AUSCHWITZ HET GEWETEN OOG-IN-OOG MET ONZE AFGROND

Op 27 januari 1945 bereikten Sovjet-troepen de concentratiekampen van Auschwitz. Van een 'bevrijding' was geen sprake - de nazi's waren gevlucht, er waren daar inmiddels anderhalf miljoen mensen vermoord. Auschwitz is nooit bevrijd: het is een blijvend symbool van de systematische uitroeiing van miljoenen Joden en anderen. Het is een voortdurende last. Daarover gaat deze bijlage.

Het is onmogelijk de vragen in hun algemeenheid te beantwoorden. Daarom zijn de auteurs van dit artikel, die beiden tegen de vijftig lopen, bij zichzelf te rade gegaan wat Auschwitz in de loop der jaren bij hen heeft losgemaakt. Het ging, althans bij hen, in fasen. Zo ademen de vroegste herinneringen de geest van een nachtmerrie. In de eerste naoorlogse jaren waren er van die op slecht papier gedrukte boekjes, waarin de verschrikkingen werden geopenbaard. Foto's van uitgemergelde figuren in boevepakken. Foto's ook van stapels lijken. Het was onvoorstelbaar, gruwelijk. Zo gruwelijk dat die boekjes na verloop van enkele jaren ver achter in een kast verdwenen.

Het waren immers vooral de jaren van de opbouw, het hervinden van het nationale zelfvertrouwen, het verwerven van nieuwe welvaart. Over de oorlog werd nauwelijks serieus gepraat, anders dan in vermanende woorden als: eet die boterham nu maar op en bedenk dat in de oorlog men er een moord voor zou hebben gedaan. Op school kwam de geschiedenisles er niet aan toe. Tijdgebrek, luidde het excuus. Maar aan alles kon je merken dat de leraar er ook niet veel trek in had.

Zo opende de afgrond, die Auschwitz vertegenwoordigde, zich sporadisch. Een nachtmerrie. Je bespeurde er iets van als je fluisterend te horen kreeg: die leraar Engels heeft nog aan het Burma-spoor gewerkt en die lerares, dat is een Jodin. Zij heeft in een kamp gezeten. Nota bene, een lerares Duits, die zonder een spier te vertrekken de moed kon opbrengen ons in te wijden in de schoonheid van de taal van Schiller en Goethe, met vermoedelijk het gesnauw van haar kampbeulen nog in het hoofd.

Eigenlijk drong die hele oorlog pas weer goed tot je door met het debat over de in Breda gevangen oorlogsmisdadigers. Een beverige minister van justitie Van Agt vond het voortduren van hun gevangenhouding onmenselijk en in strijd met ieder rechtsprincipe en ofschoon hij met die stelling gelijk had, moest ook hij zich neerleggen bij de golf van emotie die Nederland ineens overspoelde. Jarenlang had men gezwegen, maar in die weken openbaarde zich publiekelijk de afgrond.

Het is ondoenlijk in kaart te brengen wat dit debat heeft losgemaakt. Eén aspect daarvan verdient de aandacht. De discussie over God na Auschwitz, die al eerder was begonnen, maar nu breder aan de orde kwam. Niet dat dit tot enige zinnige conclusie leidde, of zelfs maar zou kunnen leiden, want hoe zou een mens ooit het idee van een Almachtige God en van de menselijke vrijheid met elkaar kunnen rijmen? Want zou God wel hebben ingegrepen, zoals kennelijk van Hem verwacht werd, dan zou er van een vrij mens geen sprake meer zijn. Het belang van deze discussie was veeleer een begin van bewustwording dat de ramp niet zomaar op conto van de Duitsers geschreven kon worden. Je kon honderd keer volhouden dat het beesten waren, vertegenwoordigers van het kwaad, maar dat laat onverlet dat mensen zoals wij zich tot dit kwaad hadden laten verleiden. En omdat we die vraag kennelijk niet vanuit de mens of het menselijke konden beantwoorden, kwam men vanzelf bij God uit.

Maar als we niet bij God aan mogen kloppen, is het de mens dan wel gegeven dit soort rampen te voorkomen? Kunnen we echt tegen elkaar zeggen: natuurlijk, de wereld van vandaag is verre van volmaakt, maar zoiets, dat zullen wij elkaar niet meer aandoen en al helemaal niet hier in het Westen?

Enkele jaren geleden speelde de affaire rond het toneelstuk van Fassbinder, 'De Stad, het Vuil en de Dood', dat althans door de Joodse jeugd als antisemitisch werd beschouwd en die daarom de opvoering ervan verhinderde door massaal het podium van het Rotterdamse theater te bezetten. Het inspireerde rabbijn Lody B. van de Kamp in zijn column in het Nieuw Israëlitisch Weekblad de Joodse gemeenschap in overweging te geven 'te kijken hoe de koffers erbij staan'. Ofschoon hij de zaak niet wil overdrijven, is Van de Kamp er sindsdien niet vrolijker op geworden.

In een recent gepubliceerde briefwisseling met de journalist Dick Houwaart schrijft hij: “Ook wanneer vandaag voor de Joodse gemeenschap in Nederland de zon schijnt, dan betekent het geenszins dat het altijd zo zal blijven. De diepgewortelde anti-sentimenten, het zo latent aanwezige kerkelijk anti-judaïsme en de typisch Nederlandse kleinburgerlijke onverschilligheid ten opzichte van die 'ander' worden op dit moment nog keurig in bedwang gehouden door een stukje historisch besef en door de gelukkig nog steeds aanwezige fatsoensnormen; antisemitisme is niet netjes. Daarnaast bieden de 'parlementaire democratie' en de 'rechtsstaat' een behoorlijke bescherming. Maar, en dat is de grote vraag, voor hoelang? Hoe sterk is zo'n democratie?”

Voor Van de Kamps sombere overpeinzingen was op zijn minst aanleiding. Niet alleen verschenen sinds het Fassbinder-incident in Nederland de hakenkruisen weer op straat, ook werd het in sommige kringen bon ton de antisemitisch getinte columns van iemand als Theo van Gogh te of goed te praten in naam van de hooggeprezen vrijheid van meningsuiting. De journalist Hofland concludeerde in NRC/Handelsblad: “Het heeft allemaal zijn verontschuldigingen, het moet allemaal vanuit een 'andere context' worden begrepen, maar als we de moeite nemen het panorama te overzien, kunnen we tot maar één conclusie komen: het is gericht tegen de Joden. Zij zijn de enigen, die voortdurend worden genoemd'. En van die constatering schrok de Joodse journalist Houwaart.

In genoemde briefwisseling noteert Houwaart: “Geachte rabbijn Van de Kamp, ik ben niet zo erg bang uitgevallen, maar toen mijn zeer bejaarde moeder mij opbelde, naar aanleiding van enkele 'incidenten', en zei: ik wil het niet nog eens meemaken, ik hoef niet verder meer te leven, toen, rabbijn Van de Kamp, knapte er iets bij mij. Ik dacht: dat kan toch niet waar zijn? Het gebeurt toch niet weer?”

Houwaart houdt het op een vraagteken en voegt er zelfs strijdvaardig één aan toe: “Waarom zouden we op de loop gaan voor incidenten?” Ja, waarom eigenlijk? Trouwens, waar zou Houwaart in Europa naar toe moeten lopen?

Oud-burgemeester en -minister Ed van Thijn zou het in ieder geval zo gauw niet weten. In de eerste Van Randwijk-lezing, die hij in oktober 1993 hield, constateert hij dat sinds de val van de Berlijnse muur (en waarschijnlijk al - onzichtbaar - daarvoor) “de politiek elke greep op de loop der geschiedenis verloren lijkt te hebben, hoe bedrijvig men ook bezig is”. Hij is het eens met Marek Edelman, een van de leiders in het getto van Warschau, die zei dat Hitler posthuum de overwinning heeft behaald en met de Franse filosoof Finkelkraut die het 'nooit meer Auschwitz' onmogelijk als stelling durft vol te houden.

Van Thijn: “Er woedt een totale oorlog op het Europese continent, compleet met rassenhaat, veroveringsdrift en cultuurvernietiging. En de wereld staat erbij en kijkt ernaar. Men maakt, om met Finkelkraut te spreken, een onderscheid tussen menselijk leed en vitale belangen en kiest het laatste, en daar is hij terecht des duivels om. Want het noodlot van de Joden kon zich destijds jaren achtereen voltrekken 'in de luwte van de toenmalige tijdgeest'. Het leed van de Joden raakte, aldus Van Thijn, de vitale belangen van mensen niet, zoals thans de strijd in Bosnië onze vitale belangen niet raakt. Zijn conclusie en tevens een variant op een uitspraak van Van Randwijk toen deze verzetsstrijder in 1965 de balans opmaakte: “Drie maal oorlog, niets geleerd.”

Vergelijkingen van Bosnië met Auschwitz zijn hachelijk en een miskenning van wat er echt in Auschwitz is gebeurd. Maar als Auschwitz met niets is te vergelijken, zou het iets moeten zijn dat 'niet van de mens' is. En daarmee komen we toch weer bij God uit, zoals ook uit de eerdergenoemde briefwisseling blijkt. Houwaart schrijft: “We kennen de sociale, maatschappelijke en economische omstandigheden, die kunnen leiden tot afgunst of haat. We kennen de afgunst van de christenen, die maar niet begrijpen dat Joden vasthouden aan God zonder in hun messias te geloven. We ervaren de haat en afgunst van volkeren en mensen louter en alleen om de morele dimensies die het Jodendom kent en uitdraagt”. Maar dat dat alles tot zo'n massamoord moest leiden, begrijpt hij niet. Hij besluit daarom aldus: “God als U het antwoord weet op mijn verdriet en op dat van alle Joden van alle eeuwen, die zijn vermoord, waarom geeft U het niet? Bent u zo wreed dat U Uw gelovigen in de kou laat staan? Ik geloof in U, want ik vraag U wat. Geef dan antwoord. Zwijg niet langer. Geef antwoord! Ik sommeer U”.

Het is de vraag of Houwaart niet te vroeg bij God uitkomt. Het zou ook goed kunnen zijn dat het motief van het kwaad banaler is dan hij denkt. Op dat spoor zat in ieder geval de Joodse filosofe Hannah Ahrendt, die het proces tegen Adolf Eichmann in 1962 had bijgewoond en die haar bevindingen noteerde in 'Eichmann in Jerusalem; a report on the banality of evil'. Zij concludeerde dat Eichmann de personificatie was van de 'Schreibtischmörder', de ambtenaar die in willoze gehoorzaamheid de verwerpelijkheid van zijn daden niet zag en niet beschikte over enig besef van goed en kwaad; zijn geweten had hem niet voor zijn daden behoed. Erger nog, de burgerlijk-christelijke ethiek waarmee hij was opgevoed, had hem doen gehoorzamen.

“De perfecte bureaucraat”, noemde Simon Wiesenthal hem in een interview met Trouw in mei 1982, “iemand zonder ziel, iemand die ze als mens hadden aangekleed, zonder karakter. Eichmann was het typische produkt van een dictatuur, een man die de kleedkaner binnengaat, een uniform krijgt en tegelijk zijn geweten achterlaat. Dat geldt voor elke dictatuur, een dictatuur kan niet zonder bureaucraten die de bevelen uitvoeren. Hij was de perfecte bureaucraat. Iedereen was destijds verbluft toen ik zei dat hij niet eens zo'n geheide antisemiet was. Hij was een willoos werktuig. Hij was antisemiet in zoverre hij dat voor zijn functioneren nodig had. Als hem bevolen was alle roodharigen uit te roeien, had hij dat gedaan. Als iedereen met de beginletter K gedood had moeten worden, had hij dat ook gedaan. Dan was hij anti-K geweest.”

En van die Eichmannen waren er vele honderdduizenden, die met grote inzet op verschillende plaatsen en in verschillende functies hun werk deden. Als kleine raderen in een grote machine. En niets meer dan hun werk. En de overgrote meerderheid delegeerde inderdaad zijn scrupules naar anderen, naar hen die de uiteindelijke en daadwerkelijke moord pleegden.

Het valt niet mee het kwaad tot banale proporties te herleiden, want daarmee komt het tegelijk ook angstwekkend dichtbij. In Hollands Maandblad (1994-II) laat Jeroen Koch zien dat het impliceert dat er kennelijk mensen zijn die ondanks onze christelijk-burgerlijke cultuur nauwelijks over een geweten beschikken en dat we dus zware eisen dienen te stellen aan politieke inrichting van onze samenleving. Zo niet dan zou zich ieder moment weer een 'ramp' kunnen voordoen.

De mens is kennelijk zo weinig vrij, beschikt over zo weinig geweten en gevoel voor verantwoordelijkheid dat hij nog steeds gevoelig is voor het platte Befehl ist befehl.

En dan komen we weer in de buurt van Bosnië. In november 1992, kort nadat de praktijk van etnische zuiveringen bekend was geworden, drukte de New York Times een relaas af van één gevangengenomen Servisch-Bosnische soldaat, Borislav Herak. Hij bekent mee te hebben gedaan aan genocide, massamoord, verkrachting en plundering en beschreef zijn wandaden tot in de schokkendste details. Zijn verweer: “Het was een bevel. Ik deed alleen wat me was opgedragen”. En dat terwijl zijn zuster getrouwd is met een moslim en hij zegt van hun dochtertje 'meer te houden dan van wie ook ter wereld'. Maar Boro Herak heeft, nadat hij zich eind mei bij de Servische troepen had aangemeld 'een ander beeld gekregen van de moslims'. Hij leerde dat de moslims een islamitische staat willen stichten. En ten slotte bood de oorlog Herak een kans de beschikking te krijgen over vrouwen, geld en andere buit. Inderdaad, heel banaal allemaal. Maar daarom levensgevaarlijk.

Kunnen wij, om met rabbijn Van der Kamp te spreken, vertrouwen op de democratie? De vraag werpt ons terug op onszelf. Hoe met deze banaliteit, met dit kwaad in onszelf om te gaan en zo te pogen het vraagteken achter het 'nooit meer' van Auschwitz terug te brengen tot een uitroepteken?

De journalist W.L. Brugsma schrijft in zijn 'Vrede is het alleen in de pauze' (1993) hoe hij na te zijn bevrijd met lotgenoten in een bus reed waar ze op hadden geschilderd: 'Tanks (zonder h) to the Yanks. Back from Dachau concentration camp'. Er zat ook een Duitse vrouw in de bus. Brugsma vervolgt: “De vrouw bekeek het opschrift en zei: 'Krieg ist schrecklich.' Zij vertelde dat haar achttienjarige zoon aan het Oostfront was gesneuveld. Toen zei ik: Dat is het eerste leuke nieuws dat ik in het afgelopen jaar in Duitsland heb gehoord.”

Verderop schrijft hij, mede naar aanleiding van de anti-Duitse gevoelens in Nederland: “Als ik daaraan denk, draait mijn maag zich nog om; schande en schaamte. Maar ja, ik was pas twintig (...) Het was al stupide om anti-Joods te zijn. Het is niet minder stupide om anti-Duits te zijn”. Brugsma heeft in het kamp ervaren wat een mens, hetzij beul, hetzij slachtoffer, in diepste wezen is: erger dan een roofdier.

Wij zijn zelf die afgrond. De Heidelberger cathechismus heeft de mens al eeuwen geleden voorgehouden: de mens is van nature geneigd tot alle kwaad, De meeste mensen en zeker orthodoxe christenen zijn geneigd achter deze zin een punt te zetten. Er staat echter een komma achter, gevolgd door 'tenzij hij wederom geboren worde'. W. L. Brugsma zou gewoon zeggen: De mens is een èn-èn wezen, niet goed of slecht maar goed en slecht. Zittend in de stront en starend naar de hemel. Vandaar Auschwitz met zowel een vraagteken als een uitroepteken. Tussen die twee zullen we voortdurend heen en weer geslingerd worden. Het vraagteken is de erkenning dat we de afgrond vooral in onszelf moeten zoeken. Het uitroepteken staat voor de hoop die we mogen putten uit de wetenschap dat er ook enig zicht bestaat op de hemel boven ons.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden