Azië is geen spat veranderd

Wachten op de trein in Amritsar, waar Theroux concludeert dat het flauwekul is van ¿het Indiase wonder¿ te spreken. Want anders dan kranten en tijdschriften schrijven is vrijwel alles bij het oude gebleven. (FOTO EPA ) Beeld
Wachten op de trein in Amritsar, waar Theroux concludeert dat het flauwekul is van ¿het Indiase wonder¿ te spreken. Want anders dan kranten en tijdschriften schrijven is vrijwel alles bij het oude gebleven. (FOTO EPA )

In de jaren zeventig maakte Theroux furore met zijn verslag van een treinreis door Azië. Nu legt hij het traject nog eens af. Iran komt hij niet meer in. En India is er niks op vooruitgegaan, vindt hij. Is Theroux soms bang dat Azië zijn authentieke groezeligheid verliest?

In 1973 ondernam de toen 32-jarige, nog onbekende Amerikaanse schrijver Paul Theroux zijn eerste reis door Azië, doorkruiste Turkije, Iran, Afghanistan, Pakistan, India, Sri Lanka, Birma, Thailand en Maleisië om tenslotte via Japan en de Transsiberië Express weer thuis te komen. Londen in dit geval.

Hij maakte de reis met zijn favoriete vervoersmiddel, de trein; vandaar de titel van zijn verslag ’The Great Railway Bazaar’ (vertaald als ’De grote spoorwegcarrousel’), Azië als een bazaar van allemaal verschillende spoorwegen en treinen. Het betekende zijn doorbraak als schrijver en misschien kun je met enige overdrijving zeggen dat hij de reisliteratuur (weer) op de kaart zette.

Het eerste gedeelte van zijn reis verliep min of meer langs het oude ’hippie-spoor’ naar India, en hippies waren er in die tijd nog volop. Wie het boek nu herleest merkt dat Theroux eigenlijk ook zo’n hippie was, zij het gewapend met een pen en een scherpe blik. De verbazing en verrukking om die andere, geheimzinniger wereld stond centraal. Veel plaatselijke bewoners sprak hij er niet, de conversaties bestonden voornamelijk uit opgevangen gespreksflarden, en min of meer obligate praatjes; een van de langste gesprekken in het boek is met een Duitse junk in de trein: het echte Azië zweeg nog voor Theroux.

Vijfendertig jaar later deed hij de trip nog eens dunnetjes over. Of wat heet dunnetjes? Zijn verslag ervan in ’De grote spoorwegcarrousel retour’ is anderhalf keer zo dik als dat van de vorige onderneming. Maar nu is het anders, hij komt mensen tegen die zijn boeken lezen, geeft her en der lezingen, bezoekt oude vrienden en hoort de plaatselijke bevolking uit. Ook de reis volgt hier en daar een ander traject, Iran en Afghanistan zijn verboden gebied geworden (‘Afghanistan is stomvervelend’ schreef Theroux nog in de vorige editie), in plaats daarvan reist hij door bijvoorbeeld de vroegere Sovjetrepublieken Turkmenistan en Oezbekistan, maar ook Cambodja en Vietnam staan op het programma.

Je merkt dat sinds zijn eigen reis in 1973 de stroom aan reisboeken en reisprogramma’s op tv zijn werk heeft gedaan. Veel van wat Theroux ziet en doet komt ons inmiddels bekend voor, al was het maar omdat Floortje Dessing en haar collega’s dezelfde plaatsen voor ons bezochten. Zelfs het bezoek aan het absurde Turkmenistan onder de krankzinnige leider Niazov, bijgenaamd Turkmenbashi (inmiddels overleden), verrast ons niet erg meer. Wat je vooral voelt is hoezeer de wereld sinds 1973 van uiterlijk is veranderd; India wordt tot de aanstormende economische wereldmachten gerekend, Vietnam is een vredig en welvarend land, Birma een nog geslotener bolwerk dan voorheen.

Over Vietnam is Theroux, toch niet de geringste onder de zuurpruimen, zeer tevreden, maar ik proef in zijn oordeel toch vooral de bevestiging voor een linkse Amerikaan dat Amerika die oorlog terecht verloren heeft: „Dat alles stond symbool voor de vitaliteit, de rijkdom en kleur van het oude Azië. Maar naast de slangenwijn en de vermalen geweien die als afrodisicum werden verkocht, en de geurige theetegels, bestond ook het nieuwe Azië dat op geraffineerde wijze plagiaat pleegde: nagemaakte Nikes, nephorloges van het merk Tag Heuer voor 15 dollar, Lacoste polo-shirts, Zippo-aanstekers en stapels illegaal gekopieerde cd’s. En misschien ook een nieuw Azië wat betreft de manier waarop de Vietnamese handelaars voortdurend voorbijgangers lastigvielen en tegen mij schreeuwde: ’kopen!’ op dezelfde toon waarop de cyclo-rijders ’massage’ brulden – zo vasthoudend dat het een echte plaag werd. Maar wie kon het ze kwalijk nemen?”

Wat hij Vietnam gunt, op te gaan in de vaart der volkeren, misgunt hij India. Of liever gezegd, hij gelooft niet in India’s vooruitgang. „In ieder westerse krant en in ieder tijdschrift werd met veel bombarie over ’het Indiase wonder’ gerept, maar aan Amritsar te zien was dat flauwekul, was het niet alleen maar een foute grap, maar getuigde het zelfs van onbarmhartige spot. Het scheen mij toe dat er heel weinig was veranderd, behalve de omvang van de bevolking, een niet te voeden, niet te huisvesten, niet te bevatten 1,3 miljard mensen.”

Theroux’ scepsis omtrent India’s vooruitgang lijkt me niet in de laatste plaats ingegeven door zijn afkeer ervan. India wil hem veel te graag op zijn eigen land, de Verenigde Staten, lijken. Ondanks zijn verklaarde afkeuring van dat reizigerstype, is en blijft Paul Theroux in wezen een ’romantisch voyeur’, die graag ziet dat landen en volkeren hun eigen karakter behouden. Zijn verblijf in de schoongeveegde stadsstaat Singapore laat eens te meer zien dat het hem niet te doen is om Aziatische netheid en progressie – hij holt er snel naar de groezelige warme buurt.

Aan de hand van Theroux reis je door een Azië van scharrelaars, nep-artikelen en hoeren wier gunsten hij steeds zorgvuldig afslaat (zou hij de waarheid spreken?). „Ik heb een hekel aan grote steden, waarschijnlijk om dezelfde redenen als waarom veel stadsbewoners de pest hebben aan de wildernis (waar ik dol op ben)” schrijft hij ergens. En telkens als er zo’n grote stad opdoemt verslechtert Theroux’ humeur. Als hij per ongeluk een stad toch mooi vindt, zoals Hanoi, komt dat door de Franse elegantie, niet door de dynamiek van het grotestadsleven.

Voor een werelddeel waarin de bevolking juist massaal op zoek lijkt naar de grote stad, is Theroux geen al te gezellige bezoeker. Het liefst zit hij dan ook in de trein, waarvan dunkt me de bewegende stilstand ongeveer zijn temperament uitdrukt. Zijn grootste angst is een verwesterd Oosten. Hij blijft koortsachtig op zoek naar het authentieke Azië, in India maar ook bijvoorbeeld in Japan: „De grootste vergissing die een bezoeker in Japan kon maken was tot de conclusie komen dat het veelvuldige gebruik van vooral schattige Engelse woorden – Hello Kitty was een andere zeer bekende merknaam – betekende dat de Japanners verwesterd waren. Dat is eigenlijk hetzelfde als zeggen dat een Quecha-vrouw in de Andes een anglofiel is omdat ze een bolhoed draagt.”

Als het erop aan komt, zegt Theroux, is Azië geen spat veranderd. Die zogenaamde vooruitgang en de verwesterde idealen zijn grotendeels schijn. En dat bevalt de oude avonturier, die liefst oncomfortabel reist en niet naar een zacht hotelbed hunkert, zo te zien prima.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden