Review

Atheïsten van Queen Victoria

Ergens tussen 1908 en 1910 schrijft de Engelse dichter Thomas Hardy een gedicht, waarin God onder intens rouwbeklag ten grave wordt gedragen. ,,Hoe dit verlies te dragen? Wie of wat zal zijn plaats innemen?', vraagt de dichter zich gepijnigd af.

Tegelijkertijd wist Hardy dat het eerste gebod Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben een objectieve waarheid bevat: God valt niet na te bootsen of te imiteren. Een dode God is definitief weg en niets kan Hem vervangen. Daarom blijft Hardy na de begrafenis verward en van zijn stuk gebracht achter.

A. N. Wilson, hij schreef eerder onder meer een prachtige biografie van C. S. Lewis, koos de titel van Hardy's gedicht, God's Funeral, voor een studie over het atheïsme in het Victoriaanse Engeland van het eind van de negentiende eeuw. Of eigenlijk is het een studie over de atheïsten van die tijd, want Wilson wil vooral laten zien hoe het de mannen en de vrouwen, die God uit hun leven banden, verging met hun wensen, idealen en niet te vergeten sentimenten in hun persoonlijke levens. Waarbij zijn blik in het bijzonder getroffen wordt door fricties en tegenstrijdigheden.

Aangezien Wilson geestig schrijft en een goed oog heeft voor het anecdotische, om niet te zeggen het absurde, is 'God's Funeral' een prima boek om tijdens de vakantie te lezen. Je wordt er niet alleen wijzer van, maar je moet er ook geregeld hartelijk bij lachen en dat is, zacht gezegd, niet bij alle boeken over deze thematiek het geval.

Zo beschrijft Wilson hoe Hardy, altijd een wat krenterige man van het platteland gebleven, zich gekwetst voelt wanneer de bisschop van Wakefield, William Walsham How (dichter van het populaire kerklied For all the saints, who from their labour rest) op een zomeravond een van Hardy's boeken in de open haard verbrandt. Vooral het feit dat de bisschop er midden in de zomer de haard speciaal voor had aangemaakt, trof Hardy onaangenaam, ook al om de verspilling.

Echt gelukkig werden de Victoriaanse atheïsten overigens niet van hun breuk met kerk en geloof. Zo lijkt het tenminste als je de vele uitingen van depressiviteit, zelf-haat en melancholie leest. Misschien hangt die depressiviteit samen met het feit dat hun ongeloof zich niet beperkte tot de ontkenning van Gods bestaan en de letterlijke waarheid van de bijbel. De Victoriaanse atheïsten hadden ook een diep besef van persoonlijke, politieke en sociale ontbinding. Hun maatschappij was haar morele samenhang en haar eenheid kwijt.

Wie dat gevoel van een eeuw geleden vergelijkt met huidige discussies over gebrek aan maatschappelijke samenhang en noodzaak tot morele heroriëntatie en vernieuwde deugdzaamheid, ziet veel parallellen. Tegelijk zijn we een eeuw verder. Een eeuw waarin, zoals Wilson opmerkt, het menselijk ras zichzelf en de planeet waarop het leeft meer schade heeft toegebracht dan in enige eeuw daarvoor. Is er een verband tussen het verlies van het geloof in God en de verschrikkingen van deze eeuw?

Wilson zegt daar niet direct 'ja' op, maar neemt wel waar dat de implicaties van het geloofsverlies in de Victoriaanse tijd nooit goed onderzocht zijn. Een eeuw later, zo stelt hij terecht vast, worden discussies over de betekenis en de waarheid van geloof en religie nog even luid en slecht geinformeerd gevoerd als honderd jaar geleden. Maar ,,de spirituele honger van mannen en vrouwen verdwijnt niet enkel en alleen omdat zo velen, in de kerken en de universiteiten, niet in staat lijken om te begrijpen wat er werkelijk aan de orde is.'

Wilson neemt waar dat er aan het eind van de negentiende eeuw een nieuw type vrijdenker is ontstaan. Eerdere generaties hadden hun vrijdenken bereikt vanuit een oorspronkelijk gelovig standpunt. De nieuwe generatie daarentegen was vanaf het begin opgevoed met ongeloof, materialisme em ontkenning van de betekenis van spiritualiteit

Het eind van de negentiende eeuw laat daardoor een wereld zien, zo citeert Wilson G. K. Chesterton, waarvan de achtergrond niet alleen atheïsme op zichzelf is, maar atheïstische orthodoxie en zelfs atheïstische respectabiliteit. Fatsoenlijke mensen waren atheïst en dat was even gewoon in Engeland als in Duitsland of elders in Europa.

,,Het was een wereld die zich Darwins theorie van het 'Overleven van de sterkste' aan het eigen maken was - een wereld waarin de grootmachten, niet geleid door morele overwegingen, noch door een besef van een gezamenlijk Europees verleden, een strijd uitvochten om de hegemonie, als eerder de amoeben, alsof ze helemaal opnieuw begonnen aan de levensprocessen op aarde.'

Op dit punt gaat Wilson een stapje verder en roept een vraag op, die in de kerken door alle gevoelens van verlies en mindere waarde, helaas niet meer klinkt.

,,Het zou een vermetel historicus zijn, die claimde dat Lenin, Stalin, Hitler er konden zijn door het nihilistisch atheïsme dat overheerste in de decennia waarin zij geboren werden. Maar hun tijdgenoten leefden met een Weltanschauung die zo verschillend was van die van hun grootouders, dat het verbazingwekkend zou zijn geweest als de wereld in die periode niet radicaal veranderd was.' Als dat zo zou zijn, wat staat ons dan nog in de eenentwintigste eeuw te wachten?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden