Review

Autobiografie van een innige lezer

Al meer dan zestig jaar schrijft Adriaan Morriën (1912) over literatuur. Hij begon ermee op verzoek van J. Greshoff, die hem in 1936 voor het Slauerhoff-herdenkingsnummer van Groot Nederland om een korte bijdrage vroeg. Morriën was in december 1935 gelijktijdig met enkele gedichten in Elseviers Maandschrift en een gedicht in Forum gedebuteerd. Wat Forum betreft op het nippertje, want het was het laatste nummer van dat tijdschrift.

Het stuk over Slauerhoff was het eerste van een reeks van ruim zeshonderd meer of minder omvangrijke recensies, beschouwingen, essays, necrologieën, nawoorden en wat dies meer zij, gewijd aan schrijvers en hun werk. Na de oorlog werd hij redacteur van achtereenvolgens Criterium, Libertinage en Tirade, aan welke tijdschriften hij bijdroeg. Als hoofdredacteur van Litterair Paspoort behartigde hij de wereldliteratuur. Van 1952 tot begin 1973 schreef hij recensies en artikelen voor Het Parool.

Dat is alles bij elkaar een indrukwekkend en tot op de dag van vandaag vitaal gebleven leven in en met de literatuur. Heel weinig van deze productie is in boekvorm verschenen, eigenlijk is alleen een veertigtal stukken over poëzie gebundeld in 'Concurreren met de sterren' (1959). Dat boek liet Morriën kennen als een scherpzinnig en gevoelig criticus en essayist, die in eerste instantie minder geïnteresseerd is in de vorm dan in de inhoud.

Zijn karakteristieken van dichters blijken dikwijls een schot in de roos te zijn geweest. Zijn analyse van het werk is altijd gericht op de persoonlijkheid die uit dat werk tot hem spreekt, wat dat aangaat sluit hij aan bij de Forum-traditie en zijn Ter Braak en Du Perron zijn grote voorbeelden.

In de poëzie van Slauerhoff, schreef hij in 1936, ,,vond ik voor het eerst een consequente, zonder omwegen tot verskunst geworden levenshouding''. Het stuk over Slauerhoff opent nu de tweedelige dundrukeditie van zijn verzameld kritisch proza, nuchter getiteld 'Brood op de plank'. Er staan heel wat stukken in die niet onder de noemer van het kritisch proza vallen, zodat we kunnen concluderen dat er alles onder verstaan wordt dat in beschouwelijke zin betrekking heeft op literatuur.

In 1959 constateert hij iets dat hem typeert en dat zijn literaire invalshoek verklaart: ,,Over het algemeen is mijn belangstelling voor romans, verhalen en gedichten, voor de zogenaamde creatieve literatuur, bekoeld ten gunste van mijn interesse in dagboeken, brieven en publicaties op andere gebieden dan die van de schone letteren. Een boek van Jean Rostand zegt mij meer dan het gros van de dichtbundels die ik onder ogen heb gehad. De sonnetten van Jacques Perk en Willem Kloos laten mij koud, maar het materiaal dat over hun leven en persoonlijkheid in de laatste jaren is verschenen, doet voor mij het verleden waarin hun werk was verzonken herleven.''

Hier staat met zoveel woorden dat ook in de literatuur voor deze criticus het leven, de levenshouding, de persoonlijkheid vooropstaat. In de Franse literatuur bespeurt hij een behoefte aan 'de complete mens', een behoefte die hij in de Nederlandse node mist. Hij komt er in het 'Nawoord' nog eens op terug, wanneer hij schrijft dat hij door dat vele lezen en kritiseren een kieskeurige lezer is geworden, die bij romans al heel snel weet of hij zijn lectuur wil vervolgen of niet:

,,Dat geldt in mindere mate voor autobiografische of egotistische geschriften, waarover in het algemeen zoveel kwaads is gezegd. Egotistische geschriften bevatten, wanneer de inhoud intrigerend of interessant is, een element van onvoorspelbaarheid, zodat je het boek, wanneer je het al niet in zijn geheel wilt lezen, in elk geval kunt doorbladeren, misschien wel de mooiste vorm van lezen. Dergelijke boeken kunnen je ook eerder met een schrijver of schrijfster vertrouwd maken.''

In de praktijk blijkt overigens helemaal niet dat de bespreking van literatuur moet wijken voor de bespreking van autobiografische en egotistische geschriften. De belangstelling daarvoor laat zien aan welke kant Morriën staat in het door Forum zo benadrukte dilemma van vorm of vent. Toen in de jaren zestig de close reading werd aangeprezen door het tijdschrift Merlyn keerde Morriën zich fel tegen deze, hem te veel naar academisme riekende interpretatie van de tekst, de tekst alleen. Hij beschouwde een roman of een gedicht als de uitdrukking van een levenshouding, hij wilde de schrijver door zijn werk nader leren kennen, zo maakt hij duidelijk in een polemiek rond Huug Kaleis' boek 'De schrijver binnenste buiten'. Kaleis is, en terecht meent Morriën, ,,niet alleen maar geïnteresseerd in de 'autonome wereld' van een boek, maar tegelijk in de grotere wereld waarvan de schrijver en zijn werk deel uitmaakt. De literatuur is voor hem een uitdaging, een middel tot zelfkennis, en een oefening in levenskunst. Daarin zet ook hij een lange humanistische traditie voort, die hem evenzeer dwingt tot nauwgezet lezen en herlezen.''

Ter toelichting van zijn bijzonder verfijnd ingerichte 'Algemeen register', dat 'Brood op de plank' op verschillende manieren toegankelijk maakt, karakteriseert Rob Molin dit boek heel juist als 'autobiografie van een lezer' en als een persoonlijk cultuur-historisch overzicht van de periode 1936 - 1999. Morriën heeft de vooroorlogse literaire situatie meegemaakt, hij heeft na de oorlog van heel dichtbij de opkomst van Hermans en Van het Reve beleefd, de richtingenstrijd, de Criterium-poëzie die de experimentele explosie over zich heen kreeg, de Zestigers van Barbarber en De Nieuwe Stijl. Hij kan bogen op een geruchtmakende brouille met Hermans. Hij heeft Vroman vanaf het begin gevolgd en is gaandeweg steeds meer bezwaren gaan voelen. Hij heeft veel, en veel goeds over Vasalis geschreven, maar ook over de 'Minnebrieven' van Multatuli, over Kafka, over Léautaud, Pierre Kemp, Vestdijk en ga maar door. Er is geen beginnen aan om een indruk te geven van de veelheid aan indrukken die men uit een boek als dit opdoet.

Opvallend is de rekkelijkheid waarmee de literatuur hier tegemoet wordt getreden. Morriën kan veel aan en is altijd geneigd het boek te beoordelen naar de maatstaven die het zichzelf stelt. Hij is een inlevende belezen lezer, die bovendien zuiver en onpathetisch kan schrijven, op een toon die zich door de jaren heen nauwelijks wijzigt. Maar een enkele keer valt hij hard uit - naar de mens Hermans, in de bekende brochure 'De gruwelkamer van W. F. Hermans of Ik moet altijd gelijk hebben' (1955), naar Muus Jacobse die zichzelf voor de bundel 'Vuur en wind' de Van der Hoogtprijs bezorgde, en naar Ida Gerhardt wier bundel 'Het veerhuis' hem irriteerde. De bezwaren tegen Vromans latere poëzie werkt hij uit in een dialoog.

Lezen beschouwt hij als ,,het innigste contact dat er tussen mensen bestaat'': ,,een enkele goed gekozen en met de volle inzet van de persoonlijkheid geschreven regel uit een boek kan ons tot een ander mens maken''. Zijn hele leven is Morriën, weliswaar om den brode, maar met niet minder plezier, doende geweest met het op schrift stellen van zijn intieme ontmoetingen met schrijvers, in hun werk. Dat het gros van zijn zogenoemde kritisch proza nu gebundeld is, is een daad van rechtvaardigheid en een hommage aan deze weinig bekende kant van zijn schrijverspersoonlijkheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden