artel ythe

Mensen blijven denken dat een ondervraging met geweld meer informatie oplevert. Het rapport van de Amerikaanse senaat over de CIA-praktijken weerlegt deze martelmythe.

Het waken over de veiligheid van Amerika en zijn inwoners is een beroep dat tot filosofische overpeinzingen leidt. "Er zijn bekende onbekendheden", oreerde toenmalig minister van defensie Donald Rumsfeld in 2002 over de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak. "Dat wil zeggen dat er dingen zijn waarvan we weten dat we ze niet weten. En er zijn onbekende onbekendheden, de dingen waarvan we niet weten dat we ze niet weten. En als je kijkt naar de geschiedenis van ons land, en andere vrije landen, dan zijn de dingen in die laatste categorie doorgaans de lastige."

Dat was een paar maanden na de aanslagen van 11 september 2001. De Verenigde Staten suizebolden nog van de klap die terroristen van Al-Qaida hen in New York en Washington hadden toegebracht. Maar er was snel gehandeld. Het Taliban-regime in Afghanistan, dat Al-Qaida gastvrijheid had geboden, was omver geworpen. In die regio werden bij bosjes terreurverdachten gearresteerd. De grote onbekendheid: was Al-Qaida in staat tot nog zo'n grote aanslag, en wie kon daarover iets vertellen?

Memorandum

Vijf dagen voor de overpeinzing van Rumsfeld had president George W. Bush een geheim memorandum ondertekend waarin terreurverdachten buiten de bescherming van de Geneefse Conventies werden geplaatst. Een paar weken erna viel Al-Qaida-strijder Abu Zubaydah de VS in handen.

In eerste instantie werd hij door de FBI ondervraagd, en vertelde hij van alles over de organisatie. Maar volgens de CIA moest hij meer weten, had hij vast en zeker kennis van een nieuwe grote aanslag in Amerika. Het zoeken begon naar hardere, effectievere, maar nog wel legale methoden om hem te ondervragen.

Op 3 augustus arriveerde in de buitenlandse gevangenis waar Zubaydah werd vastgehouden het telegram met het groene licht van het ministerie van justitie.

Op vier augustus om tien voor elf werd hij uit zijn cel gehaald, tegen een muur gekwakt, geslagen en geconfronteerd met wat zijn aanstaande doodskist moest voorstellen. Tegen half zeven begon het waterboarden en werd hij tweeënhalf uur lang telkens opnieuw op het randje van verdrinking gebracht, met tussendoor net genoeg tijd om te zeggen dat hij niet wist wat zijn ondervragers wilden weten.

"Het is begonnen", schreef een CIA-arts die het in de gaten moest houden in zijn verslag. Het zou zeventien dagen en nachten doorgaan.

IJskoud

Het rapport van de senaatscommissie voor de inlichtingendiensten dat deze week verscheen, brengt minutieus in kaart hoe het begon. En hoe het uit de hand liep. Het is een politiek en bestuurlijk rapport, geen wetenschappelijke studie. Maar het zou wel eens een rijke bron kunnen zijn van gegevens voor zo'n studie. Want door de ijskoude feitelijkheid van veel van de rapportages en e-mails van de ondervragers en hun bazen schemert ook door wat de psychologische gevolgen waren van de activiteiten in die black sites, zowel voor de gemartelden als voor hun ondervragers.

Abu Zubaydah was bijvoorbeeld na een tijdje zo murw dat hij geen schijn van verzet meer bood. Als een ondervrager alleen maar zijn wenkbrauwen optrok, liep hij naar de tafel waar het waterboarden plaatsvond en ging zitten. Twee keer met de vingers knippen en hij ging er voor liggen.

Degenen die het werk moesten uitvoeren, hadden het ook niet makkelijk. Na vier dagen al rapporteerde een van hen dat de eerste sessie een diepe indruk maakte op iedereen. 'De algemene opinie lijkt te zijn dat we niet veel verder kunnen gaan. Iedereen houdt zich nog goed, maar als we door moeten, weten we niet hoe lang nog.' En een dag later al: 'Twee of drie gaan waarschijnlijk overplaatsing aanvragen.'

Slachtoffers

Het lijkt een kromme, zelfs immorele vergelijking: wie is hier nu het slachtoffer? Maar de overeenkomst is dat zowel de ondervragers als de gemartelden mensen zijn die in een extreme situatie terecht zijn gekomen. Een situatie die hun gevoel zal veranderen over de wereld waarin ze leven: wat is daar normaal, wat is daar menselijk, kun je jezelf er ooit nog veilig voelen? Voor beiden geldt dat ze na die ervaring een flink risico lopen op een post-traumatische stress-stoornis.

De gemartelde heeft geen keuze, maar degene die martelt wel. Hoe komt die zo ver, als normale menselijke gevoelens het zo'n weerzinwekkende activiteit vinden? Als folteren zo universeel wordt afgekeurd dat elk land ter wereld de VN-tekst onderschrijft dat 'geen enkele uitzonderlijke omstandigheid, zij het een oorlogstoestand, dreiging van oorlog, interne politieke instabiliteit of wat voor openbare noodsituatie ook, mag worden ingeroepen als rechtvaardiging', hoe komt het dan dat het nog steeds gebeurt?

Maar zowel historisch als psychologisch onderzoek draaien het om: martelen is van alle tijden, en telkens als je denkt dat je het de kop hebt ingedrukt, duikt het weer op.

Mythe

De Amerikaanse hoogleraar recht Jeannine Bell noemde dat in een overzicht van zulk onderzoek dat ze een paar jaar geleden publiceerde 'de martelmythe': het idee dat het nu eenmaal de meest effectieve methode is om iemand te ondervragen.

Dat is het dus niet. Volgens Bell steunt de mythe op drie foutieve gedachten. De eerste is dat je iemand aan het ondervragen bent die schuldig is en over waardevolle informatie beschikt. Zo iemand als de CIA dacht dat Abu Zubaydah was. Alleen dan heeft het immers zin om te martelen. Maar die aanname klopt lang niet altijd. Zelfs van degenen die in Guantánamo Bay terechtkwamen, de 'ergsten van de ergsten' volgens Rumsfeld, bleek later de overgrote meerderheid onschuldig.

De tweede aanname is dat je met martelen in ieder geval uit iemand krijgt, wat hij weet. Maar ook dat is niet waar. Gemartelden gaan misschien vertellen wat hun ondervrager wil horen. Of ze weten de beproeving te doorstaan. De Amerikaanse onderzoeker Lisa Silverman ging bijvoorbeeld in archieven na hoe vaak verdachten van misdrijven in vroeg-middeleeuws Frankrijk bekenden na foltering. Van de 625 gevallen die ze onderzocht, bleef meer dan de helft bij zijn onschuld.

De psycholoog Albert Biderman onderzocht hoe het 220 Amerikaanse militairen was vergaan die krijgsgevangen waren genomen tijdens de Koreaanse oorlog. Hij concludeerde dat die meer hadden losgelaten na psychologische druk dan na geweld of dreiging daarmee.

En als een verdachte praat, wat heb je dan precies? Niemand minder dan senator John McCain benadrukte na de presentatie van het rapport dat een gemartelde niet de beste informatiebron is.

McCain werd gefolterd tijdens zijn gevangenschap in Vietnam, en zijn manier om daarmee om te gaan was typerend: hij zei wat zijn ondervragers hoopten te horen, of het nu waar was of niet, als ze maar ophielden. En ook hier is er statistisch onderzoek dat dit bevestigt: politie-verhoren in de VS waarbij een verdachte bekent duren gemiddeld ruim twee uur. Maar bij de bekentenissen die later verzonnen bleken te zijn, had het verhoor ruim 16 uur geduurd. Dus een langere periode waarin de duimschroeven (figuurlijk) werden aangedraaid, was genoeg om de verklaring van de verdachte af te laten drijven van de realiteit.

Je mag als ondervrager hopen dat je dat doorhebt. Maar het is ijdele hoop, schrijft de Amerikaanse psycholoog Mark Costanzo. Als we moeten beslissen of iemand de waarheid spreekt of niet, hebben we het maar in 54 procent van de gevallen goed, nauwelijks beter dan wanneer we blind gokken.

Getrainde ondervragers doen het niks beter. Maar die ondervragers zijn er wel veel sterker van overtuigd dat ze de leugens van iemands gezicht kunnen aflezen.

En daarmee is de cirkel rond. In de overtuiging dat een gevangene waardevolle informatie heeft, en dat er haast bij is om die uit hem te krijgen, wordt marteling toegepast. Als die geen resultaat oplevert, welk scenario geeft dan meer gemoedsrust, en meer zekerheid over wat er moet gebeuren? Dat de gevangene al die tijd meewerkte en ten onrechte al die ellende heeft moeten weerstaan, of dat hij koppig weerstand blijft bieden en die kleine oorlog tussen vier muren dreigt te winnen? De stap naar nog extremere foltering is dan logisch. En werd door de CIA ook steeds weer gemaakt, zo blijkt uit het senaatsrapport.

Hooghartig

En zo kon het gebeuren dat donderdagavond John Brennan met een somber gezicht de pers te woord stond. In zijn vorige baan, als adviseur binnenlandse veiligheid van president Barack Obama, de president die het martelen verbood, kon hij nog hooghartig zeggen dat die aanpak vaak slechte informatie oplevert.

Nu hij directeur is van de CIA, baas van een door het rapport zwaar aangeslagen dienst, moet hij in navolging van de regering-Bush zijn toevlucht nemen tot ambtelijke eufemismen en een filosofische uitvlucht: "Gevangenen die werden onderworpen aan verbeterde ondervragingsmethoden hebben daarna informatie gegeven die onze experts bruikbaar en waardevol vonden in onze inspanningen tegen het terrorisme. De oorzaak-gevolg relatie tussen het toepassen van die methoden en het krijgen van die informatie is niet bekend, en niet kenbaar."

De tweede foutieve aanname is dat je met martelen uit iemand krijgt wat hij weet

De eerste foutieve aanname is dat degene die je ondervraagt schuldig is en waardevolle informatie heeft

'Waterboarding'. Geen installatie in de kelders van de CIA, maar in een galerie in Londen. Een aanklacht van kunstenaar Steve Lazarides.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden