zich had kunnen bedienen.

Van de start in 1894 tot het eind in 1933 stond de Rijksdag onder ongelukkig gesternte. Behalve tijdens een korte periode in de Eerste Wereldoorlog toen de Rijksdag in de gunst van het volk wist te stijgen en zich daar een beginnend verzet tegen de keizer articuleerde, bleef de kolos het mikpunt van kritiek en spot.

In 1929 stelde architect Bruno Taut voor de hele Rijksdag met een muur aan het zicht te onttrekken. In dat jaar was de NSDAP het parlement binnengetrokken en was de zaal regelmatig het schouwtoneel van tumultueuze debatten tussen nazi's en communisten. De definitieve machtsgreep moest nog komen: op 18 december 1932 vond in de Rijksdag de laatste parlementszitting plaats. Hitler werd op 30 januari 1933 rijkskanselier. Nog geen maand later, in de avond van de 27ste februari 1933, stond het gebouw in lichterlaaie.

Joseph Goebbels, Hitlers propagandachef, noteerde de volgende dag in zijn - in Moskou teruggevonden - dagboek: 'Thuis gewerkt. Veel te doen. Om negen uur komen Hitler en Auwi (de zoon van keizer Wilhelm II, August-Wilhelm). Muziek en gepraat. Dan belt Hanfstaengl (Hitlers fotograaf): de Rijksdag brandt; te mooi om waar te zijn. Maar het klopt. Meteen met Hitler ernaartoe geraast, het hele gebouw staat in lichterlaaie. Naar binnen. (Generaalveldmaarschalk Hermann) Goering achter ons aan. Ook (vice-kanselier Franz von) Papen die ik hier leer kennen, is er. Op dertig plaatsen brand gesticht. Door communisten gedaan. Goering dirigeert, Hitler is in alle staten. De zittingszaal is totaal verwoest.... De dader gepakt: een 24jarige Hollandse communist."

Die avond stierf de Rijksdag. En met hem het Duitse parlement. Hitler greep de brand aan (de strijd of Marinus van der Lubbe een werktuig was van de nazi's duurt tot op heden voort) om via een noodverordening de wet buiten werking te stellen en door het hele land communisten op te laten pakken. De Rijksdag was ten onrechte tot symbool van het kwaad uitgegroeid. Marinus van der Lubbe had brandstichtend het verkeerde doelwit gekozen, hij had in de voorafgaande dagen ook al gepoogd het Berlijnse stadhuis en de keizerlijk slot aan te steken.

De Rijksdag bleef leeg, al was al in het voorjaar van '33 voor de onwetende voorbijganger aan de buitenkant van het gebouw geen enkel brandspoor meer zichtbaar. Een enkele keer gebruikten de nazi's het gebouw als bioscoop: van 12 november '38 tot 14 januari '39 kon men er de film 'Der Ewige Jude' zien. In '41 werd op de hoektorens luchtafweergeschut genstalleerd.

Maar twaalf jaar leegstand konden niet verhinderen dat ook de Sowjets in de Rijksdag het hoofdkwartier van de nazi-terreur zagen. Meer dan een miljoen granaattreffers moest het gebouw in de laatste dagen van de oorlog verdragen, alsof met de vernietiging van de Rijksdag het nazispook pas echt verdreven zou zijn.

"Gebouwen zijn niet verantwoordelijk voor wat hen wordt aangedaan," zegt Michael Cullen. "Is de kathedraal van Canterbury soms verantwoordelijk voor de moord op Becket? En wat heeft het Ballhaus in Wenen niet voor afschuwelijks moeten aanzien?" Cullen is Amerikaans publicist. Hij woont ruim 25 jaar in Berlijn en de Rijksdag heeft hem vanaf het begin gefascineerd. In '83 verscheen zijn boek: 'Der Reichstag, die Geschichte eines Monumentes' waarmee hij zijn naam als Rijksdag-specialist vestigde. Maar Cullen is ook manager voor de Bulgaarse kunstenaar Christo, die al decennia lang Duitse politici ervan poogt te overtuigen dat hij de wereld kan verrijken door het gebouw met zestigduizend vierkante meter zilvergrijze stof te overspannen.

Avantgarde van gisteren, ook dat is voor de Rijksdag nog goed genoeg. Men kan voor Wallots ongelukkige steenkolos eigenlijk alleen medelijden ondervinden. Het is een schijndood gebouw geworden dat na een misbruikt leven smacht naar zijn verlossing.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden