Arthur Lehning: kroongetuige van een eeuw

Arthur Lehning, eigenlijk Paul Arthur Müller Lehning, maar een Paulus heeft deze Saulus blijkbaar niet willen worden, en het van zijn stiefvader afkomstige Müller liet hij na de Tweede Wereldoorlog vallen - Arthur Lehning werd op 23 oktober 1899 in Utrecht geboren. Zijn vroegste levensjaren bracht hij in Duitsland door, maar in 1905 kwam hij in Zeist terecht, bij de Hernhutter Broederschap waar zijn stiefvader toe behoorde.

Ik heb Arthur Lehning nooit onaardige dingen over de Hernhutters horen zeggen, misschien is het zelfs niet te ver gezocht om één van de wortels van zijn latere politieke ideaal van een vrij geassocieerde gemeenschap in Zeist te zoeken. Maar dan moet er toch bij gezegd worden dat ook Lehnings onoverkomelijke bezwaren tegen de godsdienst, die hij als een beknotting van het vrije denken zag en ziet, ook in die jaren zijn beslag gekregen moet hebben. Toen de tijd daar rijp voor was, ik geloof dat Arthur vijftien jaar was, weigerde hij de 'Konfirmation', een ongekend opstandige daad in de Broedergemeenschap. De hoogste gezagdrager kwam er voor uit Duitsland over, maar het mocht niet baten. Zelfs het feit dat hij zijn moeder verdriet deed, kon de jonge weerspannige niet tot andere gedachten brengen. De godsdienst speelt vanaf dat moment in Lehnings leven geen rol meer. Als ik hem in zijn Franse vakantiehuis opzoek, is het eerste wat hij mij op sarcastische toon vraagt: ben je nog veel kerken binnengelopen? Ik heb een keer met hem rondgekeken in de kathedraal van Bourges en ik heb hem nog nooit zo sikkeneurig meegemaakt. Dat je je in zo'n tempel kunt ophouden zonder enige gedachte te wijden aan de tirannieke organisatie die hem tot stand heeft gebracht, daar kan hij niet inkomen.

Maar laat ik niet de indruk wekken dat Arthur Lehning het in zijn Zeister jaren moeilijk heeft gehad. Zijn moeder moet een uitzonderlijke vrouw geweest zijn, ook Lehnings vriend Marsman getuigt daar later nog van, bijvoorbeeld in het aan haar gewijde gedicht 'In memoriam P.M.-S.', van 1929, waarmee de bundel 'Witte vrouwen' opent. Daarin lezen wij ook de regels: 'haar zoon en ik gaan zeer verscheiden wegen'. Dat is zo, een van die sublieme jeugdvriendschappen waarin jonge mensen 'aan elkaar ontbranden' - zoals Marsman het uitdrukte, en Lehning viel hem bij in zijn studie 'H. Marsman, de vriend van mijn jeugd' - was enkele jaren tevoren uitgedoofd, toen Marsman naar het katholicisme overhelde en Lehning daar, onvermijdelijk, in het openbaar tegenin ging.

Maar van hun vijftiende tot hun twee-, drieëntwintigste hebben zij als Castor en Pollux de verwarringen van het bestaan het hoofd geboden, en de wereld ontdekt. Die wereld bestond in het begin vooral uit literatuur en kunst. Toen de oorlog (van 1914-1918) voorbij was, ging de kooi van Zeist en Utrecht open, en een jaar later zaten de twee vrienden (op verschillende momenten meestal) in Berlijn, toentertijd het brandpunt voor wie het nieuwe zocht. Voor Marsman was dat vooral de expressionistische kunst en de poëzie, voor Lehning tevens de politiek. Van de hartstocht waarmee Lehning de expressionistische literatuur ontdekte (hij kreeg er alle kans toe want hij werkte enige tijd bij de befaamde uitgeverij Die Schmiede) getuigt zijn boek 'Marsman en het Expressionisme', uit 1959, nog steeds de beste studie over de jonge Marsman èn over het expressionistische streven in ons land. Maar, heel anders dan bij Marsman, loopt bij Lehning de ontdekking van de nieuwe kunst geheel synchroon met die van de politiek. In 1920 leest hij voor het eerst iets van de syndycalistische anarchist Bakoenin, en dat heeft zijn politieke denken blijvend gevormd.

Lehnings hele leven is in het teken blijven staan van de gelijkwaardigheid van politiek en cultuur, al moet ik daaraan toevoegen dat er van vervlochtenheid haast nooit sprake is. Van deze opmerking zal Lehning zelf opkijken, maar mij zijn vrijwel geen artikelen, laat staan uitvoerige studies, van zijn hand bekend waarin hij de twee uitingsvormen tot elkaar herleid, de ene kant uit of de andere. Afgezien van zijn boeken over Marsman, en van de tientallen studies en lezingen die hij tot in recente jaren over de literatuur, en vooral over zijn literaire vrienden (Marsman, Slauerhoff, Ter Braak), heeft geproduceerd, toont zijn bibliografie een onoverzienbare stroom korte en lange publicaties over politieke kwesties, van de dag, van de eeuw, of van altijd. Steeds vanuit diezelfde grondgedachte: de verdediging van de vrijheid als hoogste goed, de bestrijding van elke vorm van gecentraliseerde macht, sociaal, cultureel, economisch. Vandaar de afkeer van marxime en liberalisme tegelijk, en vooral natuurlijk van het fascisme.

Het is onbegonnen werk, in kort bestek een beeld te geven van de wereld waarin Lehning zich al in de jaren twintig bewoog. Die reikt van Joris Ivens, met wie hij in Rotterdam studeerde, tot Mohammed Hatta; van de Russsische emigranten Alexander Schapiro en Emma Goldmann tot de Duitse uitgewekenen Ernst Bloch en Walter Benjamin. Bijna allen ontmoeten zij elkaar in het blad 'i 10' dat Lehning in 1927 oprichtte, en naast hen staan - ik noem slechts een paar namen - Willem Pijper, J.J.P.Oud, Slauerhoff, Jan Romein, Bart de Ligt, Menno ter Braak, Mondriaan, El Lissitzky, Kandinsky, Arp, Moholy-Nagy, Schwitters.

Het raadsel van 'i 10' is niet dat het internationaal tijdschrift was: daar waren er in de jaren twintig en dertig veel van en Lehning had Van Doesburgh als Nederlandse voorganger (en soms zelfs als leverancier van medewerkers). Het raadsel is de bijna helderziende keuze van de medewerkers, allemaal later steunpilaren van de kunst, de literatuur, de film aan de ene kant, de politiek en de cultuurkritiek aan de andere. Toeval is dan niet meer zo'n heel waarschijnlijke verklaring. Ik denk dat wij die verklaring eerder moeten zoeken in de persoon van Lehning, in zijn intuïtie en zijn smaak, maar ook in zijn zelfbeperking. Er zijn cultuurverschijnselen waarmee Lehning niet zo goed overweg kon, het surrealisme bijvoorbeeld, maar die gaat hij dan ook uit de weg, 'i 10' is vooral een ontmoetingsplaats voor constructivisten van allerlei stempel, nieuw-zakelijken en late expressionisten. Op politiek terrein kan een marxist als Jan Romein, die de discussie met andersgezinde socialisten niet schuwt, zich uitspreken, evengoed als de christen-anarchist Bart de Ligt. Maar dogmatische geesten, van welke signatuur dan ook, komt men niet tegen in 'i 10'

Met goede smaak en intuïtie alleen zou Lehning 'i 10' intussen niet hebben kunnen maken en drie jaar in stand houden. Andere eigenschappen van zijn persoon spreken een krachtig woord mee. Als Ter Braak Lehning op zijn Parijse vriend Du Perron afstuurt, introduceert hij hem als 'een zachtmoedige Bakoenin'. Of dat nu helemaal waar is, laat ik in het midden, maar de beminnelijkheid van de man, die soms als 'drammerig' voorgesteld wordt, komt er goed in uit en die beminnelijkheid moet velen voor hem ingenomen hebben. De ontmoetingen van Lehning wijzen daar allemaal op. Als hij voor zijn gezondheid in het Zuidfranse Sanary is, zit hij in een restaurantje aan dezelfde tafel als een eenzame, en dan nog onbekende, Duitser: Ernst Bloch. Zij raken aan de praat. Lehning vertelt iets over zijn plannen met een tijdschrift, en Bloch zegt stante pede zijn medewerking toe, en belooft zijn vriend Walter Benjamin ook over te halen. Natuurlijk moet er meer aan de hand geweest zijn dan een innemend optreden. Bloch heeft zijn 'Prinzip Hoffnung' nog lang niet geformuleerd maar het moet in hem rondgespookt hebben, en beiden moeten de verwantschap ervan met het tegendraadse utopisme van Lehning onderkend hebben. Toeval, talent, herkenning - het komt allemaal bijeen.

Wat ook niet onderschat moet worden is Lehnings hardnekkigheid in het nastreven van zijn idealen. De eenentwintigjarige leest als Rotterdamse student iets van Bakoenin, en veertig jaar later zet hij de kennis, die hij een leven lang verzameld heeft, om in de 'Archives Bakounine', een standaardwerk van nu zeven delen dat (in het buitenland) als een model-editie geldt.

Nog zo'n geval. In 1927 ontmoet Lehning de Indonesische anti-kolonist, Mohammed Hatta. Zelf heeft Lehning zich dan al, in woord en daad (verdediging van Indonesische studenten tegenover de Nederlandse justitie) over de koloniale politiek uitgesproken. In 1949, tijdens de Ronde Tafel Conferentie, vraagt Hatta hem, een bibliotheek voor politiek en geschiedenis op te zetten in Jakarta, wat in de jaren daarna gebeurt. Weer een onlosmakelijke samenhang tussen twee gebeurtenissen die door meer dan twintig jaar en een wereldoorlog gescheiden worden. En, last but not least, is daar Lehnings dadendragen, op cultuurterrein, in de politieke filosofie, maar ook, en dat maken wij in Nederland haast nooit mee, in de actieve politiek. Als, geheel in bakoeninistische lijn, in Aragon en Catalonië een libertaire revolutie uitbreekt, is dat naar Lehnings zeggen, de gelukkigste tijd van zijn leven. Hij was erbij, zoals hij zo vaak, 'per toeval' of hoe dan ook, 'erbij was' als er iets beslissends te gebeuren stond.

Van dichtbij gezien een mozaïek van handelingen en in geschrifte vastgelegde ideeën, van iets verder af, vanaf het punt waar wij nu staan: een spiegel van de twintigste eeuw, zoals alleen een sterke persoonlijkheid dat kan zijn, iemand die het principe van de hoop steeds weer de wanhoop het zwijgen op heeft doen leggen. Lehnings uitvoerigste essaybundel draagt de titel 'Ithaka'. Die is ontleend aan een gedicht van Kavafis. Niet voor niets: 'Als ge vertrekt op uw tocht naar Ithaka smeek dat uw weg lang moge zijn, vol van avonturen en kennis. (...) Ithaka gaf u de schone tocht. Zonder dat waart ge niet op weg gegaan. Maar meer heeft het u niet te geven.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden