As van geliefde, gekoesterd als relikwie

Drie weken na een crematie krijgen nabestaanden een brief thuis: u kunt de as komen ophalen. Cultureel antropologe Meike Heessels bestudeerde wat Nederlanders daar vervolgens mee doen.

Precies een jaar na het overlijden van André Hazes zond de Tros in september 2005 het herdenkingsconcert 'Een jaar later' uit. In een afgeladen Ahoy brachten artiesten een muzikale ode aan de volkszanger. Liefst 1,7 miljoen Nederlanders keken mee.

Dat aantal steeg naar 2,5 miljoen toen weduwe Rachel en Hazes' kinderen Roxanne en André junior na het concert richting Hoek van Holland vertrokken om daar, in het bijzijn van honderden vrienden en bekenden en een televisiecamera, vanaf de Noorderpier vuurpijlen af te steken die waren gevuld met een deel van André Hazes' as. Bij leven had de Amsterdammer aangegeven dat hij na zijn dood - deels - verstrooid wilde worden boven de Noordzee.

Met de 2,5 kilo as die gemiddeld overblijft na de crematie van een volwassen mens, had de weduwe nog meer plannen. Rachel, de twee kinderen en een aantal vrienden lieten tatoeages zetten waarbij de inkt met Hazes' as werd vermengd. Een ander deel werd begraven in de tuin van The House of Blues in Orlando. Toen was de as nog niet op. Drie kleine urnen waren voor Rachel en de kinderen.

Cremeren is pas ruim vijftig jaar legaal in Nederland. Sinds 1991 mogen nabestaanden de as van een dierbare overledene mee naar huis nemen, toentertijd nog op voorwaarde dat de urn gesloten bleef.

Niet iedereen hield zich daaraan. Zo herinneren veel Nederlanders zich de aflevering van het televisieprogramma 'De schreeuw van de leeuw', waarin Paul de Leeuw samen met de partner van de in 1993 aan aids overleden zanger René Klijn diens as verstrooiden op de Hudson-rivier in New York. Met een schroevendraaier wrikten ze de urn open en strooiden vanaf een bootje de as in het water.

"Illegaal", zegt antropologe Meike Heessels (1982), want pas sinds 1998 is het Nederlanders toegestaan de urn te openen. Dat De Leeuw noch Klijns partner werden vervolgd, betekent volgens Heessels dat de tijd er kennelijk rijp voor was. "Crematoriummedewerkers kregen destijds al regelmatig het verzoek een beetje as in een luciferdoosje te doen, zodat nabestaanden die mee naar huis konden nemen en bijvoorbeeld in een sieraad konden laten verwerken."

Heessels onderzocht hoe Nederland 'zijn doden thuisbrengt' nu steeds minder mensen lid zijn van een kerk. De 'persoonlijke uitvaart', waarbij vooral wordt ingegaan op het leven van de overledene, wint aan populariteit. Die aandacht voor wereldlijke, biografische elementen moet je niet aanzien voor een gebrek aan geloof in het bovennatuurlijke, zegt Heessels, die onlangs promoveerde op het onderwerp.

"Niet aan een religieuze groep verbonden zijn, is niet hetzelfde als niet-religieus zijn. Het geloof in een leven na de dood is niet even hard teruggelopen als het kerklidmaatschap. Van de mensen die niet verbonden zijn aan een religieuze groep, wijst twee derde het geloof in een bepaalde vorm van leven na de dood niet af."

Heessels onderzocht het geloof in een leven na de dood door te bestuderen wat Nederlanders doen met crematie-as en botten. In het kader van haar promotieonderzoek interviewde ze 47 nabestaanden, 49 crematoriummedewerkers, uitvaartverzorgers, funerair kunstenaars en begraafplaatsbeheerders. Daarnaast werkte ze een half jaar in vier Nederlandse crematoria en woonde ze meer dan vijftig asbestemmingen bij.

Haar conclusie: ook al kunnen nabestaanden pas relatief kort met de as doen wat ze willen, er is de afgelopen veertien jaar - bij gebrek aan traditie - een 'boom aan nieuwe rituelen' ontstaan. Door veldonderzoek te doen dichtbij het dagelijks leven van nabestaanden, zag Meike Heessels dat mensen met de as of de urn omgaan op een manier die doet denken aan de manier waarop ze tijdens het leven ook met de overledene omgingen. "Ze noemen de as of urn niet alleen bij de naam van de overledene, veel mensen pakken de urn vast, aaien of kussen die, zoals ze waarschijnlijk ook hadden gedaan als ze de overledene hadden weergezien."

Op zulke momenten is er geen strikte grens tussen de levenden en de doden, constateert de wetenschapster. "In de ogen van nabestaanden is de as dode materie en persoon tegelijk, mensen gaan om met de resten alsof die 'bezield' zijn. Zelfs een klein beetje as of geruimde botten, representeren de gehele persoon. Juist daarom is het voor nabestaanden van essentieel belang hoe er met menselijke resten wordt omgegaan en welke bestemming eraan wordt gegeven."

Als Heessels de nabestaanden vroeg of het idee dat de resten 'bezield' waren misschien te maken had met een bepaalde geloofsovertuiging, reageerden de meesten in eerste instantie afwijzend. Heessels: "Ik kwam erachter dat de as niet alleen 'symbool' staat voor iemand maar dat de as 'deel' was van iemand. Daarom wordt zorgen voor de as gezien als zorgen voor die persoon." Door het dragen van as-sieraden of door as-tatoeages te laten zetten, wordt de band tussen doden en levenden uitgedrukt in het hier en nu. "Nabestaanden blijven zo letterlijk in contact met de overledene; het is meer dan herinneren alleen."

De cultureel antropologe legt een verband met de eeuwenoude traditie van heiligenrelieken - haren, stukjes bot of menselijk weefsel die worden aangeraakt en vereerd in de hoop mee te delen in de kracht van deze heilige figuur. "Ik heb nabestaanden de urn of een sieraad met as zien vastpakken en op die manier de aanwezigheid of de kracht van de overledene zien ervaren."

Opvallend, vindt Heessels, is dat uitvaartrituelen zich vooral richten op de overgang van de overledene naar de wereld van de doden. "Maar na de wettelijk vastgestelde wachttijd van dertig dagen waarin de as op het crematorium bewaard moet blijven, zie je een tegengestelde beweging: mensen worden fysiek herenigd met - de overblijfselen van - de overledene. De doden worden eigenlijk opnieuw verwelkomd in de wereld."

Zowel nabestaanden als professionals oefenen invloed uit op wat er gebeurt met de as, zegt Heessels. Voor haar onderzoek ging ze mee met een boot om as van verschillende overledenen te verstrooien op zee. De nabestaanden waren daar niet bij. "Ik was samen met de kapitein, het type ruwe bolster, blanke pit. Samen deden we de zakken in een buis die uitkomt op zee - een voor een, mens voor mens. Een mes aan het eind van de buis snijdt de zak open. Ineens had ik een heel lichte zak in mijn handen, en daar maakte ik een opmerking over. 'Dat is een kindje', zei de kapitein, 'die leggen we apart, die doen we het laatst'. Voor de kinderen gooide hij een bos bloemen in het water. Zo paste die zeebonk, een professional, het ritueel aan, vanuit zijn eigen gevoel en waardes. Ontroerend vond ik dat."

In een van de crematoria waar Heessels werkte, kwam een familie de as van hun vader ophalen. De as van de moeder, die eerder was overleden, kregen ze ook mee. 'U zou de as kunnen verstrooien in de vorm van een hart', opperde een medewerker van het crematorium. Dat idee stuitte op een 'nee, nee, nee' van de familie. 'U kunt er ook twee cirkels van strooien, zoals trouwringen, en die cirkels in elkaar laten grijpen', was de volgende suggestie. Uiteindelijk kozen de kinderen ervoor twee cirkels te strooien die elkaar nét niet raakten, omdat de twee ouders erg een eigen leven hadden geleid.

Ook voor professionals is het zoeken, zegt Heessels. "Zij zitten in de situatie dat er eigenlijk geen regels zijn, er zijn geen rituelen waaraan zij zich kunnen vasthouden. Tegelijkertijd realiseren zij zich dat het voor nabestaanden een enorm belangrijk moment is."

Een dag na het herdenkingsconcert van Hazes en de ceremonie in Hoek van Holland maakte de weduwe bekend dat er van de tien vuurpijlen slechts negen publiekelijk waren afgestoken. Eéntje hield de familie achter. Bij welke gelegenheid die de lucht in gaat, is geheim.

Meike Heessels promoveerde binnen het Centrum voor Thanatologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, dat zich richt op de wetenschappelijke studie van de omgang met en voorstellingen over sterven, dood en rouw.

De benaming thanatologie is afgeleid van Thanatos, de personificatie van de dood in de Griekse mythologie. Het was de Rus Ilya Mech- nikov, microbioloog en Nobelprijswinnaar, die in 1901 de term thanatologie introduceerde voor het terrein van studie dat zich bezighoudt met de omgang met de dood.

Vanaf de jaren zeventig van de twintigste eeuw kwam het studieveld van de thanatologie tot bloei. Daarbij was de aandacht vooral gericht op de ongemakkelijke omgang met de dood.

Het Centrum voor Thanatologie maakt deel uit van de Faculteit der Religiewetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Op dit moment werkt Heessels als docent onderzoek bij Managementwetenschappen aan diezelfde universiteit en als docent en onderzoeker aan de Hogeschool Arnhem Nijmegen.

Thanatologie: studie van de menselijke omgang met de dood

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden