Azar Nafisi

(Trouw) Beeld ©Paolo Pellegrin / Magnum
(Trouw)Beeld ©Paolo Pellegrin / Magnum

Na haar succesvolle boek ’Lolita lezen in Teheran’ heeft de Iraans-Amerikaanse schrijfster Azar Nafisi nu haar turbulente leven op schrift gesteld. Onder de titel ’Alles wat ik verzweeg’ verschijnt daar vrijdag de Nederlandse vertaling van. Over de situatie in Iran is ze optimistisch. „De ideologie van de republiek is allang verslagen.”

Het nieuwe boek moest niet weer een boek over Iran worden. „Dit is een heel persoonlijk boek, terwijl het vorige dat juist niet was”, vertelt Azar Nafisi. „Wel ontdekte ik al schrijvend dat de relaties in mijn familie, en vooral mijn relatie met mijn moeder, veel gelijkenis vertoonden met de relatie tussen staat en burgers in de islamitische republiek van Iran.”

De Iraans-Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Azar Nafisi is in Parijs op uitnodiging van de universiteit. De tweede dag van haar bezoek gebruikt ze om de Nederlandse pers te woord te staan over haar autobiografie ’Things I’ve been silent about’ (’Alles wat ik verzweeg’), die vrijdag in Nederlandse vertaling zal verschijnen.

Een pleitbezorgster noemt Nafisi zichzelf, een pleitbezorgster voor het belang van de literatuur én een pleitbezorgster voor Iran; het land dan, niet de islamitische republiek. Zo schreef ze haar vorige boek – ’Lolita lezen in Teheran’ – ook om het beperkte, oppervlakkige en politiek gekleurde beeld dat in Amerika bestaat van Iraanse vrouwen, te differentiëren.

Azar Nafisi (1955) groeide op in een intellectuele, bourgeois familie in Teheran. Haar gedistingeerde ouders minachtten politiek en politici, maar voelden zich wel verantwoordelijk voor het heil van de natie en speelden daarin ook een actieve rol. Haar vader was onder de sjah enkele jaren burgemeester van Teheran. Hij belandde in 1964 in de gevangenis op beschuldiging van ’omkoping, insubordinatie, en vriendschappelijke betrekkingen met de geestelijkheid.’

Ook had de sjah te horen gekregen dat de burgemeester de lijst met parlementskandidaten aan de Amerikanen zou hebben laten zien. Na vier jaar van lezen en schrijven (hij produceerde maar liefst 1500 dagboekpagina’s, twee kinderboeken en wat literaire vertalingen van onder andere La Fontaine) werd hij van alle beschuldigingen vrijgesproken.

Opstandige Azar had ondertussen dagelijks akelige ruzies met haar mooie maar diep ongelukkige, veeleisende, kwetsbare moeder die haar jong gestorven eerste echtgenoot idealiseerde, en haar man en kinderen haar verlies verweet. Ze controleerde Azar in alles, van de plek waar ze haar bed wilde zetten tot aan de vrienden met wie ze om moest gaan.

Azar sluit al vroeg een verbond met haar zachtmoedige vader die haar de fantasie aanraadt om aan haar moeders heerszucht te ontsnappen. Precies zoals hij zelf zijn boeken, werk en tuin gebruikt om een eigen ruimte te creëren. Later zal Azar voor haar moeder verzwijgen dat ze haar vaders (dan nog platonische) vriendinnen ontmoet. Voor die leugens, een vorm van medeplichtigheid noemt ze het, schaamt ze zich.

’Moeder deed aan perfectie’, schrijft Nafisi, ’perfect gezin, perfecte vrienden, perfect land (...). Onze confrontaties hadden hun eigen logica die weinig met de feiten te maken had, en op een bepaald moment zou de oorspronkelijke reden van het conflict vergeten worden. Jaren later, na de islamitische revolutie, zou ik getuige worden van dezelfde dynamiek op veel grotere schaal. We zouden hun spelletje meespelen. De idiootste verhalen: waarom onze adem naar drank rook, lippen gestift waren, wat dat cassettebandje van die zanger op het dashboard deed, waarna ze ons lieten gaan na een omkoopsom.”

Het is de literatuur die inzicht, ontsnapping en de troost van een geheime wereld biedt. Als klein meisje leest haar vader haar de Perzische volksverhalen van Ferdausi voor en identificeert Azar zich met de onconventionele heldin Rudabeh. Als tiener, eenzaam op school in Engeland, grijpt ze naar de grote Engelse schrijvers: Charles Dickens, Jane Austen.

In de jaren zeventig ontsnapt Nafisi op de gebruikelijke manier (namelijk via een ongelukkig eerste huwelijk) aan haar moeder en studeert ze aan de universiteit van Oklahoma, waar ze deelneemt aan de studentenprotesten tegen de sjah. Deze probeert Iran in maatschappelijk opzicht steeds liberaler te maken, maar maakt het land in politiek opzicht steeds meer gesloten. Hij verruimt de rechten van vrouwen, schaft de islamitische tijdsrekening af, maar kondigt in 1975 ook het eenpartijenstelsel aan. Marxisten en fundamentalisten, verenigd in hun ’anti-imperialisme’, vormen een bondgenootschap.

Hoopvol keert Nafisi terug naar haar vaderland en ziet daar met lede ogen toe hoe na de machtsovername van Khomeiny de islamitische shariawetten worden heringevoerd, de gezinsbeschermingswet die vrouwen meer rechten gaf over hun kinderen, weer wordt ingetrokken en westerse invloeden worden verboden.

Voor een buitenstaander is dit een wat verbijsterende opeenvolging van gebeurtenissen. Hoe kan deze ontwikkelde moderne vrouw, die in de tirannie van haar moeder ondertussen ook wel de frustraties van ’de ongelukkige huisvrouw’ heeft herkend, de verworven vrijheden weer opgeven?

Nafisi: „Ja, ironisch niet? Ik dacht ook dat wij dezelfde rechten hadden als vrouwen elders in de wereld; maar ik vergiste me. We waren naïef. Vrouwenrechten werden niet heel belangrijk gevonden. Als je de sluier niet wilde dragen werd dat door de marxisten ’bourgeois’ genoemd; het was een afkeurenswaardige individualistische daad.”

Ze blijft toch in Teheran en wordt docent aan de universiteit. In 1995 neemt ze ontslag – ze weigert nog langer de sluier te dragen. Thuis zet ze in het geheim haar colleges voort en vormt ze de leesgroep die ze beschrijft in ’Lolita lezen in Teheran’. Met zeven studentes (plus één jongen die zich niet liet wegsturen) debatteert ze hartstochtelijk over de morele contradicties en implicaties in bijvoorbeeld ’The Great Gatsby’, of over de hulpeloze positie van Lolita in Nabokov’s ’Lolita’.

Die laatste roman was een van Nafisi’s favorieten, ook omdat de relatie tussen verteller Humbert Humbert en ’nymph’ Lolita volgens haar zo’n fraaie metafoor bood voor de relatie tussen staat en burgers in de islamitische republiek. Zoals Humbert Humbert Lolita omvormt naar zijn beeld, zo probeert het islamitische regime dat ook. En zoals Lolita probeert te ontsnappen, zo probeerden haar studentes dat ook: toch een klein beetje haar onder de hoofddoek uit trekken, luisteren naar verboden muziek, toch de nagels laten groeien.

In de jaren tachtig, tijdens de bombardementen van Irak op Teheran, verslindt Nafasi Engelse detectives. Als lezer verbaas je je af en toe over die letterdrift tegen de klippen op. Doen die romans en verhalen er echt nog toe als er in werkelijkheid bommen vallen? Nafisi: „Juist in situaties van onderdrukking en geweld is het belangrijk dat je naar die kwaliteiten zoekt die daar tegenin gaan. Natuurlijk organiseerden we in de jaren tachtig in de oorlog feestjes en zagen we films tussen de verduisteringen en bombardementen door, ook al had het regime dat verboden. Je moet ervoor zorgen dat je je verbindt aan het leven en dat je niet de gedaante van je vijanden aanneemt.”

Van ’Reading Lolita in Teheran’ (een boek over boeken notabene!) werden in Amerika meer dan anderhalf miljoen exemplaren verkocht. Het grote succes zorgde ervoor dat de Iraanse specialiste in Engelse letterkunde op het internationale podium belandde, en dat tegenwoordig meer naar haar mening over de islam gevraagd wordt dan naar die over Vladimir Nabokov of Jane Austen. In de jaren negentig trad ze op de radio in Iran al op in The Voice of America, nu vind je haar op internet ook als spreekster voor ’The Voice of Persia’ in Amerika.

Die dubbelfunctie past bij de middenweg die ze in het islamdebat bewandelt. Gevraagd naar het hoofddoekenverbod in Frankrijk zei ze dat ze tegen een verbod was omdat de sluier nooit een politiek instrument mag zijn. Even helder liet ze zich uit over de mogelijke dialoog met Ahmadinejad. „Onderhandelen met het Iraanse regime is als schaken met een aap”, zei ze vorig jaar in de New York Times. „Midden in het spel pakt de aap je koningin en eet hem op. En wat dan?”

In haar recent verschenen autobiografie ’Things I’ve been silent about’ ligt het zwaartepunt echter niet bij de politiek en het regime, al is haar betrokkenheid bij de turbulente gebeurtenissen in het Iran van de laatste veertig jaar, en de wijze waarop ze het gekonkel in haar eigen familie verbindt aan die even wankele politieke situatie in Iran, toch wel wat deze memoires fascinerend maakt. De twintigste eeuw in Iran was niet saai en Nafisi’s familie werkte daar actief aan mee; gelukkig zit er een woordenlijst en een jaartallenlijst bij die het falende geheugen kunnen opfrissen.

Nafisi: „Ik heb jaren zitten schaven en selecteren. Ik heb veel weggelaten dat ik liever wel had verteld, maar dat niet paste in het verhaal. Memoires zijn altijd ook een vorm van verraad aan de werkelijkheid. En ik heb gezien mijn openhartigheid in dit boek zeker ook geworsteld met schuldgevoelens ten opzichte van mijn ouders. Anders dan in Amerika houd je in Iran de vuile was binnen; het is een heimelijke cultuur.

Mijn ouders waren allebei dol op verhalen vertellen, maar die verhalen waren niet altijd betrouwbaar. Ze creëerden een web van mooie verzinsels rondom hun eigen leven. Vooral mijn moeder, die geen afstand kon doen van het verleden dat ze idealiseerde. Maar mijn boek is niet alleen kritiek, het is ook een hommage aan mijn ouders. In zelfonderzoek, in het zoeken naar de waarheid ook al is die weinig comfortabel, schuilt altijd zin.”

In 1997 vertrekt ze met haar tweede man en kinderen voorgoed naar Amerika. Haar vader en moeder zijn dan al gescheiden, haar vader is hertrouwd.

Nafisi: „Mijn relatie met mijn moeder veranderde wel toen mijn vader weg ging. Hij ging weg toen zij op haar zwakst was. Het regime had de wetten veranderd. Ze was ouder en kon niet meer trouwen. Hij had het geld.”

Maar Azar Nafisi is dan al een balling. Haar boeken worden in Iran niet uitgegeven. Als haar ouders, begin deze eeuw, een paar jaar na elkaar sterven is ze duizenden kilometers ver weg en kan ze hun begrafenissen niet bezoeken. Een droevige balans.

Toch toont de schrijfster zich vurig en optimistisch bij de vraag of het tij in Iran, na dertig jaar, nog eens zal keren. „De ideologie van de republiek is allang verslagen. Kijk hoe de mensen op straat eruit zien. Al dertig jaar proberen meisjes de verboden voetbalstadions binnen te komen. Ze kunnen niet iedereen arresteren.

Er zijn bij een campagne binnen Iran miljoenen handtekeningen opgehaald tegen de shariawetten. Zeventig procent van de bevolking van Iran is onder de dertig, het is het jongste land ter wereld. En de jongeren zijn heel nieuwsgierig, ze lezen, ze hebben toegang tot het internet, ze kennen de wereld van hun ouders. Ze zijn zich veel meer bewust van hun rechten dan wij destijds waren. Alleen hier zie je alleen maar Ahmadinejad en andere vertegenwoordigers van het regime op tv.

Niemand praat met de studenten die hier in ballingschap zijn, niemand praat met de vrouwen die in Iran handtekeningen verzamelden. Toen na 11 september duizenden mensen in Teheran tegen de aanslagen protesteerden, werd dat nergens vertoond. De westerse wereld zou die mensen een stem moeten geven. Men heeft ook nooit overwogen om naar Zuid-Afrika legers te sturen, maar je laat de Zuid-Afrikaanse regering wel weten wat kan en wat niet kan, en je ondersteunt het verzet.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden