Bagdad, de normaalste  stad van de wereld

In 2003 maakte correspondent Hans Jaap Melissen in Bagdad de Amerikaanse invasie mee. Nu is hij terug en ziet dat er veel is veranderd, en veel ook niet.

Bagdad april 2003: Even ga ik in rook op, letterlijk, maar dan is er weer licht. Een dikke zwart-grijze rookwolk, afkomstig van een brandend gebouw, had alle zicht op de weg ontnomen, maar nu kan ik weer sneller rijden, het centrum van Bagdad in. Plunderaars rennen rond, met alles wat los en vast zat. Schoten klinken. Bij de Fardus rotonde schoppen een paar mannen tegen de restanten van het standbeeld van Saddam Hussein dat Amerikaanse militairen omver hebben getrokken.

Het is anderhalve dag na de val van dat beeld en van het regime van Saddam. Deze avond neem ik mijn intrek in een klein hotel. Eindelijk. De afgelopen weken sliep ik, bij gebrek aan een hotel, in de woestijn van Zuid-Irak, in mijn witte Mitsubishi Outlander (suv).

Ali, een jongen van het hotel, sleept mijn bagage de trap op naar de vierde verdieping. De lift werkt niet, want te zwaar voor het aggregaat dat de elektriciteitsloze uren opvangt. Als ik Ali een fooi wil geven, zegt hij: "Ik ben niet wie je denkt dat ik ben."

Bagdad juni 2014: Een hard, krakend geluid klinkt. Bijna niemand kijkt op. "Gewoon een autobom, het zal een kilometer verderop zijn. Even mijn familie bellen of alles in orde is", zegt Hayder, de manager van het hotel en hij pakt zijn telefoon. Als ik naar buiten loop, roept hij: "Laat toch, het is normaal."

De woorden van Hayder echoën meer na in mijn hoofd dan de klap van de bom. "Normaal. Alweer een autobom." Maar hij heeft gelijk. Al jaren ontploffen hier autobommen met een bijna dagelijkse frequentie. Ze halen de journaals en kranten niet meer, want iets wat 'normaal' is, is geen nieuws.

undefined

Paleisterrein

Even later arriveert ook Ali, de broer van Hayder. "Ongelooflijk dat je er weer bent", zegt hij tegen mij, "hoe lang is het geleden, zes jaar of zo?"

In de jaren na 2003 ben ik nog regelmatig naar Bagdad teruggekeerd, maar toen de ellende van Irak 'normaal' werd, verlegde ook mijn aandacht zich naar andere plekken op de wereld.

"Ik ben tandarts geworden, part-time. Verder werk ik voor een Amerikaanse krant als lokale producer", vertelt Ali trots. In 2003, toen hij mijn koffers naar boven sleepte, werkte hij niet in het hotel van zijn familie, maar studeerde tandheelkunde. Omdat zijn Engels goed was, werd hij mijn tolk, in die eerste chaotische week van het nieuwe Irak. Ali kwam daardoor op plekken waar hij vroeger niet eens in de buurt durfde te komen. Zoals het immense paleisterrein van Saddam in het hartje van Bagdad, later onderdeel van de 'Groene Zone'. In Saddams privéziekenhuis viel Ali's mond open toen hij alle moderne tandartspullen zag. En ik keek de andere kant op toen hij een deel ervan in zijn tas stopte.

"Ik zal die dagen nooit vergeten", zegt Ali, als we op de bruinleren stoelen in de lobby gaan zitten. Tot mijn verbazing heeft het hotel nu een compleet glazen gevel, terwijl in deze straat de afgelopen jaren drie autobommen zijn ontploft. "Het is veiligheidsglas," zegt Ali's broer Hayder ter geruststelling. Maar het lijkt vooral een glazen middelvinger naar de terreur die de stad al 11 jaar teistert.

Ik wil eigenlijk beginnen over een andere tragische gebeurtenis, die voor mij altijd met dit hotel is verbonden, maar Ali moet weer verder. Een vriend, Hussam, neemt mij mee in de auto voor een rondje door de stad. Nog steeds zijn overal de vier meter hoge betonnen muren die gebouwen tegen autobommen moeten beschermen, maar het lijken er iets minder te zijn. De Groene Zone, waar veel ambassades zijn en de Iraakse regering zetelt, is nog steeds een enorm obstakel voor het doorgaand verkeer. Toch zijn er wat meer wegen omheen weer vrijgegeven. De zone heette in 2003 'Groen', maar bleek net zo 'rood' als de rest van de stad: opstandelingen bestookten het gebied steeds met granaten en ander geweld.

undefined

Ironie

Ook politiek gezien ging het er toen, net als nu, heet aan toe. De fouten die daar in 2003 zijn gemaakt, zoals het massaal ontslaan van iedereen die lid was van Saddams Baathpartij, werken door tot in 2014. Een poging tot 'rebathificering' ten spijt, voelen de soennieten in Irak zich tot op de dag van vandaag gemarginaliseerd.

Telde ik in 2003 met Ali tijdens ons rondje door de stad vooral brandende gebouwen, nu vallen de sjiitische milities op die met vlaggen op de auto's door het snikhete (want 45 graden) Bagdad scheuren. In 2003 had een invasie de hoofdstad bereikt, nu mag een andere invasie, van het extremistische Isis in Irak, de hoofdstad niet bereiken. Isis zorgt er bovendien voor dat de Amerikanen weer, met enkele honderden 'adviseurs', terugkeren, na twee en een half jaar afwezigheid.

"De ironie van de geschiedenis", noemt Ammar dat. Hij is een van de zes broers van Ali en heeft ook voor mij getolkt. Ammar studeerde psychologie maar coördineert nu de bouw van appartementencomplexen, die net als het hotel tot het bedrijf van zijn vader behoren.

"Man, daar zitten we dan, twee getrouwde mannen met kinderen!", lacht Ammar als we elkaar weer zien.

Ik vraag hem naar de geestelijke gesteldheid van de Iraakse bevolking.

"Vanuit psychologisch oogpunt is het natuurlijk niet gezond, zoals wij leven, onder een continue dreiging. Het heeft ons veranderd. Alleen vind ik het heel moeilijk om te zien hoe precies: juist omdat het ons allemaal treft. Al merk ik wanneer ik voor zaken in Turkije of Libanon ben, dat ik mij toch anders voel."

'Operation Iraqi Freedom' hadden de Amerikanen de inval van 2003 ironisch genoeg gedoopt. Maar vrijheid is er volgens Ammar niet echt gekomen. "Toen Saddam hier de macht had, bevoordeelde hij zijn eigen stam. Nu doet premier Maliki exact hetzelfde. Mensen die aan de macht zijn, zijn bang die kwijt te raken."

Toen ik Ammar zes jaar geleden zag, was hij net vrij nadat hij een week was ontvoerd door een militie. Zijn vader betaalde een flinke som geld om zijn zoon weer levend terug te zien.

De jaren 2006 en 2007 waren heel heftig in Bagdad, maar Ammar oogt somberder dan tijdens alle eerdere bezoeken. Is dat omdat hij beseft dat het misschien heel lang gaat duren, voordat Irak normaal wordt? "Ik weet het niet", zucht hij terwijl hij de zoveelste sigaret opsteekt. "Het rare is dat het voor mij zakelijk best goed gaat. Heel goed eigenlijk. We bouwen veel." Overal zie je nieuwe winkels of complete shopping malls, die bezocht worden door mensen in nieuwe auto's.

undefined

Jamal

"Heb je ooit nog iets meer kunnen uitvinden over Jamal?" vraag ik dan eindelijk. Jamal was in 2004 mijn tolk, toen Ali en Ammar daarvoor minder tijd hadden. Jamal woonde aan de rand van de stad en bleef soms bij mij op de kamer logeren, omdat hij anders eerst twee uur in files voor checkpoints stond, zoals die er in 2014 nog steeds overal zijn.

"Nee, helemaal niets", zegt Ammar.

Ik heb altijd gehoopt iets meer informatie te vinden dan alleen de vreselijke beelden die op het internet verschenen, kort nadat ik met Jamal had gewerkt. Op een site van een organisatie vergelijkbaar met wat nu Isis is, stonden vijf foto's van de executie van Jamal. Op de laatste foto is zijn hoofd er helemaal afgesneden. Gek genoeg heb ik nog altijd de meeste moeite met de eerste foto. Jamal kijkt recht in de camera en in zijn ogen zie je dat hij weet wat komen gaat. In de begeleidende tekst stond dat hij via zijn werk voor journalisten zou spioneren voor de Amerikanen.

Omdat ik de laatste was die met hem op stap was, heb ik mij altijd afgevraagd of het kwam door zijn werk voor mij. Al moet je volgens Ammar niet uitsluiten dat hij al langer in de gaten werd gehouden.

Het zijn dit soort taferelen van onthoofdingen en massale executies door Isis die in Bagdad de meeste angst veroorzaken. Toch valt vooral op hoe mensen hier doorleven, alsof er geen dreiging is. De meeste mensen vertrouwen erop dat Isis de stad niet kan innemen. De speech van Obama heeft dat gevoel versterkt, de Amerikanen houden in ieder geval de zaak in de gaten. Toch begrijpt iedereen dat daarmee de aanslagen nog geen verleden tijd zullen worden. "Misschien wordt dat wel eerst erger", zegt Ammar, "als straf voor de Amerikaanse steun."

Maar als ik 's avonds in een vol restaurant zit, waar ik vroeger ook met Ammar kwam, ben ik de enige die af en toe naar de deur kijkt of er geen zelfmoordenaar zich komt opblazen, zoals een paar dagen eerder gebeurde hier niet al te ver vandaan. De Irakezen leven met hun 'normale' Irak, op een andere manier dan mensen die hier maar even zijn.

Ammar sprak over de ironie van de geschiedenis. Maar wat zal de ironie van de toekomst zijn? Kan iemand van Irak een normaal land maken? En wat betekent normaal dan precies?

De vragen spoken door mijn hoofd zonder een concreet antwoord te vinden. Want misschien is het wel helemaal niet normaal om Irak koste wat kost binnen de huidige ongeveer honderd jaar oude grenzen te houden. Zoals een oudere soennitische man zei: "Laten we het land maar opsplitsen, in een Koerdisch, Soennitisch en een Sjiietisch land. Al vind ik het als oude man wel lastig te bedenken dat ik dan een paspoort nodig heb om naar Basra (in Zuid Irak, red.) te gaan, het is wellicht beter."

Op de terugweg naar het hotel rijden we langs de Fardus-rotonde, om het verhoogde ronde middenplateau waar ooit Saddam rechtovereind stond. Later plaatsten kunstenaars er een abstract beeld, maar ook dat is nu weg. Het verbaast mij dat niemand er, op deze centrale en symbolische plek, iets nieuws heeft laten neerzetten, iets dat de kern van het land symboliseert. Misschien is deze kale, afgebrokkelde plek wel een symbool op zich. Een grauwe leegte, een onzichtbaar vraagteken, waaromheen het Iraakse leven zich in trage cirkels voortbeweegt.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden