ARTISTIEK LEIDER NATIONALE BALLET SLUIT ZIJN EERSTE SEIZOEN AF MET 'FRANKENSTEIN' 'Ik weet niet wie Wayne Eagling is, daar moet ik toch eens achter komen'

AMSTERDAM - Geradbraakt maar duidelijk voldaan strompelt Wayne Eagling naar de directiekamer van Het Nationale Ballet. De dagelijkse ochtendoefening aan de barre, in het kader van zijn aftraining, ervaart de in 1991 aangetreden artistiek leider nog altijd als dagelijkse kick. Als door en door danser heeft hij die fysieke inspanning nodig. Na afloop zet hij zijn randloze brilletje op en verandert op slag van een afgepeigerde rugbyspeler in een lid van de protestgeneratie, met een bijna kinderlijke hekel aan de combinatie van strijkbout, schaar en schoensmeer. Evenals zijn voorganger Rudi van Dantzig weigert hij aan het spel van status-symbolen mee te doen, maar daarmee houdt de overeenkomst tussen hen ook op.

Eagling: “De fase van luistervinken en pottenkijken is nu echt voorbij. Ik zag vooral tegen de hoeveelheid van aspecten van mijn nieuwe functie op, maar achteraf beschouwd is het me eigenlijk meegevallen.” Met het eerste seizoen onder zijn artistieke verantwoordelijkheid bijna achter de rug heeft hij alle reden om tevreden te zijn. Het slotprogramma van dit seizoen belooft er een van uitersten te worden. “We hebben het onszelf, maar zeker ook het publiek niet makkelijk gemaakt.” De veelzijdigheid van Het Nationale Ballet als “levend dansmuseum en eigentijdse balletleverancier” heeft hij ondertussen met alom geprezen programma's rond Stravinsky en Tsjaikovski volledig waargemaakt. Van de vijf klassiekers uit de huisvoorraad werden dit jaar 'Giselle' en 'Sleeping Beauty' uit de kast gehaald, niet alleen als knieval naar het grote publiek, maar ook voor hemzelf als toetsstenen van het jonge talent in de onderste regionen.

Ondertussen verkneukelt hij zich erover dat zijn groep het enige balletgezelschap ter wereld zonder een 'Notenkraker' is. Eens zal het er toch van moeten komen. Maar de komende Kerstmis wordt het 'Assepoester'. Met de premieres van Martha Grahams 'Diversion of Angels' en 'Scenes de Ballet' van Frederick Ashton (beide uit 1948) deed hij bovendien een schot in de roos. Van de jonge choreografen binnenshuis maakte vooral Ted Brandsen zijn belofte waar, terwijl Eagling zelf een flinke, en voor velen onverwacht melancholieke, duit in de zak deed met zijn eigen Nederlandse debuut als choreograaf: het goed ontvangen ballet 'Ruins of Time'.

Zweep

Zijn overtuigingskracht als leider van Nederlands grootste balletgezelschap, dat hij op 83 dansers wil houden, ontleent hij aan zijn ervaringen als principal van het Royal Ballet. Die expertise is niet alleen in zijn wijze van choreograferen te herkennen. Hij kende het klappen van de management-zweep in een groot balletbedrijf al enigszins en deinst er niet voor terug deze ook zelf te hanteren: niet hardhandig om zich heen slaand, maar wel slagvaardig. Van zijn dansers verlangt hij dus dat zij zich 110 procent inzetten, anders acht hij dit beroep aan hen niet besteed.

Hij weet maar al te goed waarover hij praat. Zijn persoonlijke coaching van jongens als Boris de Leeuw, Jahn Johanson en Sjef Annink zag hij direct vruchten afwerpen. “Er is hier in korte tijd veel bereikt in de werksfeer en zelfmotivatie onder de dansers. Ik denk dat ik mij van Van Dantzig onderscheid door meer aandacht aan de klassieke poot te geven. In het opkrikken daarvan kunnen immers ook de twee andere poten, dus het twintigste eeuwse en nieuwe repertoire, beter functioneren. Mijn prioriteit lag en ligt nog steeds bij het contingent mannelijke dansers. Dat is hier in huis de zwakste plek. Wat in Amsterdam ontbreekt, is de wat langere danseur noble. Om die te vinden heb ik het afgelopen jaar de hele wereld afgereisd. Tevergeefs helaas. Nee, in Amsterdam lopen weinig prinsen rond, maar dat soort role models heb je absoluut nodig in een academisch gezelschap. De jonge generatie heeft gewoon nog wat tijd nodig om tot volledige bloei te komen, maar er zijn wel prinsen in aantocht.”

Twee jaar terug koesterde Eagling nog de, onjuist gebleken, veronderstelling dat hij in een week bij de nonnen in Vught Nederlands zou leren spreken. “Ach, iedereen spreekt me toch automatisch in het Engels aan. Bovendien merkte ik dat ik zo gewend was me in dans uit te drukken, dat het formuleren in mijn moedertaal me al moeite genoeg bezorgt.” Ondertussen heeft hij zijn achterstand in kennis van de Nederlandse danswereld zo goed als weggewerkt. “Ik merkte al snel dat je hier overal dezelfde mensen tegenkomt. Het danswereldje hier is klein, ook al zijn er meer groepen dan ik in Engeland gewend was. Het niveau is over het algemeen hoog, maar de resultaten van de meeste groepen vind ik wel opmerkelijk wisselvallig, met uitzondering van het NDT natuurlijk. Mijn grootste bezwaar is het gebrek aan verscheidenheid. Soms heb ik het gevoel alsof over alles een borstel met grijze verf is gegaan.”

“Vergaderingen zijn beslist niet het leukste deel van mijn werk, maar de shock van mijn eerste confrontatie met het management hier is wel over. Door die ellendige blokprogrammering is er betrekkelijk weinig ruimte voor nieuwe choreografieen. Ik ben vast van plan ook andere werken van Martha Graham of misschien wel van Yuriko, een van haar repetitoren, op ons repertoire te halen. Zij is zo'n bron van inspiratie! Het is voor mij evident dat Hans van Manen bij ons een ballet kan komen maken. Zodra hij maar wil, maak ik ruimte voor hem vrij. Maar zoiets moet je laten groeien. Hij weet dat hij welkom is, liever vandaag dan morgen.”

“Volgend jaar brengen we Glen Tetley's 'Voluntaries', doen we de hele 'Artifact' van William Forsythe en gaan we 'Les Presages' van Massine hernemen. Om financiele redenen moest ik mijn 'Robin Hood'-plannen tot 1995 uitstellen. Mijn eigen volgende choreografie, nu gepland voor april 1994, zal ik misschien ontlenen aan 'The Collector' van John Fowles. Dat boek gaat over obsessie en wat er met je gebeurt, als je gekidnapped wordt en met een zak om je hoofd op een onbekende plek bijkomt. Dat verlies van elk houvast, dat overgeleverd zijn aan obsessies van een ander ...dat intrigeert me. Ik haat machtsmisbruik en ik houd ervan een verhaal in een ballet om te zetten.”

In zijn recente comtemplatieve ballet 'Ruins of Time' tapte Eagling uit een geheel ander vaatje dan in zijn hard tegen gevoelige schenen schoppende 'Frankenstein: the modern Prometheus'. Met dat horrorballet in extravagante punkkledij, op muziek van Vangelis, debuteerde hij in 1985 op het toneel van Covent Garden. Zelf heeft hij geen verklaring voor dat verschil: “Ik weet niet wie Eagling is, zal er toch eens achter moeten komen.” Met 'Frankenstein' streek hij de Engelse danspers destijds heel bewust tegen de haren in. Eagling verklaart hun ontsteltenis uit hun onbegrip voor het feit dat dit ballet niet voor hen bestemd was, maar juist voor mensen die niet van ballet houden. Dat grote publiek zou zijn debuut ook tot een succes maken waar de direktie van het Royal Ballet niet omheen kon. Vanavond werpt hij zijn 'Frankenstein', inclusief de gedateerd geraakte punk-aankleding, als een testcase in de Amsterdamse ring.

“Ik kwam destijds op het idee voor 'Frankenstein' na een tocht door de gewelven onder Covent Garden. Die kelders hebben iets van een laboratorium. Mary Shelley's bekende verhaal over de mens die schepper probeert te zijn, is heel toepasselijk. Ach, het was leuk om te doen. Met Vangelis en de ontwerper Emmanuel kwam ik overeen dat we iets zouden maken dat alles te buiten ging: iets schandaligs, outrageous. Ik merkte namelijk dat een groot deel van het Covent Garden-publiek niet uit vrije wil naar ballet komt kijken, maar voor de status, om sociaal mee te tellen, of omdat ze er door een vriendin of moeder naartoe gesleept worden. Ik wou juist die mensen een verzetje geven.”

“Je moet het zien als een tongue in cheek-ballet: zo over de rand, zo silly, dat je het wel moet accepteren. Je kunt het vergelijken met 'Jesus Christ Superstar'. Toen kon toch ook niemand accepteren dat Jezus als superstar gepresenteerd werd. Boud uitgedrukt: 'Frankenstein' is een musical zonder woorden. Ik durf mezelf zeker niet met zijn formaat te vergelijken, maar het is wel bedoeld alsof Andrew Lloyd Webber opeens in Covent Garden is verdwaald. Ik ben heel benieuwd of de Nederlandse pers dit doorheeft. Geloof me ...you'll hate it.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden