Auto kan niet zomaar grondrecht worden

Het verheffen van een ideaal in de adelstand van het grondrecht, zoals het VVD-kamerlid Niederer wil, gaat niet zomaar. Niederer wil dat iedereen in een auto moet kunnen rijden. Maar als het een grondrecht wordt, mag het parlement de mobiliteit niet meer intomen. Kan Niederer uitleggen waarom hij het parlement buitenspel wil zetten?

Automobiliteit

Menig VVD-lid die denkt dat onder Frits Bolkestein de VVD haar imago van een Suske en Wiske-lezende partij (zowel leiding en electoraat) van zich heeft afgeschud, zal het optreden van kamerlid Niederer met angst en beven hebben gadegeslagen. Wat aan zijn pleidooi voor automobiliteit zo'n onheilspellende dimensie geeft is dat hiermee de VVD 'voor het eerst een diepere politiek-filosofische lading aan haar pleidooi voor méér wegen' geeft (Trouw, 6 november).

Juist dát maakt het zo gevaarlijk: Niederer heeft geen platte 'blij-dat-ik-rij'-filosofie maar houdt een pleidooi voor de erkenning van een nieuw sociaal grondrecht. En wat daar dan nog tot overmaat van ramp bijkomt, is dat het nog niet eens zo gemakkelijk te weerleggen is wat Niederer aanvoert.

Spontaan komen ten aanzien van Niederers verhaal natuurlijk bedenkingen op als de volgende.

Allereerst: zijn recht op mobiliteit - wat overigens ten onrechte geruisloos overgaat in een recht op automobiliteit - is te plat, te triviaal om als een grondrecht te mogen gelden. Recht op vrijheid van meningsuiting, op cultuur, op informatie - dat zijn de meer verheven waarden waarop je als overheid een grondrecht moet vestigen. Maar niet op zoiets plats als de wens om in je Opel het land te kunnen doorscheuren.

Daar zit iets mis, maar het antwoord van Niederer is natuurlijk ook snel bedacht. Hij zal zeggen: ,,Dat zegt ú, maar de overgrote meerderheid van de mensen wier opvattingen ik vertolk hebben helemaal geen boodschap aan uw verheven meningsuitingen, informatie en cultuur. Wij hebben maar één mening: wij willen in onze auto blijven rondrijden en niet paternalistisch door de overheid daaruit worden gejaagd om te kunnen genieten van die cultuurgoederen waarom wij niet hebben gevraagd''. 1-0 voor Niederer.

Een tweede bezwaar dat zich opdringt tegen Niederers pleidooi is dat zijn recht alleen de belangen van de autobezitters dient en niet van de mensen die, zoals ik, de trein nemen. Een recht kan alleen maar een grondrecht zijn, wanneer iedereen daarvan de vruchten kan plukken. Een grondrecht dat wezenlijk discriminatoir is, weerlegt zichzelf.

Maar, zo zal natuurlijk het antwoord van onze advocaat van automobiliteit luiden: ,,Het belang van een recht op informatie of een recht om een mening te uiten, werkt veel sterker discriminatoir dan mijn recht op automobiliteit. Automobiliteit is een wens van velen, het recht op informatie is er slechts voor de happy few, voor de highbrows, de academici - het pleidooi daarvoor is ook een typische academische aangelegenheid''. 2-0 voor Niederer.

Een derde invalshoek waaronder we Niederers idee kunnen kritiseren, is dat we, zoals de redacteur van Trouw die hem interviewde al deed, stellen: ,,Jouw recht op automobiliteit kan geen grondrecht zijn, want het botst met de rechten van anderen, zoals een recht op schone lucht, op gezondheid, op ruimte, rust, stilte, veiligheid, privacy desnoods''.

Maar ook daarvan zal Niederer niet erg onder de indruk zijn, denk ik, want die bal kaatst hij gewoon terug. Het recht op vrijheid van meningsuiting botst óók met de godsdienstvrijheid, zoals we in de recente cases Van der List en Leen van Dijke hebben gezien (discriminatie van homo's versus vrijheid van meningsuiting). Grondrechten botsen heel vaak met andere grondrechten. Tja, dat betekent dat het volgens mij nu al 3-0 voor Niederer is. Moeten wij wanhopen aan de goede afloop van deze denkexercitie?

Nee, want de zwakke plek in zijn argumentatie leggen we naar mijn idee (vierde argument) pas hiermee bloot: ,,Als u, Niederer, meer auto's in het land wilt faciliteren, dan moeten we daar maar eens een geduchte discussie over voeren in het parlement. Dáár moet die discussie gevoerd worden. Een recht op automobiliteit erkennen, betekent de discussie vanuit het parlement overhevelen naar de raadkamer van de rechter. En dat zadelt de rechter alleen maar op met hoogst heikele politieke kwesties en zet ons als burgers buiten spel''.

Tegen het invoeren van nieuwe categorieën grondrechten is veel aan te voeren. Het verheffen van een bepaald ideaal in de adelstand van het grondrecht beteken dat we daarover een rechter en niet de volksvertegenwoordiging het laatste woord geven. Dat kan nodig zijn, maar daarvoor moeten zeer zwaarwegende argumenten worden aangevoerd. Niederer zal dus moeten aanvoeren dat het rijden met die auto's zo belangrijk is, dat een democratische discussie daarover niet gevoerd mag of moet worden. En dat lijkt mij onjuist. Laten treinreizigers, milieubeschermers, liefhebbers van de stilte elkaar in het parlement bestrijden en de uitkomst daarvan is dan normerend voor de komende tijd.

Aan nieuwe grondrechten hebben we geen behoefte. Geen recht op culturele identiteit, geen recht op informatie, maar ook geen recht op automobiliteit. 3-1 Voor Niederer? Nee, in het licht van dit superdoelpunt, door mij wel te verstaan, tellen de zijne niet.

Paul Cliteur is bijzonder hoogleraar filosofie in Delft en universitair hoofddocent Encyclopedie van de rechtswetenschap in Leiden

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden