Augustinus vindt geen rust in God

Filosofe Renée van Riessen keek toe hoe vijf filosofen het werk van kerkvader Augustinus lazen. Achter de letterlijke woorden van Augustinus is te ontdekken dat alles weer anders is. Rust is onrust, bijvoorbeeld.

’Tolle, lege!’ hoort Aurelius Augustinus (354-430) als hij op tweeëndertigjarige leeftijd onder een vijgenboom wanhopig tot God ligt te bidden. ’Tolle lege!’ hoort hij nog een keer, ’Neem en lees.’ Hij beschouwt de woorden als een Godsbevel, staat op en leest de eerste bijbelpassage die hij tegenkomt. Het is Romeinen 13: 13-14, waarin de mens wordt opgeroepen zich kuis te gedragen en sober te leven. Verder lezen was niet nodig: al zijn twijfel was onmiddellijk verdwenen.

Deze anekdote over Augustinus is tekenend voor hem: een onrustige levensgenieter, die zich bij toverslag bekeert tot God, nooit meer twijfelt, en later de eerste autobiografie uit de literatuurgeschiedenis schrijft. Daarin spreekt hij meteen in de openingsalinea beroemde woorden uit: ’rusteloos blijft ons hart totdat het zijn rust vindt in u’. Augustinus wordt een groot prediker, een beroemd kerkvader en een geliefd schrijver voor theologen.

Minder bekend is dat Augustinus een filosoof was, die nog steeds door filosofen bestudeerd wordt. Uit het boek ’Augustinus; modern en postmodern gelezen’ komt naar voren dat ondanks verschillende motieven van moderne filosofen om Augustinus te herlezen er ook een overeenkomst is: zij herkennen in Augustinus iets van zichzelf.

De filosoof en dichter Renée van Riessen redigeerde het boek en schreef de inleiding. Ook zij zegt het meest geraakt te worden door de verbinding van het filosofische en het persoonlijke in Augustinus’ teksten. „Hij verrast telkens weer, en dat komt doordat hij veel van zijn gedachten toetst aan zijn eigen leven.”

Uit de titel blijkt al dat het Van Riessen en de andere schrijvers gaat om moderne én postmoderne filosofen. „Er is vaak verwarring over de begrippen modern en postmodern”, zegt Van Riessen. „Toch kun je aan de manier waarop de denkers uit ons boek Augustinus lezen goed het verschil laten zien. Moderne denkers als Martin Heidegger en Karl Jaspers nemen Augustinus op zijn woord, ze zien hem als discussiepartner, met wie ze het soms grondig oneens zijn. Postmoderne denkers als Jean François Lyotard en Jacques Derrida gaan anders te werk. Zij lezen Augustinus tegen de haren in. Ze zoeken in zijn werk naar wat hij níet zegt, maar misschien wel had willen zeggen.”

Leggen hem woorden in de mond.

„Dat gaat me te ver. Neem Lyotard. Hij schrijft over een veel geciteerde passage uit de Belijdenissen. ’Gij roept, gij schreeuwt, gij hebt mijn doofheid doorbroken. Gij schittert, gij blinkt, gij hebt mijn blindheid verdreven. Gij verspreidt uw geur, in ben ervan doordrongen en ik hijg naar u. Ik heb u in mijn mond geproefd, zie mij: uitgehongerd, uitgedroogd. Gij raakt me aan op mijn huid en ik brand van geestdrift voor uw vrede’.”

Een vurig stuk.

„Vurig en prachtig. Maar, zegt Lyotard terecht, deze passage past niet bij de zogenaamd beschouwelijke Augustinus, die onrustig was totdat hij ’zijn rust vindt in u’. Dit is een verslag, een gedicht dat vertelt hoe God hem heeft bezocht en hoe hij sindsdien in vuur en vlam staat. Augustinus heeft Gods nabijheid lichamelijk ervaren. Deze man, zegt Lyotard, is zijn lichaam niet kwijtgeraakt. Juist in de ervaring van God komt het lichaam terug; de taal is een taal die verslag doet van een mystiek bezoek, van een prikkeling van het lichaam in alle openingen: ogen, oren, neus, huid, en mond.

Door Lyotard werd Augustinus voor mij interessanter en menselijker. Augustinus begint wel met te zeggen dat zijn hart rust vindt in God, maar als je tussen de regels door leest, dan valt op dat zijn hart door God juist buitengewoon onrustig wordt. Net als vroeger toen hij onrustig werd van verlangen naar zijn vrienden en vriendinnen.”

Vindt Augustinus bij de andere denkers uit jullie boek wel rust?

„Niet echt. Martin Heidegger bekritiseert Augustinus’ denken over het verlangen en ontzegt hem dan in feite het recht op die rust. En dat doet hij op een vernieuwende manier. Augustinus lijkt zijn verlangen namelijk te richten op een God die zo bestaat dat hij constant aanwezig en beschikbaar is.”

Wat is dan precies Heideggers kritiek?

„Heidegger laat zien dat die gedachte past bij een Platonisch wereldbeeld, waarin het schouwen van de Eeuwige Ideeën het hoogste stadium van het intellectuele leven is. Bij Augustinus krijgt God soms de trekken van zo’n onveranderlijke idee. En dat is de kritiek van Heidegger: Augustinus verlegt daarmee het accent te veel van het tijdelijke naar de eeuwigheid. Dat kan leiden tot een onderwaardering van het tijdelijke leven. De liefde voor de wereld komt dan tekort.

Die onderwaardering zie je duidelijk in de manier waarop Augustinus over verlangen schrijft. Juist vanuit een persoonlijke herkenning van de intensiteit en de verwarring van het verlangen vraagt hij zich telkens af waar je je verlangen en je liefde het beste op kunt richten. Hij denkt dan als iemand die goed wil investeren. Als je je liefde en verlangen te eenzijdig richt op één sterfelijk iets, je enige kind bijvoorbeeld, kun je daarin teleurgesteld worden. Augustinus betwijfelt of het verstandig is je verlangen te richten op iets dat tijdelijk is, en zo op een kaart te wedden die ineens verdwenen kan zijn.”

Alles is toch tijdelijk?

„Die vraag verraadt jouw geheel andere wereldbeeld. Bij Augustinus was zeker niet alles tijdelijk. Hij geeft zelf een prachtig voorbeeld uit de sfeer van de vriendschap. In het vierde boek van de Belijdenissen vertelt hij hoe hij na de dood van een goede vriend wegzonk in een peilloos verdriet. Waarom was ik toen zo ontroostbaar? vraagt hij zich later af. En dan ontdekt hij dat hij te veel gehangen heeft aan de tijdelijke, lijfelijke verschijning van zijn vriend, terwijl hij iets anders had moeten liefhebben: het onvergankelijke in hem.”

Wat is dat? Waar denkt hij dan aan?

„Dat is nu moeilijk te begrijpen, maar Augustinus bedoelt dat hij zijn vriend had moeten liefhebben ’in God’. Je moet, zegt hij, proberen je verlangen in een ander licht te zien. Het tijdelijke moet je liefhebben omwille van de eeuwigheid, in het licht van de relatie tot God.

Ik denk dat Heidegger en Lyotard gelijk hebben met hun kritiek op Augustinus vanwege zijn hang het verlangen veilig te stellen. Zij beschouwen dat eerder als een erfenis van Plato en zeggen dat je daarmee zowel God als de liefde tekortdoet. Heidegger stelt de vraag of je God niet anders zou kunnen denken. Brengt het ons niet verder als we ons verlangen richten op iets dat nog moet komen, in plaats van op iets dat er al is?”

Wat is het verschil?

„Als je je verlangen richt op iets dat je kent, dan vul je dat verlangen zelf in. Je bent onrustig, je verlangt rust die je wilt vinden bij God. Richt je je verlangen op iets dat nog komen moet, dan laat je je behoeftestructuur los. Die behoeftestructuur houdt ons, ons verlangen, en hetgeen we verlangen in een greep.

Maar als je God kunt vrijlaten, als Hij niet meer hoeft te voldoen aan jouw verlangen naar hem, aan jouw behoefte aan zekerheid en rust, dan kan hij zich openbaren.

Heidegger zegt dat je liefde en verlangen daarom beter kunt zien als een loslaten van die greep. Hij verwijst dan naar het woord ’mogen’. ’Ik mag je graag’ – dat zeggen we immers? Je mag zijn wie je bent – dat betekent liefde.”

Wat gebeurt er dan met God?

„Die verandert van een Eeuwige Waarheid in een God die komt. En dat is een God die menselijker is, omdat hij iets met de tijd doet. Hij ís niet, maar wordt verwacht, er wordt Hem dringend iets gevraagd. Zoals in het gedicht ’Graf te Blauwhuis’ van Gerard Reve. Dat brengt de dood ter sprake, van een buurjongen. In de eerste strofe is er een tegenstelling: een kind dat niet aan zijn dood ontkomt en een strijdbaar opschrift, dat van alles roept.

In de tweede strofe keert Reve zich tot God. Daar spelen twee opvattingen over God. Eerst wordt het beeld van een Eeuwige aangeroepen, maar ook geïroniseerd: „Gij, die Koning zijt, dit en dat, wat niet al, ja ja, kom er/ eens om.” Hij is Koning, en hij is meer dan wij ons kunnen voorstellen. In de laatste regel kom ik de opvatting van Heidegger tegen: „Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?”

Dat is een van de meest geciteerde regels uit de hedendaagse poëzie.

„Niet voor niets, want deze vraag raakt ons direct. Reve probeert niet in de gestorven buurjongen het Eeuwige te zien. Het sterven roept eerder allerlei vragen wakker: wie is God dan? Wat betekenen zijn dure namen? Hij vraagt naar een God die zich nog moet laten zien. Deze God, zegt Heidegger, is geen bestaand object maar iets dat in de toekomst moet verschijnen.”

Hopen we.

„Ja, en die hoop lees ik ook in die laatste regel van Reve: wordt dat Koninkrijk nog wat? Kómt het nog een keer?”

Ontbreekt die hoop bij Augustinus?

„Wel als je hem traditioneel leest, in de lijn van een christendom dat door het platonisme van de eeuwige waarheden is geïnspireerd. Op een eeuwige waarheid hoef je niet te hopen, die moet je alleen maar leren zien. Vandaar het belang van schouwen in de platoonse filosofie. Heidegger en Lyotard komen bij Augustinus een andere onderstroom op het spoor die dichter bij het geloof van de psalmen staat.

Augustinus citeert ook vaak uit psalm 42: ’waarom zijt gij bedroefd, mijn ziel, en waarom verontrust gij mij? Hoop op de Heer!’ Niet toevallig, want deze psalm bevat motieven die in de ’Belijdenissen’ voortdurend terugkomen: het onrustige hart, de innerlijke verontrusting, de ervaring dat je jezelf niet begrijpt, dat je voor jezelf een raadsel bent. Ten overstaan van God wordt dat raadsel niet ineens opgelost. Erger nog, de confrontatie met God maakt het raadsel alleen maar groter. Maar hoop is voor Augustinus zoiets als: het vertrouwen dat je uiteindelijk met dat raadsel van je eigen onrust niet alleen gelaten wordt. In de duisternis gloort een sprankje hoop, en daar houdt de ziel zich aan vast. Als hij die dingen schrijft, redeneert Augustinus niet langer in de lijn van Plato. Dan is hij een gelovige die verwantschap toont met de psalmdichter, en met onze Gerard Kornelis van het Reve.”

Renée van Riessen is dichter, zij doceert filosofie aan de Protestantse Theologische Universiteit en aan ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten. Ze redigeerde ’Augustinus; modern en postmodern gelezen. Vijf filosofische interpretaties’. Damon, Budel. ISBN 9789055739622. 142 blz. euro17,90

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden