Baksjies, baksjies - Taliban maakt van Afghanen bedelaars

KABOEL - Een jaar na de val van Kaboel, op 27 september vorig jaar, gaan twee woorden door de hoofdstad van Afghanistan. Overal klinkt het 'baksjies, baksjies' waarmee kinderen, vrouwen en oude mannen om een aalmoes vragen. En op de bazaar is het 'wahedad' weer in zwang, een bijna vergeten oud-Perzisch woord om de 'angst van de nachtmerrie' aan te duiden.

WILS REBERGEN

Op het laatste moment ziet de chauffeur, gehinderd door het tegenlicht van de ondergaande zon, het zwarte touw over de weg bij de controlepost, net voor Kaboel. Hij toetert. Wie snakt er niet naar een douche na de lange, stoffige reis vanuit Pakistan over de Khyberpas naar de hoofdstad? Een jongen snelt toe met de vinger op de mond: de Taliban bidden, en dan staat de wereld even stil in het deel van Afghanistan dat de 'religieuze studenten' hebben veroverd, nu twee derde van het land.

Er is geen reden om te mopperen. Weliswaar zijn de laatste 150 kilometer vanaf Jalalabad over een hotsbotsende keienweg afgelegd, maar de tocht was veilig. En dat kon tot vorig jaar niet gezegd worden toen lokale commandanten van president Rabbani en zijn minister van defensie, Achmed Sjah Massoed, de reizigers uitschudden.

Beide Tadzjieken zijn met hun aanhang naar het noorden verdreven, en de weg ligt weer open. Het genoegen is groot onder de handelaren die in prachtig opgetuigde, gekuifde vrachtwagens met hun rinkelende kettinkjes aan de bumper hun waren over de Khyberpas naar Pakistan laten brengen. Bij een sporadisch checkpoint van de Taliban wordt hooguit gekeken naar muziekcassettes. Menige Afghaan is nog bereid het risico te lopen betrapt te worden op een verboden liefde, getuige de lange slierten tape die steevast slingeren in de wind op deze plekken.

Met meer veiligheid zijn de verdiensten van de Taliban wel zo ongeveer genoemd. Door de straten van het centrum van Kaboel bewegen de inwoners zich schijnbaar gelaten voort. De meesten lopen, sommigen hebben een nieuwe Chinese fiets of hangen aan een van de oude busjes, meest nog van Russische makelij. De komst van de Taliban vorig jaar heeft een derde van de beroepsbevolking werkloos gemaakt: de vrouwen. De anderen moeten het doen met een gemiddeld loon van omgerekend tien gulden per maand. En dat is te merken. De bazaars liggen vol spullen en zijn 's avonds verlicht want er is weer regelmatig stroom, maar voor de meesten blijft het kijken en niet kopen. De prijzen zijn te hoog.

Sneeuw

En spaarpotjes zijn leeg, vrijwel iedereen heeft zijn spullen aan opkopers verkocht om rond te komen. Dat belooft wat als volgende maand de eerste sneeuw gaat vallen. Het hardst worden de naar schatting 30 000 oorlogsweduwen getroffen, die maar moeten zien hoe ze rondkomen. “Deprimerend”, omschrijft een inwoner de situatie. Net als mensen van westerse hulporganisaties ziet hij zijn naam liever niet genoemd. Dat geeft misschien nog lastige vragen achteraf.

Er was vorig jaar grote onzekerheid hoe de Taliban zou gaan optreden, toen ze de hoofdstad te pakken hadden. De hoop dat gematigder krachten in de beweging misschien de overhand zouden krijgen, is vervlogen. De vaak knap arrogante heersers worden alleen maar radicaler, met steeds meer regels volgens hun uitleg van de koran. Zo mogen vrouwen bijvoorbeeld zelf geen hulppakket meer aannemen, maar moeten zij een mannelijk familielid sturen. Bovendien zijn niet alleen algemene ziekenhuizen, maar sinds kort ook privé-klinieken verboden terrein voor hen. Er is een gebouw aangewezen als vrouwen-hospitaal, maar dat mist water en stroom plus elke verdere inrichting.

Het gevolg van de Taliban-politiek is dat vrouwen, soms in groepjes, de straat opgaan om te bedelen in hun strijd om het naakte bestaan. Net als de kinderen en oude mannen, die hun Afghaanse trots hebben afgelegd, klampen zij elke buitenlander aan. “Onze culturele waarden veranderen snel”, merkt een Afghaan op. “Vroeger waren wij allemaal vriendelijke mensen, maar dat is niet meer zo. 's Avonds hoor je de ruzies in de huizen.”

Na de wat Pavlov-achtige reactie vorig jaar van sommige hulporganisaties op het vrouwvijandige beleid van de Taliban, is nu uit de monden van westerse helpers opmerkelijk genoeg soms begrip te horen voor hun optreden. Ook daar wordt nu erkend dat de beweging, die zich sinds 1994 doet gelden, dezelfde oerconservatieve, islamitische plattelandscultuur probeert uit te dragen, zoals ook de andere Afghaanse strijdgroepen dat in meerdere of mindere mate doen. Daarin past geen zelfstandig optreden van vrouwen, dus geen onderwijs voor meisjes, geen werk, en verbanning onder een tentjurk als de boerka.

“Zoals zij het voorstellen dat wij, vrouwen in het Westen, naakt over straat gaan en allemaal hoeren zijn, zo zijn zij op hun beurt te veel afgeschilderd als pure vrouwenhaters”, legt een hulpverleenster uit. “Maar een hoop van die jongens krijgen tijdens hun leven niet eens het gezicht te zien van de vrouw van hun broer. Dus wat wil je.”

Religieuze politie

Maar het blijft fors slikken te moeten samenwerken met de Taliban die denkt met pure terreur de gelovigen op het rechte pad te houden. Dagelijks gaat de religieuze politie van het 'ministerie voor bevorderen van deugd en onderdrukking van het kwaad' op pad in hun pickup-trucks. Waar nodig meppen ze mensen naar de moskee of ranselen vrouwen af omdat zij te veel geluid maken bij het lopen. Dat pak slaag vinden veel vrouwen nog niet eens zo erg, tenslotte is het niet ongewoon dat man, vader of broer flink slaat. Maar om ook nog eens voor hoer te worden uitgemaakt via de luidsprekers op de truck, daar kunnen de meesten niet van slapen.

Mannen kunnen steevast rekenen op de baardcontrole. Respectloos graaien handen onder de kin om te beslissen of dit een geval is voor de gevangenis. Het draagt bij aan een klimaat van angst, net als de nachtelijke invallen in huizen. Het opjagen maakt het makkelijker de orde te handhaven. De avondklok gaat sinds deze zomer om tien uur in, maar ieder is voor negenen van straat, want je weet maar nooit of de Talibs in jouw wijk de regels niet weer anders uitleggen.

Met hun grote zwarte of witte tulbanden zijn de religieuze studenten prominent aanwezig in het straatbeeld. Ze hangen in groepjes voor de huizen waar ze zijn ingekwartierd, of rijden rond door de stad. De groepen treden steeds eigenmachtiger op en lijken het gedrag van de door hun verdreven regeringstroepen te kopiëren. Die laatsten wil overigens absoluut niemand meer terug omdat zij alleen maar plunderden, moordden en verkrachtten.

Bijzonder zwaar hebben de etnische minderheden het in de stad, de Hazari's - uit Midden-Afghanistan - en de Tadzjieken. Een paar weken geleden werden zij bij bosjes opgepakt, tot 250 per dag. In het noorden zijn van de weeromstuit Pasjtoens opgepakt, van de bevolkingsgroep waartoe de Taliban behoren. Dat brengt menige waarnemer tot de conclusie dat de oorlog in Afghanistan dreigt uit te lopen op een etnisch conflict, compleet met Bosnië-achtige zuiveringen. Menige Tadzjiek loopt dan ook de rillingen over de rug bij het horen van de krijgsliederen van de Talibs, waarin zij beloven de Tadzjieken van Massoed uit te roeien.

Hoewel het nu rustig is langs de frontlijn, 20 kilometer ten noorden van de stad, blijft ook na achttien jaar - en inmiddels meer dan een miljoen dodelijke slachtoffers - de oorlog gewoon doorgaan. Secretaris-generaal Kofi Annan van de Verenigde Naties gaf deze week toe dat de speciale missie die hij naar Afghanistan had gezonden, is mislukt.

Boven Kaboel verschijnt 's nachts af en toe een vliegtuig om een bom af te werpen of maakt een raket slachtoffers om de Taliban aan hun vijanden te herinneren. Als onder de nachtelijke hemel gebrom klinkt, glimlacht de gastheer geruststellend: “Brommen geeft niet. Dat is een transporttoestel. Jets en helikopters, die zijn link.” Het maakt het slapen er niet rustiger op.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden