Autorit door een onbekende oorlog

Als de stofwolken zijn opgetrokken blijken de twee Mercedessen Nederlandse nummerborden te dragen. De bestuurders zijn op weg naar de hoofdstad van Tsjaad. Dat ze dwars door een burgeroorlog rijden hebben ze nauwelijks in de gaten.

Gerbert van der Aa

Twee Mercedessen stuiven met grote snelheid door Zouar, een dorpje in het woestijnachtige Noorden van Tsjaad. Met brullende motor ploegen de wagens zich door het mulle zand. Maar midden in Zouar gaat het mis. In de droge rivierbedding die dwars door het dorp loopt, komen beide auto's muurvast te zitten in het zand.

Als de stofwolk is opgetrokken blijken de auto's Nederlandse kentekenplaten te hebben. Twee roodverbrande blanke mannen stappen zuchtend uit. Het zijn Nederlandse toeristen die uit Libië komen. Hun eindbestemming is de Tsjadische hoofdstad Ndjamena.

De verbazing in Zouar is groot. Weliswaar verschijnen op gezette tijden nog steeds toeristen in Zouar, maar het is nog niet eerder gebeurd dat ze met een gewone auto reisden.

Zouar wordt op de kaart afgebeeld als een van de grotere steden in de regio. In werkelijkheid is het een grotendeels uit rieten hutten bestaand dorp, zonder elektriciteit of telefoon. De dichtstbijzijnde geasfalteerde weg ligt 1500 kilometer verderop.

In Zouar wonen een paar duizend mensen. Daarnaast zijn er enkele honderden soldaten gelegerd. Want het noorden van de oude Franse kolonie Tsjaad wordt geteisterd door een opstand van de MDJT (Mouvement pour la Démocratie et la Justice au Tchad), een rebellenleger dat tegen de regering strijdt. Zouar zelf is nog steeds in handen van het regeringsleger, maar de bergen ten noorden van het dorpje worden onveilig gemaakt door rondtrekkende guerrillastrijders.

De soldaten in Zouar maken geen geheim van hun angst. ,,Twee weken geleden reed een legerpatrouille even buiten Zouar in een hinderlaag'', zegt Ngargoto Houadoum, een soldaat die onder een boom naar de radio luistert. ,,Vier collega's kwamen om het leven, tien anderen raakten zwaar gewond.'' Houadoum, die gekleed is in een camouflagepak, vertelt dat de stemming onder de soldaten er niet beter op is geworden. Hun grootste vrees is dat de rebellen Zouar omsingelen, zoals met een paar andere dorpen in de omgeving is gebeurd. De soldaten die daar zijn gelegerd zitten als ratten in de val.

De route tussen Libië en Zouar is volgens de lokale bevolking alleen te rijden met een four wheel drive. De twee Nederlandse Mercedesrijders, respectievelijk 28 en 31 jaar, geven toe dat de tocht niet makkelijk was. Behalve het losse zand, dat ervoor zorgde dat ze hun auto's vele malen moesten uitgraven, leverde ook de soms rotsige ondergrond problemen op. De onderkant van de auto's is op diverse plaatsen zwaar beschadigd.

De Nederlanders behoren tot het soort avontuurlijke woestijntoeristen, dat je overal in de Sahara tegenkomt. In Italië of Spanje nemen ze de boot naar Noord-Afrika, om vervolgens dwars door de Sahara naar zwart Afrika te rijden. Daar verkopen ze hun auto's met winst, zodat ze een bijna gratis vakantie hebben. De meeste autohandelaren rijden via Marokko en Mauritanië naar Senegal, maar de route via Tunesië en Libië naar Tsjaad blijkt nu dus ook al in gebruik. Dat in het noorden van Tsjaad een burgeroorlog woedt, ontdekten de Nederlanders pas toen ze in Tsjaad arriveerden.

De opstand in Noord-Tsjaad begon eind vorig jaar. De leider van de rebellen is Youssef Togoimi, oud-minister van binnenlandse zaken in de regering van president Idriss Debydie. Togoimi nam in 1997 ontslag. Door zijn felle kritiek op het corrupte bewind van Deby stond Togoimi aanvankelijk onder huisarrest. Maar in juli 1998 slaagde hij erin te vluchten. Een paar maanden later liet Togoimi via de satelliettelefoon weten dat hij vanuit een geheime basis in het Tibesti-gebergte een gewapende strijd tegen de regering was begonnen, en dat hij zou oprukken naar de hoofdstad Ndjamena.

Togoimi behoort tot het Tubu-volk. Behalve in Tsjaad, leeft dit woestijnvolk ook in de buurlanden Niger en Libië. In totaal zijn er ongeveer 40.000 Tubu's. Het Tibesti-gebergte, een van de meest afgelegen gebieden ter wereld, vormt de kern van hun leefgebied. De islamitische Tubu's hebben een eigen taal. Frans en Arabisch, de twee nationale talen in Tsjaad, spreken ze nauwelijks. De meeste Tubu's zijn nomaden, die al eeuwenlang met geiten en kamelen door de woestijn trekken.

Opmerkelijk is dat de Tubu-opstand sympathie heeft onder brede lagen van de Tsjadische bevolking. Rebellenleider Togoimi lijkt als een van de weinige Tsjadiërs in staat een brug te slaan tussen de ongeveer acht etnische groepen in Tsjaad, die ook nog eens te verdelen zijn in moslims en christenen. In de tijd dat Togoimi deel uitmaakte van de regering-Deby, was hij de enige minister die serieus streed tegen corruptie. Hij maakte zich zeer populair toen hij zelfs zijn eigen familieleden gevangen liet zetten op beschuldiging van corruptie.

,,Het is moeilijk om informatie te krijgen over wat er in Noord-Tsjaad gebeurt'', zegt een van de Nederlandse Mercedesrijders. ,,In Libië deden wel wat geruchten de ronde over een gewapende strijd. Maar niemand kon vertellen wat er echt aan de hand was. De afgelopen weken hebben we elke dag naar de BBC-worldservice geluisterd. In hun Afrika-programma's werd geen enkele maal melding gemaakt van onrust in Noord-Tsjaad. Bovendien hoorden we in Libië dat Zwitserse toeristen drie weken eerder naar Tsjaad waren vertrokken. Toen hebben we het er maar op gewaagd.''

De gebrekkige informatie over de toestand in Noord-Tsjaad is inderdaad een probleem. De Tsjadische overheid ontkent consequent de ernst van de situatie. De lokale pers wordt door het leger onder druk gezet het geweld te bagatelliseren. Volgens diplomaten in Ndjamena is het officiële aantal doden veel lager dan het werkelijke aantal slachtoffers. De internationale media, die geconfronteerd worden met talloze gewapende conflicten in Afrika, besteden weinig aandacht aan de gebeurtenissen in Tsjaad. Westerse journalisten zijn nog nauwelijks in het noorden van het land gesignaleerd.

De Nederlanders vertellen dat ze vanaf de Tsjadische grens verplicht waren een gewapende militair mee te nemen. De man kreeg de opdracht hen te beschermen. De soldaat bleek nogal zenuwachtig. ,,De afgelopen nacht zocht de militair een legerpost waar we zouden kunnen slapen. Maar doordat het donker was kon hij die post niet vinden. Uiteindelijk hebben we in de open lucht geslapen. De militair wilde dat we de auto's verdekt opstelden achter een boom. Met een geladen mitrailleur heeft hij de hele nacht over ons gewaakt.''

Het noorden van Tsjaad kent een lange traditie van geweld. Van 1980 tot 1994 werd het gebied bezet door Libië. De Libiërs aasden op vermeende uranium-reserves in Tsjaad. De Tsjadiërs ondernamen diverse offensieven om de Libische troepen te verjagen, maar slaagden daar niet in. De hulp van Franse militairen, die de Libische stellingen bombardeerden, had ook weinig effect. Pas nadat president Idriss Deby in 1990 in Tsjaad de macht overnam, kwam er schot in de zaak. Deby, die een goede relatie had met de Libische leider Gaddafi, tekende in maart 1994 een vredesakkoord. Vlak daarna trokken de Libische troepen zich inderdaad terug.

Nog steeds is goed te zien dat in Noord-Tsjaad een hevige strijd moet hebben gewoed. Overal in het gebied ligt wapentuig dat de Libiërs hebben achtergelaten. Behalve verwoeste pantservoertuigen, ligt er veel onontplofte munitie. Ook hebben de Libiërs naar schatting een miljoen landmijnen in het gebied achtergelaten. Samen met de Verenigde Naties hebben de Tsjadiërs de mijnenvelden de afgelopen jaren in kaart gebracht. Binnenkort zou begonnen worden met het opruimen van de mijnen in Tibesti, maar door de opgelaaide oorlog kan dit project voorlopig niet doorgaan.

Nadat Tsjaad vrede sloot met Libië ontwikkelde de handel tussen de twee landen zich in rap tempo. Voor de Tubu's ontstond daardoor een nieuwe inkomstenbron. In Libië is een breed aanbod aan consumptiegoederen, die relatief goedkoop zijn. Vrachtauto's vol met benzine, kleding en voedsel reden vrijwel dagelijks vanuit Libië naar Tsjaad. Een plaats als Zouar werd ineens een belangrijk handelscentrum. Maar om de rebellen dwars te zitten heeft de Tsjadische regering de westelijke grens tussen Tsjaad en Libië voor handelaren gesloten. Alleen de oostelijke route, die wijd om Tibesti heen loopt, is nog in gebruik.

,,De korte economische opleving in Tibesti lijkt alweer voorbij'', zegt de Ngalmay Koleni, dorpschef van het 200 kilometer ten noorden van Zouar gelegen plaatsje Wour. Koleni houdt kantoor in een lemen gebouwtje in het centrum van het dorp. Hij klaagt dat er de laatste maanden aan van alles een gebrek is in Wour. ,,Vorig jaar rond deze tijd arriveerden er bijna dagelijks vrachtauto's met handelswaar. Maar nu zijn de winkels leeg. Ik heb zelfs geen benzine meer voor mijn auto.''

Wour is net zo'n dorpje als Zouar, schilderachtig gelegen aan de voet van het Tibesti-massief. Net als Zouar is Wour nog steeds in handen van het leger. Maar de soldaten zijn ernstig gedemotiveerd. Ze klagen dat ze geen sigaretten meer hebben. De bevoorrading door het leger laat al dagen op zich wachten. Doordat er geen vliegveld is in Wour moet alles per auto worden aangevoerd. En dat blijkt problematisch. De Tubu-rebellen hebben de gewoonte om de door Libië achtergelaten mijnen op te graven en op andere plaatsen weer neer te leggen. Op plekken die vrij waren van mijnen, blijken nu ineens wel explosieven te liggen. Verschillende legervoertuigen zijn de afgelopen weken op mijnen gereden.

Dorpschef Koleni is gedwongen samen te werken met de soldaten van het Tsjadische leger. Of hij aan de kant van het leger of aan de kant van de rebellen staat, laat hij in het midden. ,,Het belangrijkste is dat de situatie in Tibesti zich normaliseert, want het gaat hier hard de verkeerde kant op.''

Gelukkig voor de Tubu's verbouwen ze wat groente en hebben ze altijd nog hun geiten en kamelen. ,,De dieren zorgen voor melk en vlees'', zegt Kolenie. ,,Van de honger zullen we daardoor niet omkomen. Tubu's zijn het niet verleerd om sober te leven.''

Vanuit Wour is het ongeveer 700 kilometer naar Faya, de grootste stad in Noord-Tsjaad. De tocht gaat over uitgestrekte zandvlaktes en rotsachtige bergpistes. Het spoor is afgebakend met ijzeren palen die de chauffeur de weg wijzen. De tocht verloopt zonder veel problemen. Mijnen en aanvallen van rebellen blijven uit. Wel moet de auto diverse malen worden uitgegraven; ook four wheel drives hebben moeite met het terrein.

Na vier dagen hotsen en botsen onder de brandende zon doemen in de verte de eerste palmbomen van Faya op. Faya is het steunpunt van het Tsjadische leger in Noord-Tsjaad. Dagelijks arriveren op het lokale vliegveld militaire vliegtuigen uit de hoofdstad Ndjamena. De rebellen hebben weliswaar aangekondigd dat ze zullen oprukken naar het zuiden, maar in Faya is het vooralsnog kalm. Het dagelijks leven gaat er rustig zijn gang. Op de markt is van alles te koop. Faya is de enige plaats in Noord-Tsjaad waar bier te koop is. En het vindt gretig aftrek, vooral onder soldaten.

In hotel Emi Koussi, in het centrum van Faya, uit een lokale zakenman zijn zorg over het aanhoudende geweld. ,,Ik verwacht een langdurige strijd'', zegt hij. ,,President Deby wordt door iedereen gehaat. Maar de kans is klein dat Togoimi hem zal kunnen verslaan.'' De enige snelle oplossing is onderhandelen. Maar Togoimi heeft dat tot nu toe geweigerd. Hij benadrukt dat Deby niet te vertrouwen is. Diverse opstandelingenleiders die in het verleden onderhandelden met Deby zijn niet lang daarna onder duistere omstandigheden vermoord.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden