Balthasar Bekker: omstreden en vergeten

'Sien gaet vóór horen' was Bekkers devies. Daarmee was Balthasar Bekker (1634-1698) een van de eersten die op wetenschappelijke wijze het vraagstuk van het duivelgeloof aanpakten. Het volksgeloof in demonen, in hekserij en toverij als oorzaak van ziekten en rampen, was in Bekkers tijd alleen onder het gewone volk nog wijdverbreid. In zijn beroemde werk 'De Betoverde Weereld' rekende hij andermaal af met het geloof in spookverschijnselen, boze geesten, bezweringen en duivelse invloeden. Bekker beoordeelde dit alles op grond van zijn belangrijkste criterium, de menselijke rede. 'Duivelskunsten' die worden vertoond vormen géén bewijs voor het bestaan van demonen, maar zijn menselijke kunsten of krachten van de natuur, die de mens 'in 't duizendste nog niet verstaat'. Nog afgezien van alle gevallen van bedrog en inbeelding.

Vervolgens vergeleek hij het gevondene met wat de Schrift hem op dit punt leerde. Daarin kwam hij tot exegesen die 'aenlopen teghen de leer der Kercke'. Het maakte hem tot een van de meest omstreden theologen die Nederland heeft voorgebracht.

In eigen ogen bleef Bekkers een orthodox predikant. Maar al in het begin van zijn carrière veroorloofde hij zich interpretaties van bijbel en klassieke belijdenisgeschriften, die op grote weerstand stuitten bij de kerkelijke instanties. Zijn theologische opvattingen, zijn te vinden in 'De Vaste Spyse', een uitleg van de Heidelbergse Catechismus. Die omvatten 'nieuwigheden' die niet werden getolereerd.

Een zo'n nieuwigheid was de filosofie van Descartes. Diens filosofie had zo'n bekendheid gekregen onder theologen, dat classes en synoden in Friesland maatregelen namen tegen de verdere verbreiding van de cartesiaanse denkbeelden. Hoewel Bekker zich geen leerling van Descartes noemde, geeft hij in een verdedigingsgeschrift blijk van geestverwantschap.

In de (natuur)filosofie komt men door twijfel tot zekerheid, stelt Bekker. Het is mensenwerk dat steeds verbeterd kan worden. Ook door onderzoek en ervaring komt er steeds nieuws bij. In de natuur wordt veel gevonden waar men in vroeger tijden niet de minste kennis van had. ''s Menschen laatste peinsingen zijn de beste'.

Bekkers belangstelling voor allerlei feitelijke waarnemingen werd waarschijnlijk ook gevoed zijn door alles wat vooraanstaande tijdgenoten aan het licht brachten. Hij noemt ze niet met name, maar hun werk moet toch ook tot de theologenwereld zijn doorgedrongen: Newton, Christiaan Huygens, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam. In het jaar vóór Bekkers geboorte had Galilei het copernicaanse wereldbeeld afgezworen onder druk van de Inquisitie.

De Schrift leert geen natuurlijke dingen, maar openbaart wat met het verstand niet is te doorgronden, stelde Bekker. Theologen moeten dus niet proberen natuurverschijnselen (bv. astronomische) te 'bewijzen' met een beroep op de bijbel. Zij overvragen dan de Schrift. Zij kunnen - evenmin als de overheid - de natuurgeleerden niet de wet stellen. Omgekeerd kan men geen 'Saligheid leeren uit de Nature'.

Pas later zou blijken dat velen die van Descartes het beginsel van het vrije onderzoek hadden geleerd daarin steeds verder gingen. Die rationele wereldbeschouwing leidde tot grote intellectuele mondigheid en autonomie: historisch-kritisch bijbelonderzoek, een mechanistisch wereldbeeld, darwinisme.

Als reactie daarop ontstaat dan het fundamentalisme dat vasthoudt aan een volstrekt letterlijke interpretatie van de bijbel. De uitspraken die men erin aantreft zouden absolute geldigheid hebben voor de natuurwetenschappen. Een totale afwijzing dus van alle moderne denken. Dit zou leiden tot veel exegetisch knoeiwerk, bij pogingen om alle tegenstrijdigheden in de teksten rationeel te harmoniseren. In Bekkers tijd gaat dit al een rol spelen. Fundamentalisme 'avant la lettre'.

Vanwege Bekkers cartesiaanse nieuwigheden regent het al in het begijn van zijn loopbaan pamfletten tegen hem. Volgens Bekkers biograaf Van Sluis moet ook diens grillig karakter een rol hebben gespeeld. Zijn optreden is afwisselend verzoenend en polariserend door ontactvol optreden. Ondanks zijn promotie te Groningen en zijn grote theologische productiviteit, zit een professoraat in Franeker of elders er weldra niet meer in.

Angstvallig en pietluttig pluisden de ultra-orthodoxe broeders in classicale vergaderingen Bekkers werk na op vrijzinnigheden. Zo noemt Bekker in zijn 'Vaste Spyse' Jezus de zoon van Jozef. Zo op het oog geen onbijbelse uitdrukking. Maar de classis vreest blijkbaar dat het leerstuk van de maagdelijke geboorte in het nauw komt en eist als correctie: 'Jezus zijnde, zo men meende, de zoon van Jozef'. Bekker geeft geen krimp en stelt provocerend voor om Jozef dan maar de stiefvader van Jezus te noemen. Maar met dergelijke 'nieuwigheden' maakt hij het alleen maar erger; escalatie dus.

Na het verschijnen van zijn 'Betoverde Weereld' wordt Bekker besprongen door de theologen van zijn tijd: 'De Betoverde Bekker', die niet langer in hel of duivel gelooft! Hij wordt uitgedaagd om al die bijbelteksten te verklaren, die ogenschijnlijk wél steun geven aan de heersende opvattingen. De door boze geesten bezetenen in de evangeliën, de slang die Eva verleidde, de verzoeking van Jezus in de woestijn door de duivel, ga maar door.

Bekker probeert aan te tonen dat praktisch overal waar in teksten sprake is van geesten, verschijningen of engelen slechts in 'verbloemde zin' wordt gesproken. Letterlijke interpretaties leiden tot allerhande ongerijmdheden.

Gedetailleerd gaat hij alle plaatsen in de bijbel na waar van een duivel sprake is. Steevast is zijn conclusie: een geestelijke verklaring is de enig juiste. Die kan dus niet tot bewijs dienen van uiterlijke werkingen van de Satan. Zo ook in de vele evangelieverhalen waarin over boze geesten wordt gesproken. Het moeten inbeeldingen zijn van 'mensen die op een bijzondere wijze ziek zijn', van geesteszieken.

Jezus bedoelt op meerdere plaatsen in de Bergrede met de boze/het boze kennelijk een innerlijk kwaad; zelfs Petrus wordt later een satan genoemd. Maar dan kan hij daar niet elders zoals in het Onze Vader, iets anders buiten de mens, onder verstaan. De bede 'verlos ons van de boze' bewijst dit volgens Bekker. “Want God kan door het kwade niet bezocht worden. Want Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking. Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit zijn eigen boosheid en begeerte.” Als Paulus schrijft dat de duivel rondgaat als een briesende leeuw, dan bedoelt hij toch gewoon keizer Nero? Jezus' verzoeking in de woestijn interpreteert Bekker allegorisch. Het zijn innerlijke aanvechtingen welke hij had te doorstaan. Het meegevoerd worden door de duivel legt Bekker voorzichtig uit als het beleven van een visioen.

Bekker stelde de letterlijke interpretaties op ironische wijze aan de kaak: De duivel toont Jezus alle koninkrijken van de aarde; “Was de Aardkloot toen niet rond gelijk hij noch is? Hoe kon hij dan vertonen en dat in eenen ogenblik (gelijk Lukas schrijft) de koninkrijken die aan d'andere zijde van de Aardkloot waren? Of had de Duivel konstglazen, dergelijke nooit vernomen zijn, waarmede hij dat verre af en achter de rugge was, nabij en reght voor ogen brengen konde ?”

Volgens de remonstrantse theoloog H. J. Heering vinden reformatie en verlichting elkaar hierin: het boze is niet zozeer iets metafysisch maar iets menselijks, het valt samen met de zonde. De Verlichting legt wel het accent meer op de causaliteit van het kwaad in de wereld.

Bekkers 'ontmythologisering' gaat nog niet zo ver; hij houdt vast aan de duivel als oorsprong van alle kwaad. Maar die is gebonden in de hel, in afwachting van het laatste oordeel. De mens kan die macht dus niet rechtstreeks ervaren. Overigens heeft Bekker duidelijk moeite met de interpretatie van de 'zondeval' in Genesis 3: “Te denken dat de Duivel waarlijk door de slang gesproken of desulke redenvoering met de Vrouw gehouden heeft, schoon ik 't eertijds als een ander heb geloofd, so geloof ik 't nu niet meer”. Hij merkt op dat de duivel in het verhaal eigenlijk niet eens genoemd wordt.

Bekkers opvattingen doen merkwaardig modern aan. Maar de provinciale kerkvergaderingen en synodale commissies anno 1692 constateren slechts 'seer veel verdrayingen der Heilige Schriftuur'. Het verzet tegen hem groeit als zijn boeken een groot succes blijken te zijn. Overal bijval, internationaal zelfs. Ook natuurlijk bij ongelovigen, wat de situatie alleen maar verergert. Maar Bekker weigert te herroepen: “Ik kan het niet gebeteren; ik wag' er my selven aan; ik heb niets naders te seggen: de Broeders gelieven te besluyten het gene tot ruste van Gods Kerke strekken sal.” Bekker wordt afgezet: 'intolerabel als leraer ende van sijn predikantschap schandelijck geremoveert'.

Na zijn afzetting als predikant trekt Bekker zich terug in Friesland op een landgoed te Jelsum. Maar zelfs daar wachten hem nog teleurstellingen. Hij wordt geweerd van het Avondmaal; en als hij doodziek in bed ligt wordt zijn verzoek om voorbede bij de plaatselijke gemeente afgewezen. Men besluit slechts voor zijn bekering te bidden. . .

Bekkers kreeg tot op het laatst ook bijval. Een moeder was met haar dochter te voet uit Pruisen gekomen om hem te bedanken. Zij waren vrijgesproken in een heksenproces nadat de rechter de Duitse vertaling van de 'Betoverde Weereld' had gelezen. Bekker weende en zweeg twee dagen; toen zei hij: 'Het heldert met de tijd'.

H. F. van Woerden is oud-hoofdmedewerker van de faculteit scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam.

Deze tekst is ingekort; de volledige tekst verschijnt deze maand in het julinummer van Interpretatie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden