Audi zette festival weer op de kaart

Met zijn grootse, elitaire kunstvertoon heeft het Holland Festival van artistiek leider Pierre Audi bestaansrecht in een land dat steeds verder ’vermusicalt’.

Zo grimmig als het Holland Festival op 29 mei begon met de gevangenisopera ’Uit een dodenhuis’ van Leos Janácek, zo onbekommerd eindigde het zondagavond met het operarecital van diva Edita Gruberova. Na alle serieuze nationale en internationale topkunst – dit jaar gevangen onder de noemers ’Onderdrukking en Medeleven’ – mocht tijdens het slotconcert het dak er ’serieus’ af. Want het was per slot van rekening ook feest: het Holland Festival werd 60 jaar. Deze jubileum-editie werd door ruim 70.000 mensen bezocht; 23 van de 92 voorstellingen waren uitverkocht.

Vocale serpentines en confetti dus met Gruberova, maar feest was het ook al op de openingsavond. Het hoge niveau van ’Uit een dodenhuis’, geregisseerd door Patrice Chéreau en gedirigeerd door Pierre Boulez, gaf het Festival een droomstart. De superieure voorstelling, die anders niet te zien zou zijn geweest in Nederland, maakte ook meteen het bestaansrecht van het Holland Festival duidelijk – en daar is in de afgelopen jaren nogal eens heftig aan getwijfeld.

Vooral in de jaren dat Pierre Audi’s voorganger Ivo van Hove festivaldirecteur was, werd er aan de noodzaak van het Holland Festival steeds meer getwijfeld. Het was immers het hele seizoen door al festival in Amsterdam, was een veelgehoorde kritiek. Van Hove moest overigens met veel minder geld een festival programmeren dan Audi nu, én hij had de taak om vooral internationaal theater naar hier te halen. Daardoor kwamen opera en muziek – al die jaren sinds 1947 speerpunten in het Holland Festival – in de verdomhoek terecht.

Sinds Audi artistiek directeur van het Holland Festival werd – dit was zijn derde editie – is er een nieuw elan voelbaar met de nadruk op constante, hoge kwaliteit. Sommigen noemen dat scherpe zoeken naar hoge kwaliteit risicoloos en slaan hun tenten op Terschelling op om daar tijdens het Oerol Festival geshockeerd, uitgedaagd en mesjokke te worden. Maar het tegen elkaar afzetten van beide festivals heeft natuurlijk geen zin, omdat ze beide een ander doel dienen.

Audi’s standpunt is dat er elitaire kunst móet zijn in een land dat steeds verder ’ge-Ikea-liseerd’ en ’vermusicalt’ wordt. Audi werpt zich op als verdediger van kunst die niet alleen maar ’oh’s’ en ’ah’s’ uitlokt, kunst waarnaar je niet alleen maar lui achterover in je stoel bij kunt wegdromen, kunst waarbij je je hersens niet in de slaapstand hoeft te zetten.

Het Holland Festival zorgt ervoor dat dit soort kunst in Nederland te zien is. Wat weer niet automatisch betekent dat alles even geslaagd is, maar dat hoeft ook niet. En natuurlijk is de legendarische componist/dirigent Pierre Boulez vaker in Nederland geweest. Maar dat hij in een opera voor het eerst sinds dertig jaar weer samenwerkt met Patrice Chéreau, dat hij met het geweldige Mahler Chamber Orchestra een uniek en speciaal programma voor het festival instudeert, dat het Asko/Schönberg Ensemble zijn meesterwerk ’Pli selon Pli’ programmeert, én dat hij samen met Audi en Chéreau na afloop van een voorstelling discussieert met het publiek – dát is echte festivalkost.

Discussiëren met het publiek deed ook de Libanese theatermaker Walid Raad, na afloop van zijn voorstelling ’I Feel A Great Desire To Meet The Masses Once Again’. Een titel met veel hoofdletters over een onderwerp met hoofdletters: The War on Terror.

Gevangen zijn, het oprekken van mensenrechten, dromen over vrijheid, het zuiveren van de geest – het liep dit jaar als een rode draad door de festivalprogrammering. Soms té nadrukkelijk en daardoor averechts werkend, zoals in de dansvoorstelling ’Honour Bound’ van Nigel Jamieson, soms verontrustend dichtbijkomend zoals in ’Babel’ van Elfriede Jellinek door het Wiener Burgtheater of in ’Doctor Atomic’ van John Adams en Peter Sellars door De Nederlandse Opera.

Volgens Audi moet het Holland Festival, naast het presenteren van hoogwaardige internationale producties, ook de grote nátionale instituten één keer per jaar bij elkaar brengen. De Nederlandse Opera, het Koninklijk Concertgebouworkest, het Nationale Ballet, Toneelgroep Amsterdam, het Nederlands Danstheater, ze waren allemaal met opvallende programma’s aanwezig. Grote voorstellingen vaak, zoals de Shakespearemarathon ’Romeinse Tragedies’ van Toneelgroep Amsterdam in een regie van Ivo van Hove.

’Vorm boven inhoud’ meenden sommige critici, maar Van Hove heeft met zijn high-tech-vormgeving en zijn nadruk op esthetiek wél een heel eigen theatertaal gevonden, een taal die hij ook spreekt in Wagners ’Der Ring des Nibelungen’ waarmee hij op dit moment in Vlaanderen bezig is.

Groot en groots stond klein en fijn overigens niet in de weg op dit Holland Festival. George Benjamins minuscule operaatje ’Into the Little Hill’ door het Ensemble Modern was een zuiver pareltje, ’FAMA’ van Klangforum Wien viel op buitengewoon positie wijze op en de madrigalen-enscenering ’Era la notte’ van stersopraan Anna Caterina Antonacci was ook zo’n echte festivalvoorstelling.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden