ATTENTIE! DE VIJAND BOVEN BELGRADO!

Een paar dagen voordat de laatste acte van deze tragedie van ons begon, begroette een of andere generaal van ons leger jonge recruten met een geëxalteerde oproep, met een hoera voor de naderende dood. Als de dood onvermijdelijk was, dan moest hij zich maar haasten; dan was het beter dat wij allen tezamen ons noodlot aanvaarden door het tegemoet te stormen, was het beter de laatste stap te zetten naar het graf en de hemelse glorie, roemrijk te sterven en met een (weliswaar voor eeuwig bevroren) glimlach de geschiedenis in te gaan, was het beter tot en met de laatste man om te komen dan - te leven.

Leve de dood! jubelde de generaal, zoals eens het Spaanse Vreemdelingenlegioen met zijn 'Viva la muerte!'. De echo van deze necrofiele oproep verbreidde zich door de lucht van Belgrado naar Pristina en weer terug, doorbrak de geluidsbarrière, bereidde ons voor op wat komen ging.

Met de eerste bom verloor ik mijn werk, niet zomaar één job maar meerdere tegelijk, jobs waaraan ik hardnekkig had vastgehouden om hier te kunnen leven. Bij de eerste explosie sloot mijn Amerikaanse agentschap, sloot mijn leeggeveegde faculteit, sloten de theaters waar mijn stukken werden gespeeld, kwam er een einde aan de onafhankelijkheid van de krant waarvoor ik had geschreven.

Bij de tweede explosie hielden mijn bewegingsvrijheid en vrijheid van meningsuiting op. Bij de derde verdween mijn verlangen om hier verder te leven. Toen begon de oorlog.

De eerste dag

Elke discussie met jezelf, als die tenminste eerlijk en gewetensvol is, verloopt pijnlijk. Bij mij vond zij plaats op de eerste dag van de luchtaanvallen. De tien jaren durende heerschappij van een klassieke tiran, die zijn volk als gepeupel behandelt, heeft tragische gevolgen: drie oorlogen, honderdduizenden doden, miljoenen vluchtelingen en verdrevenen, ongeneeslijke trauma's. Er bestaat geen twijfel over dat Slobodan Milosevic als crimineel de geschiedenis zal ingaan, en wel als een zware crimineel, schouder aan schouder met de grootste misdadigers van de wereld.

Maar de mensen in dit treurige land zullen niet alleen de geschiedenis ingaan als slachtoffers van zijn manipulatie.

Hoewel ik tegen het beginsel van de 'collectieve schuld' ben, en hoewel ik gekant ben tegen de opvatting dat er iets bestaat wat sterker is dan de individualiteit van de mensen, stemmen een paar feiten mij toch tot nadenken.

De vernietigende kracht van de bommen, de dood die zij brengen, de vluchtelingencolonnes, de massahysterie, de voortdurende angst en de panische moed zijn verschrikkelijk. Maar minstens even verschrikkelijk is het uitblijven van eenvoudige menselijke zelfkennis bij de burgers van dit land: ondanks de gevallen van verkiezingsfraude, ondanks de intimidatiemethoden en ondanks de vernietiging van de economie hebben zij deze man toch maar liefst een decennium lang aan de macht geduld en gehouden.

De luchtaanvallen van de Navo hebben binnen één enkele dag bereikt waarvoor Milosevic jarenlang heeft gevochten: de onafhankelijke media werden tot zwijgen gebracht - want het is oorlog; alle burgerrechten werden buiten werking gesteld - het is immers oorlog. De oppositie viel uiteen door de angst voor de gevolgen, want we hebben tenslotte oorlog. Het toch al grote aantal lijken dat zich hier sinds jaar en dag heeft opgehoopt, werd nog groter, want, mocht u het vergeten zijn, we zijn in oorlog!

Anderzijds was de strijd die oppositionele of onafhankelijke individuen en bewegingen hier in de meest uiteenlopende vormen hebben gevoerd, niet sterk genoeg om een duidelijk verdorven regime ten val te brengen. Er zijn geen goede en slechte volkeren, maar er zijn wel goede en afschuwelijke regeringen. En de huidige is meer dan afschuwelijk. Deze vreselijke luchtaanvallen komen voor haar rekening, de vele verschrikkingen in Kroatië en Bosnië, in Kosovo en ook in Servië zelf komen voor haar rekening. Zij is de vijand van dit volk, de vijand van de burgers van dit land.

Vandaag, de eerste dag op weg naar het einde, onderwerp ik mij aan een zelfonderzoek. Is wat ik heb geschreven wel voldoende geweest, heb ik mijn stem genoeg verheven, had ik misschien meer tot stand kunnen en moeten brengen? Te zwak, te selectief, te zelfingenomen, zeg ik tot mezelf. Je had veel meer moeten doen. En hoe staat het met degenen die zelfs nog minder hebben gedaan? Met degenen die de naam van de president met erotische hartstocht hebben uitgeroepen, die zijn ingelijste foto's als vergulde ikonen hebben volgekwijld, die met zijn vlaggen hebben gezwaaid, die volgzame slachtoffers zijn geweest maar ook meedogenloze beulen? Wat nu nodig is, is zelfkennis en een soort Servische denazificatie. Anders is alles voor altijd naar de bliksem.

De tweede dag

Zestig seconden sirenegeloei kondigen gevaar uit de lucht aan. Op de tweede dag hebben zelfs kinderen en huisdieren het principe doorgekregen. Tegelijk met de sirenes meldt zich op de televisie een 'staf voor de verdediging van Belgrado', die ons verklaart wat wij zojuist hebben gehoord. Een man met de naam Avram Israel, de woordvoerder van de staf, herhaalt daarbij buiten het beeldscherm steeds de volgende zinnen: ,,Belgradoërs, attentie, attentie! Belgradoërs, attentie, attentie! De vijand is boven Belgrado! Gaat u direct naar uw schuilkelders! Einde!'' In de kortste keren is Avram Israel de bekendste man van Belgrado geworden. Het paradoxale is dat niemand hem ooit heeft gezien, we horen alleen telkens weer zijn stem.

Soms horen we eerst de explosie, en pas daarna melden de sirenes en Avram zich. Soms meldt Avram zich ook bijtijds. Elk optreden besluit hij met het woord 'Einde!' De mensen vragen zich af of hij eigenlijk wel bestaat, of dat zijn voor dit land ongebruikelijke naam een pseudoniem is voor een groep burgers, voor een braintrust, voor een verzameling luidruchtige robots, die allen tezamen steeds hetzelfde herhalen: ,,Attentie, attentie, gevaar boven Belgrado! Einde!'' Trouwens, dit is volstrekt niet het einde. Dit is pas het begin.

De derde dag

Ondanks het aangekondigde gevaar vanuit de lucht, ondanks de plicht om in de schuilkelder te hokken (het huis waar ik woon heeft er overigens geen), ondanks de begrijpelijke angst zijn mensen naar buiten gekropen, de straat op. Deels georganiseerd, deels reflexmatig verzamelen ze zich op een plein om tegen de bommen te protesteren. Koppigheid is, als men de karakterologie als wetenschap aanvaardt, een typisch Servische eigenschap. Deze koppigheid en een vage woede brengen de mensen ertoe op straat te zingen en de oorlog te bespotten. Ik kijk toe.

Opnieuw de verovering van de pleinen, opnieuw de symbolische strijd met stemmen en klappende handen. Ditmaal strikt georganiseerd door de politieke leiding, vooral door 'Joegoslavisch links', dat zich in het bijzonder wijdt aan het promoten van muzikale kitsch. Het geheel is een mengeling van de drie maanden durende burgerprotesten van 1996-1997 - met alle inmiddels verheerlijkte goede kanten daarvan; gevoel voor humor, optimisme, geloof aan veranderingen - en van de klassieke politieke bijeenkomsten. Een mengsel van verenigd rechts en vals links, met de strikte verplichting de leider te verafgoden, zelfs al moet men zichzelf daartoe verloochen - dat zijn de 'target'-concerten op het Belgrado-plein.

Zo onnatuurlijk als deze liaison is, zo monstrueus zijn ook haar vruchten. In plaats van de bondige protestleuzen van weleer overheersen nu gekwelde humor, grove vulgariteit en geschreeuw tegen de vijanden van de leider - dus tegen de hele wereld. In plaats van nadenkende gezichten: een ontketend, krankzinnig optimisme. De enige resterende waarde van deze samenleving, het protest, dat twee jaar geleden bijna de loop der geschiedenis had veranderd, heeft zich nu geprostitueerd, en wel voor de ogen van degenen die eraan hadden deelgenomen, voor de ogen van ons allemaal. Zo makkelijk laten mensen zich manipuleren. Zij hebben weliswaar geen kwade bedoelingen, maar ze denken gewoon niet genoeg na. ,,Dat zijn niet dezelfde mensen'', troosten wij ons, waarbij we onszelf graag voor de ware veteranen van de beroemde protesten houden. ,,De onzen zitten nu in de kelders, terwijl deze mensen juist uit de kelders tevoorschijn zijn gekomen,'' probeer ik mezelf wijs te maken.

De 'verzetsconcerten' zijn al een verplichte oefening geworden. Een zanger of toneelspeler die bedacht is op zijn carrière moet zich op het plein laten zien. Velen komen vrijwillig. Sommigen gedragen zich zelfs overijverig. Aan de gezichten van de overigen lees ik af dat zij erbij moeten zijn. Ik daarentegen moet niets. Rustig wandel ik naar huis.

De vierde dag

Sinds ik helemaal geen werk meer heb, lijken mijn dagen op elkaar. Ik sta vroeg op, ga naar de weekmarkt, doodt de tijd tussen de marktkramen. Een paar dagen voor het bombardement was ook ik ten prooi gevallen aan de algemene hysterie van de hamsterinkopen. Mijn keukenkastjes puilen uit van het beschuit (dat ik niet eet), van de conserven (waarvoor ik geen blikopener heb), van de kaarsen en lucifers (ook al is er stroom), van de batterijen (voor een transistorradio die ik niet heb). Het aanbod op de markt is in dit seizoen toch al niet groot. Bij alle kramen hetzelfde: radijsjes, uien, groene sla. Elke dag zoek ik de mooiste radijsjes uit, denk lang na, wik en weeg.

Ik heb toch niets anders te doen: kranten lees ik niet omdat ze als gevolg van de censuur allemaal hetzelfde zeggen, ik heb geen werk, dus verdien ik geen geld, en uit angst dat ik me nader met dit feit ga bezighouden, besluit ik helemaal op te houden met denken. Liever overleg ik bij mezelf welk bosje voorjaarsuien ik vandaag nu eens zal kiezen, welke soort sla ik neem.

Afgemat door dit vraagstuk, dat mij deze dag het meest in beslag heeft genomen, ga ik ten slotte naar huis om het middageten klaar te maken.

De eetstoornis die, naast de slaapstoornis, als een klassiek syndroom met oorlog gepaard gaat, manifesteert zich bij mij in de vorm van vraatzucht. 's Middags en 's avonds kook ik 'bommenmmaaltijden' en dwing mijn vriend deze geweldige hoeveelheden samen met mij naar binnen te werken.

De vijfde dag

Alle media berichten erover dat de burgerlijke wetten zijn afgeschaft en dat de burgerlijke rechtspraak nu in handen is van de krijgsraad. Op desertie, defaitisme, verraad, oorlogswoeker en iets wat 'politieke criminaliteit' wordt genoemd, staan de strengste straffen. Bovendien heeft de staat het recht om alle telefoons door zijn vertegenwoordigers te laten afluisteren, om zonder huiszoekingsbevel privéwoningen binnen te dringen, om eigendommen (in het bijzonder voertuigen) in beslag te nemen en te onteigenen, om alle verdachte personen te arresteren en hen zonder gerechtelijke procedure op speciaal daarvoor bestemde plaatsen vast te houden.

De 'onafhankelijken' zijn blijkbaar door grote angst bevangen. Mijn dagelijkse mokka, die ik in de stad drink, op een draaglijke plek waar buitenlandse journalisten en wij (daarmee bedoel ik alle gelijkgezinden) contact met elkaar hebben, ging vandaag gepaard met gesprekken over het krijgsrecht. Alle aanwezigen hebben het, de mond achter de hand verscholen, over lijsten met namen van onbetrouwbare burgers - lijsten die niemand heeft gezien - en over stadions waarin de mensen die op deze lijsten staan worden bijeengedreven.

Merkwaardigerwijs zijn juist diegenen het bangst die zo duidelijk partijkiezen voor het regime dat ze hooguit op een lijst van bijzonder verdienstelijke staatsburgers zouden kunnen staan. Daarmee laten ze de ware drijfveer zien van hun trouw aan het regime: de gewone, banale angst. Misschien wéten ze zelfs dat ze geen gevaar te duchten hebben, maar willen ze juist vanwege deze angst dat hun naam wordt genoemd, ,,voor het geval dat de anderen overwinnen''. Hun naam op de lijst van de onbetrouwbaren moet dan een gratis biljet voor de verdere reis worden. Ik vind dat ronduit belachelijk. Dit systeem is in alles zo inefficiënt dat het helemaal niet in staat zou zijn tot een openlijke uitschakeling van de tegenstanders van het regime. Anderzijds rijst, als je er nog eens goed over nadenkt, de vraag of Arkan (het hoofd van de paramilitaire moordcommando's en tevens eigenaar van de voetbalclub 'Obilic Belgrad') misschien toch wist waarom hij een nieuw voetbalstadion in speciale uitvoering heeft gebouwd.

De zesde dag

Onder 'oorlogswoeker' verstaat men de illegale deviezenhandel en de verkoop van buitenlandse sigaretten. Hoe onzinnig dat is blijkt wel hieruit dat tot nog toe niemand ergens anders geld heeft gewisseld dan op straat. De banken houden vast aan de officiële, oneerlijke, half zo hoge wisselkoers, waar niemand zich iets van aantrekt. Evenzo vormen sinds het laatste economische embargo de sigarettenverkopers op straat een haast iconografisch element van Belgrado en van de andere grote steden in Servië. En deze straatverkopers zouden nu onze gevaarlijke vijanden zijn in de grote, door het noodlot gewilde veldslag tegen de hele wereld?

In de staatswinkels worden alleen maar sigaretten van binnenlandse makelij aangeboden (puur gif), en zelfs die zijn er niet. Om de gespaarde mark te wisselen tegen dinars, die ik nodig heb om te leven, moet ik dus op een idee komen. Dat geldt ook voor de deviezenhandelaars. Het is lente in Servië, de narcissen staan in bloei, heel Belgrado is geel van de bloemen. De deviezenhandelaars zijn plotseling in bloemverkopers veranderd. Weliswaar met slechts één bos bloemen in de hand. Die dient om aan het oog te onttrekken hoe zij heimelijk bundeltjes bankbiljetten uit hun zak halen. De sigaretten worden op samenzweerderige toon besteld, als ging het op z'n minst om heroïne of wapens.

De achtste dag

Sinds het begin van de luchtaanvallen heb ik niet meer zo hartelijk gelachen, zei ik toen ik een vriendin vertelde over een van mijn belevenissen. Twee jonge zigeunerinnen, twee tieners, lopen mij op straat voorbij. Leuk om te zien en mooi opgemaakt, maar vol zorgen. Zegt de ene tegen de andere: ,,Zaklina, ik ben zo vreselijk bang voor de bommen. Wat moet ik doen als ik doodga?'' Mijn vriendin lacht met me mee. De vraag is in zijn absurditeit komisch en treurig tegelijk.

Tussen twee haakjes, al degenen die weigeren de schuilkelders in te gaan vertrouwen op het vermogen van de vijand om zijn doelen met grote precisie te raken. Gebouwen, zelfs in het centrum van de stad, worden vernield, maar op een merkwaardig chirurgische manier. Al in het huizenblok ernaast is niet meer dan een trilling te bespeuren. ,,Waanzinnig, die westerse technologie'', hoor ik iemand in het voorbijgaan zeggen.

De tiende dag

Men is begonnen met de speciale verdediging van de infrastructuur van de stad. De overheid roept de mensen op om de bruggen op te gaan en met hun lichamen te redden wat te redden is. De bestuurlijke top, de partijbonzen en hun gevolg doen mee met dit gevaarlijke en noodlottige spel. Dat zie ik op de televisie. Op een van de bruggen, waarover ik naar mijn faculteit rijd, hebben zich al degenen verzameld die dit kwaad op hun geweten hebben. De held van het stuk is er natuurlijk niet, hij zal wel waken over de onderaardse ruimten, ver weg van ons gewone stervelingen. Hen allemaal bij elkaar te zien is voor een overtuigde pacifiste als ik een zo grote uitdaging dat ik een ogenblik in de verleiding kom geen pacifiste meer te zijn. Later zal ik, als het moet, zwemmend naar de faculteit gaan.

De twaalfde dag

Overvoerd met nieuwsberichten van de vaderlandse en internationale televisie probeer ik uit de warboel van propaganda de juiste informatie te filteren. Mijn methode is als volgt. Het hoofd van de leidende partij houdt een toespraak voor de 'spontaan' bijeengekomen burgers van een Servische provinciestad. De inhoud komt hierop neer: ,,De vijanden zouden er beter aan doen geen propagandistische pamfletten af te werpen waarmee ze ons Serviërs zogenaamd de ogen willen openen. Hun ogen zullen voor altijd gesloten blijven. Zij zullen zelf nergens meer een plek vinden, noch op de aarde noch onder de aarde, noch op een mensen- noch op een hondenbegraafplaats!''

Wat steek je hiervan op, behalve dat de redenaar een morbide type is? Je komt erachter dat ergens in Vojvodina pamfletten worden afgeworpen. Maar kun je mensen van wie de naaste verwanten door de bommen om het leven komen eigenlijk wel iets duidelijk maken met een vel papier?

De dertiende dag

Huiveringwekkende beelden van vluchtelingen aan de Macedonische, Montenegrijnse en Albanische grenzen. Mensen die letterlijk voor de camera's sterven, mensen die vanwege mensonwaardige omstandigheden worden bedreigd door besmettelijke ziekten, mensen die - laten we eerlijk zijn - niemand wil hebben. Deze mensen zijn Albanezen, en daarom wil men hier niets van hun lot weten. Men heeft het over propaganda, over gemonteerde filmopnamen, over weerzinwekkende leugens van het westen. Ik geloof liever mijn ogen, gesteld dat ik de kracht opbreng om te kijken. Daar worden - dat is duidelijk - meedogenloze misdaden begaan. En van de schuldigen worden alleen de namen genoteerd. De vechtpartij om een stuk grond zal ertoe leiden dat in deze landstreek ten slotte geen mens meer overblijft. Wie zal nog na dit alles terugkeren, om te leven op dit stuk aarde waar mensen werden gedood, huizen in brand gestoken, lijken onder de grond gestopt? Wie zal ooit nog de wens koesteren om op deze met bloed doordrenkte bodem te leven?

De vijftiende dag

'Collateral damage' is een term die ik in het woordenboek moest opzoeken. Wat ik heb gezien, is de dood van onschuldige mensen, veroorzaakt door 'dwaalprojectielen'. Dode burgers in hun huizen, dode mensen in een personentrein. Wat ik heb gehoord is de cynische uitdrukkng 'collateral damage' - bijkomstige schade. Die is er in elke oorlog, wordt op de Navo-briefing verklaard. Wij wilden het niet, het is toevallig gebeurd, wij betreuren het. Laten we met dit hele gedoe ophouden en naar een vreedzame oplossing zoeken. Zoiets heb ik níet gehoord.

De zestiende dag

,,Attentie, attentie, bomalarm! Belgradoers, de vijand is boven de stad! U weet wat u te doen staat. Einde!'', zegt Avram Israel voor de ik-weet-niet-hoeveelste keer. Uit een gesprek tussen twee oude vrouwen uit mijn buurt: ,,Nog een geluk dat de Israëli's ons voor gevaar waarschuwen, anders zou ik niet weten wat we moesten doen!'' De mythe Avram grijpt om zich heen, ditmaal met een sympathieke bijklank. De vijandigheid jegens het buitenland is zo tenminste selectief geworden. Bovendien behoren op deze manier behalve de Russen en de Witrussen, behalve een paar schurken, oorlogswoekeraars, valse dichters en valse intellectuelen, ook de Israëli's tot onze vrienden. Althans in de ogen van deze bejaarden.

De zeventiende dag

,,Het is belangrijk het psychisch evenwicht te bewaren,'' zegt mijn geliefde professor tegen mij, ,,daarom doe ik, zodra ik de sirenes hoor, mijn Bilbo (een prachtige hond) aan de lijn en ga wandelen. Het park is volkomen leeg, Bilbo rent, is niemand tot last, en ik ga op een kinderschommel zitten en schommel en schommel...'' ,,Mijn lieve professor,'' antwoord ik, ,,gelooft u dan werkelijk dat u zich daarmee heeft gered?'' Dan raken wij in een discussie over het thema 'syllogisme': hoe kan een gek weten dat hij gek is? Daarna, bij de mokka op de al eerder genoemde draaglijke plek, vertellen alle aanwezigen - hoogleraren, publicisten, schrijvers, een beroemde karikaturist - hoe hun honden de situatie verwerken. We discussiëren over de vraag of de honden vandaag de dag nog wel passende namen hebben. Bilbo is tenminste nog een literaire figuur; zijn bedenker Tolkien werd nog niet verboden. De tweede hond heeft een echt Servische naam: Zika (afgeleid van het woord 'zivot' - het leven). De naam is weliswaar Servisch, prakkiseren we verder, maar op het ogenblik is 'het leven' niet echt passend. De derde aarzelt, durft niet het woord te nemen. Dan bekent hij: ,,Mijn cocker heet Charly, ik kan er niets aan doen.''

De Amerikaanse muziek, de verworvenheden van de westerse beschaving, de buitenlandse cultuur- en informatiecentra - dat alles is mikpunt van destructieve haatuitbarstingen geworden. De honden zijn het godzijdank nog niet. Althans niet vanwege hun naam. Maar sinds de beambten van de stadsreiniging worden ingezet bij bluswerkzaamheden na de bombardementen, blijven hondenpoep en andere troep op straat liggen. ,,Als iemand Charly aanvalt, dan alleen uit zindelijkheidsliefde,'' beëindig ik de discussie.

De negentiende dag

Een vreselijk bericht ging als een lopend vuurtje door de stad. Op klaarlichte dag is in het centrum van de stad, vlak voor zijn huisdeur, Slavko Curuvija vermoord, publicist en eigenaar van een onafhankelijk dagblad en van een magazine. Hij was vlak voor het begin van de luchtaanvallen tot een gevangenisstraf veroordeeld omdat hij in zijn blad een artikel had gepubliceerd dat kritisch was over het regime. Door dit ontstellende nieuws en de onopgehelderde omstandigheden van de moord, door de controverses die rond deze ongelukkige man waren ontstaan, zijn de mensen zo verontrust en geïntimideerd dat niemand erover durft te praten. Ook ik niet.

De twintigste dag

Geleidelijk verlies ik mijn goede humeur, dat ik met geweld overeind hield. Het bevalt me niets dat we ons verenigen met landen waarmee we behalve het duistere verleden niets gemeen hebben. Maar mijn stem is nergens meer te horen, mij vraagt niemand iets. De regering verklaart voor een verbond met Rusland en Wit-Rusland te zijn. Terwijl in Essen de Duitse première plaatsvindt van mijn stuk 'Belgradoër trilogie', dat gaat over jonge emigranten uit Belgrado die dit land verlieten vanwege de gevolgen van de vorige, nog maar net gevoerde oorlog, begrijp ik dat ook ik een van hen zal worden. Het is alleen een kwestie van tijd wanneer ik mijn innerlijke emigratie door een daadwerkelijk emigratie zal vervangen, mijn stad, mijn straten zal verlaten, mijn spullen en alles wat ik in het leven heb verkregen, zal opgeven. Ik maak de balans op: wat is van datgene wat ik mij heb kunnen permitteren het waardevolst? De boeken, die mij nu tot last zijn, de meubels, die de kosten van het transport niet waard zijn, een schilderij en een wasmachine.

Die hele tijd was, met al dat werk en al die moeite, een gewone wasmachine mijn waardevolste aanschaf. In het land waar ik woon ligt de economie plat, zijn de mensen werkeloos, maken ze nu hun laatste spaarcenten op.

Na twintig dagen van vreselijke luchtaanvallen, die het hele land hebben omgeploegd, mensen hebben gedood, steden verwoest, is de Servische staat nog altijd dezelfde. De kennelijke mislukking van de Navo-politiek, die de burgers van dit land met bommen straft, blijkt wel hieruit dat de regering geen snars is veranderd. Het land is verwoest, de regering daarentegen is sterker dan ooit.

Het is toch niet mogelijk dat zulke helse bombardementen, zoals men ze in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer heeft meegemaakt, alleen maar gericht zijn tegen een ordinaire dictator die men op duizend simpeler manieren uit de weg kan ruimen.

Een daad van hulpverlening is het in geen geval, de reden ervoor moet wereldomspannender zijn: een overholen dreigement aan het adres van ieder die het in zijn hoofd mocht halen om zich te verzetten tegen de hoofdstroming van de wereldpolitiek, een duidelijke aanwijzing dat in de toekomst voor elke ambitie van elke willekeurige overheid het volk meedogenloos zal worden gestraft. Op dit stuk grond wil ik gewoon niet meer leven. Ik bedank ervoor de 'collaterale' gijzelaarster van een waanzinnige heerser te zijn.

En toch is de droefheid om het onvermijdelijke afscheid groot. Logisch: mijn ouders, mijn zuster, mijn vrienden, niemand van hen gaat mee. In mijn volgende leven zal ik mijzelf niet meer belasten met dingen die mij binden, wil ik geen familie, geen vrienden en geen meubels meer hebben.

De eenentwintigste dag

Bij de begrafenis van Slavko Curuvija heb ik afscheid genomen van ontwikkeld Belgrado. Veel mensen die ik altijd graag heb gezien, gehoord, gelezen, ontmoette ik nu, voor het eerst sinds het begin van de bombardementen, op de begraafplaats.

De dood woont nu in Servië, de heroïsche, laffe, domme, afschuwelijke, definitieve dood. Al deze misdaden moeten worden gestopt, het bombarderen moet meteen ophouden, de misdadigers moeten worden bestraft. Dat is de simpele gerechtigheid.

Want, Zaklina, wat doe ik als ik doodga? Mijn generaal, wat doen we als wij doodgaan? Antwoord, mijn president: wat als wij doodgaan?

De laatste nacht

Sterrenhemel boven Belgrado, in de verte hoor je bommenwerpers, straks begint het bekende computerspel. Ik zit op de gepakte koffer, mijn weinige kostbaarheden bevinden zich in een metalen doosje: kaartjes en reisbiljetten voor de uiteenlopende vervoermiddelen die mij weg van hier moeten brengen, mijn pas en daarin het Schengen-visum - nu mijn grootste schat. Ik reken: nog een paar uur voordat de bus vertrekt. Meerdere staatsgrenzen passeren en bij het vliegen drie keer overstappen. Over amper dertig uur begint mijn nieuwe leven.

Ik reken: mijn beste vrienden zijn op de hoogte, de spullen uit mijn woning zijn in bewaring gegeven, mijn ouders vermoeden niets. Ik had niet de kracht om afscheid van hen te nemen. Uit het eerste buurland waar ik arriveer zal ik ze bellen.

Ik reken: CNN voorspelt dat de luchtaanvallen worden voortgezet, de hele zomer door. Milosevic, machtiger dan ooit, zal onvermijdelijk ten val komen, op het moment dat hij het toppunt van zijn macht heeft bereikt. Binnen een paar maanden, binnen een paar jaar, misschien binnen tien jaar - dat gaat snel voorbij.

Ik tel de feiten op, vermenigvuldig ze met emoties, voeg onbekende grootheden toe aan de rekensom - de vergelijking gaat niet op.

Wat win ik als hiermee doorga?

Veiligheid, dat is duidelijk. Mijn Duitse vrienden bieden mij in hun gulheid alles: wonen in een prachtige stad, het werk waaraan ik verknocht ben geraakt, comfort en rust.

Ik trek af: wat verlies ik als ik nu wegga?

Angst voor het naakte leven, existentiële onrust, vrees voor een onzekere toekomst. Zonder dat kan ik het wel stellen.

Dan spring ik op, laat het rekenen voor wat het is, kijk om me heen, kijk uit het raam, neem een slaappil en ga kalm naar bed.

Ik word wakker in Belgrado. De bus en het vliegtuig zijn weg - zonder mij. Zo goed heb ik me sinds het begin van de oorlog niet meer gevoeld. Bij de ochtendkoffie, omringd door mijn spullen, denk ik na: welke loop zou mijn leven hebben genomen als ik was weggegaan? Hoe zou ik rustig verder hebben kunnen leven, terwijl mijn naaste verwanten de hemelse projectielen om de oren fluiten en terwijl ze worden bedreigd door de aardse terreur van Milosevic? Hoe zouden mijn toekomstige stukken zijn geworden? Hoe zou mijn vluchtelingenbestaan eruit zien? Hoe zou ik met een zuiver geweten in de spiegel moeten kijken, nadat ik op het moment van de grootste menselijke crisis alles - mijn mensen, mijn stad, mijn ideeën van de schepping van een beter land, mijn schrijven, mijn taal - zou hebben opgegeven, alleen om mijn fysieke bestaan te redden? En wat zouden de mensen moeten doen die het land niet kunnen of mogen verlaten?

Ik weet zeker dat ik, als dit eenmaal voorbij is, graag wil wonen in een van de landen waarvan ik de cultuur en kunst waardeer. Ik weet zeker dat ik daar ook in vredestijd welkom zal zijn. Maar even zeker weet ik dat ik bovendien moet proberen iets van mijn land te maken, iets waarop ik trots kan zijn. Daarna mag ik met gerust geweten op reis gaan, werken, nieuwe uitdagingen aangaan. Wat kan me in het ergste geval ook gebeuren? Dat ik door een bom wordt getroffen (niet erg waarschijnlijk), dat een projectiel van het luchtafweergeschut mijn badkamer binnendringt (al iets waarschijnlijker), dat ik mij uit angst mijn mond houd en alles waarin ik heb geloofd vaarwel zeg? Nee, dat in geen geval!

Ik sta op en begin, langzaam, mijn koffer uit te pakken. Ik sta op en blijf hier. Ik lach.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden