Review

'Bach laat zijn water over de akker lopen'

Hoewel de titel anders doet vermoeden, heeft de nieuwe bundel 'Huisraad' van Anneke Brassinga weinig huiselijks. Deze poëzie, met haar wonderlijke legering van ernst en kolderieke humor, is integendeel buitenissig en exuberant. Zelfs het titelgedicht doet met zijn gargantueske woordsamenstellingen ('zondagmiddagglibberpuddinggroen, 'egelengelengezangstation') eerder denken aan een vorm van linguïstische boulemie dan aan huiselijkheid.

Dat is dan ook het eerste wat aan deze gedichten opvalt: zij vréten taal. 'Moet ook ik aan moeder aarde ontkiemen, / laat het dan zijn als brandend biebos, striemend / tiklint in de wind of morose inktvlekviooltje', staat er in het gedicht 'Hic iacet bic'. Hongerige poëzie dus, de aan heilig vuur ontstoken pen voortdurend in de aanslag, brandend van verlangen naar taal, klank en beeld. Hier regeert een ongebreidelde verbale ornamentiek van woordspelingen, stijl- en registerwisselingen, tot nieuw leven gewekte archaïsmen, bizarre beeldspraak, klingklang, toespelingen op andere teksten en wat dies meer zij. Het is gemaakte, maar door de bank genomen virtuoos gemaakte poëzie.

Brassinga schrijft even getruukt als gedreven. Zij voert een strakke, ambachtelijke regie en tegelijk laat ze de emoties zo te zien de vrije teugel. Haar neiging tot effectbejag is evident, maar haar behoefte aan spontane en eigengereide erupties evenzeer. De gedichten zijn zo speels dat het moeilijk is er in algemene termen iets over te zeggen. Thema's? Onder andere liefde, dood en kunst. Vormgeving? Barok. Sfeer en toonaard? Afwisselend burlesk, diep ernstig, euforisch en een beetje hitsig. Maar daarmee is nog niet veel gezegd.

Opvallend is in elk geval de zintuiglijkheid van haar taal. De voorstellingen realiseren zich zicht- en hoorbaar, en soms proef je ze als het ware op de tong. In 'Bij een overdosis motteballen' is zelfs letterlijk sprake van 'slaapkindje tong' met zijn 'vlezige huigmast'. De gelikte beelden en klankpatronen in dit gedicht zijn er ook naar. In de eerste strofe staan 'achter ijsbloemvitrage' 'liederlijke rozen kozend ter vaze', die in de tweede aldus in koor losbarsten:

wij liklezen het almaar ontplokener fluweel onzer kelen en kelen wond maar kwelend wonder met stillende liprillingen elk d'ander.

Een zeer sensitieve klank-beeldcombinatie, met plechtig heraldieke inslag ('ontploken', 'keel'). Deze wufte rozen staan in schril contrast met een half verhongerd roodborstje dat in de openingsregel via alweer een klankassociatie (een toespeling op het kinderliedje 'Roodborstje tikt tegen het raam') is geïntroduceerd: 'Broodkorstje tikt aan het raam'. Na dit spanningsvolle beginbeeld zoomt het gedicht uit, de beeldspraak slaat onverwacht om in het maritieme en wordt woordspeliger ('Een hoos gestampte muisjes rukt elk zeegat / uit').

Vanuit dit enigszins bizarre, ruimere perspectief stelt de voorlaatste regel de existentiële vraag: 'waartoe, waarheen vallen overal gaten?' om onmiddellijk daarna weer in te zoomen op de beginopstelling van het in de ijskou creperende roodborstje: 'Het mottig dons ligt hijgend voor de glazen'.

Deze onvolledige parafrase geeft al wel aan hoe veelstemmig en complex Brassinga's poëzie in elkaar zit. Haar gedichten zijn verwarrend, niet doordat ze vaag, maar juist doordat ze overconcreet en dubbelzinnig zijn. Haar taalgebruik is met name in de grote afdeling 'Muziekend' overdonderend barok en niet zelden erotisch geladen: 'De boezem, Boris, is het vlaggeschip // van vrouwelijke charme: kom hoor uw neus in mijne zeilen / die nooit gestreken zijn en gorgel ferm als parlevinker'.

Het beeld- en klankmateriaal is zo divers dat de gedichten allerlei kanten tegelijk lijken op te springen. Je kunt ze niet op één sfeer vastpinnen; ze belichamen telkens een amalgaam van tegenstrijdige gevoelens en gedachten. Ze zijn niet alleen naar hun vorm barok, dus ornamenteel en soms op het randje van bombastisch, ze zijn het ook naar hun wezen. Overal maken ze de existentiële chaos zichtbaar die voortvloeit uit basistegenstellingen als dood en levend, aards en hemels.

In het openingsgedicht 'Gelegenheid tot afscheidnemen' gebeurt dit bij het laatste bezoek aan een overledene al heel letterlijk. De levenden ervaren daar in de 'weidse onbestemdheid' van de dood het leven nadrukkelijker dan ooit als 'een ravage'. Heel mooi is de barokke omkering in vragende vorm van de uitdrukking 'de laatste adem uitblazen': 'Is doodgaan soms een ademtocht waarbij / men onverhoeds de hele buitenhemel binnenhaalt?'

Ook de tegenstelling tussen aards en hemels wordt in velerlei toonaarden bezongen. Lage en hoge stijl liggen dicht bijeen in het curieuze, kolderiek-euforische 'Cellosuite in c-moll BWV 1011 'en plein air'.

Zoals een arm mens watert in zijn hof over de netels opdat hun brandend loof verkwijnt zo is dit neuriën zengend. Bach laat zijn water over de akker lopen, in dansbewegingen krimp je van pijn, mag in duigen

buigen. De barokke tranen schetsen schaduwtralies in alle hoeken van de aardse cel. Rondom het plafond laat zich finale vermoeden: het koor van sterrennevels in doodstil majeur. Gods bleke beren dansen er

in witte vloed uit Eva's schede, je wilt daarheen om doof te worden, zingende. De egel kucht, scharrelt zijn kostje op van glimwormen, galbessen, dorre noten. Onder het gammele bladerdak schijnt sterven een droom'.

Ik waag me niet aan een interpretatie van dit fascinerende gedicht, maar dat de gepatenteerd hemelse muziek van Bach hier de verhouding tussen het aardse en het goddelijke buitengewoon krachtig ontregelt lijkt me duidelijk. In 'Haydn in Ierland' gebeurt iets dergelijks. Ditmaal is het geen egel, maar een 'knipselzwarte mol' die een contrastrijke verbinding met het hemelse aangaat: 'Zijn graven spiegelt / wohltemperiert wandelen van fuga's door de hemel'.

Je ziet dit soort ontregelende tegenstellingen overal in Brassinga's poëzie opduiken. Nu eens wordt gememoreerd 'hoe melkwegen en onderwerelden ver uiteen / wij waren, hoe dicht ook, dansend, bijeen', en dan weer hoe 'leemte van afwezigen tot levende gestalten / (. . .) wordt verdicht'. Ontregeling, herordening, 'spelen' op het scherp van de snede: er gebeurt aan en onder het theatraal 'muziekende' oppervlak van deze gedichten dus wel degelijk van alles dat hout snijdt. 'Huisraad' is een bundel waarmee men zich niet snel zal vervelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden