Art nouveau van de schappen

Affiche voor Delftsche Slaolie van Jan Toorop, 1894. (COLL. RIJKSMUSEUM)

De prachtige collectie Art nouveau leidde in het Rijksmuseum jarenlang een donker bestaan. In het Singer in Laren zijn de stukken nu in al hun glorie te bewonderen.

Op het eerste gezicht heeft het er veel van weg dat het Rijksmuseum blijmoedig mee wil deinen op de stroom tentoonstellingen die een immense bijdrage levert aan de populariteit die de Art nouveau ten deel valt.

Er gaat geen jaar voorbij of er is wel sprake van een uitgebreide terugblik op een periode die grofweg tussen 1890 en 1918 valt te dateren. Zo rondde het Drents Museum in Assen kortgeleden een presentatie af van de vaste collectie uit het Design Museum in Gent. Eerder liet het Haagse Gemeentemuseum zich niet onbetuigd met een terugblik op de Haagse variant van deze stijl. Een museum moet in dit nieuwe jaar dan ook goed beslagen ten ijs komen om daar nog iets nieuws aan toe te voegen. Slaagt het Rijksmuseum daar in ?

Het enige ’nationale’ museum van oude kunst en kunstnijverheid gaat er prat op dat het in een halve eeuw verzamelen van decoratieve kunst uit de jaren 1890-1920 een topcollectie heeft opgebouwd. Dat mag zo zijn, maar het is een kennis die slechts weinigen ooit met eigen ogen hebben getest. Lang voordat het grootste deel van het Rijks voor de zich nog steeds voortslepende renovatie werd afgesloten, bevond de collectie Art nouveau zich uitsluitend in de depots. Een enkele keer kwamen onderdelen aan het daglicht, zoals bij de tentoonstelling over de ’lelijke tijd’, samengesteld door oud - museumdirecteur Henk van Os.

Echt toegankelijk was het deel Art nouveau daarmee nog steeds niet geworden. Gelukkig hebben de conservatoren in het Rijks hun aandacht voor dit tijdvak niet verloren. Op verschillende momenten doken ze de depots in om hun kennis en inzichten bij te stellen. Dat zal tot gevolg hebben dat er zodra het totale museum weer opengaat, een vaste opstelling tot stand komt die hopelijk een duidelijke visie op de 19de eeuw te zien geeft. Ooit waren er in Amsterdam plannen (Ronald de Leeuw, oud-directeur van het Rijksmuseum maar destijds directeur van het Van Goghmuseum, maakte zich er sterk voor) om tot een museum te komen dat gewijd zou zijn aan die zo geroemde 19de eeuw.

Een andere vrucht van het onderzoek naar de eigen collectie leidde tot een uitstekende publicatie in boekvorm, zodat de collectie Art nouveau in deze vorm voor het publiek ontsloten is. Het boek dient nog een tweede doel. In afwachting van zijn definitieve openstelling stuurt het Rijksmuseum delen van zijn collectie op reis door het land en naar buurlanden. Een mooie aanleiding dus om in het kader van dit streven een keus uit de stukken te tonen die uit de jaren 1890-1920 dateren. Vorige week opende het Singer Museum in Laren (NH), niet eens zo ver van Amsterdam gelegen, zijn deuren voor wat tot een helder ingerichte en daardoor intrigerende tentoonstelling heeft geleid. Niet het minst omdat het Rijksmuseum bij monde van de samenstellers Jan Daan van Dam en Jan Jaap Hey zich de vraag stellen of die Art nouveau wel zo vernieuwend was als altijd wordt aangenomen.

Het antwoord dat zij op die vraag geven is heel verrassend. Je mag dan denken dat deze kunst zo vernieuwend was, in de ogen van Van Dam en Hey wortelde ze nog helemaal in de kunst van de 18de en 19de eeuw. Ten aanzien van de decoratieve kunst en de binnenhuiskunst (want het gaat hier niet om autonome beeldende kunst, maar om versieringskunst die in het Nederlandse interieur werd opgenomen) deden zich pas rond 1920 de eerste revolutionaire vernieuwingen voor. Zie het Nieuwe Bouwen en de ontwerpkunst van De Stijl met Van Doesburg, Vantongerloo en Rietveld. En de Art deco, die als een waardige opvolger van de Art nouveau wordt beschouwd? Die ligt toch echt in het verlengde van de Art nouveau en is daarmee een allerlaatste ’oprisping’ van de op versierlust ingestelde ontwerpers.

Maakt dat de kwaliteit van de ’nieuwe kunst’ er minder om? De Art nouveau was vernieuwend, in die zin dat haar ontwerpers een einde willen maken aan de snel teruglopende kwaliteit van de vele voorwerpen die in het Hollandse binnenhuis werden binnengehaald. Een meubelstuk moest weer eerlijk vakmanschap uitstralen, gemaakt door een eersteklas vakman. Geen timmerman die zijn gebrek aan scholing verdonkeremaande door de constructie van wat hij maakte ondergeschikt te maken aan het uiterlijke effect. Geen pottenbakker die zijn kennis en inzichten over pigmenten en glazuren ondergeschikt maakte aan het toeval. Geen kunstenaar die zijn historische kennis over stijlen uit het verleden zo overdadig wilde etaleren dat er in een tijdsverloop van minder dan een halve eeuw een rist aan neo-stijlen van gotiek tot rococo kon ontstaan.

De ontwerpers en kunstenaars (die in het Singer met enkele schilderijen worden uitgelicht) gingen echter ook weer niet zo ver dat ze rücksichtslos met het verleden wilden breken. Ze zochten hun ontwerpvrijheid in de natuur en kwamen op het idee dat de slingerende plantenstengel een prachtig decoratief hulpmiddel kon zijn, Jan Toorop met zijn affiche voor Delftsche Slaolie voorop.

Maar wie goed kijkt in Laren, waar deze tentoonstelling zo verleidelijk is ingericht dat je alles eigenlijk wel beeldschoon zou willen noemen, ziet hier en daar dat in die eindeloze plantenlijnen nog veel van de ideeën over de natuurbeleving ten tijde van de rococo doorklinkt. Dat geldt voor objecten in zilver, koper en aardewerk net zo goed als voor textiele vormgeving (tapijten, gordijnen, wanddecoratie) waarvoor het alsmaar repeterende motief in eeuwenoude oosterse culturen (India en de Oriënt) werd gevonden.

Van een plotselinge omslag in het ambachtelijke denken was evenmin sprake. De Nederlandse Art nouveau, toch al minder exuberant dan haar Franse en Belgische zusjes, kwam als het ware glijdend aanzetten. Niet iedereen maakte van begin af aan gebruik van golvende lijnen. Grafische vormgevers waren er rond 1893 als de eersten bij om zich in een organische taal uit te drukken, maar glasontwerpers hielden tot zeker 1915 aan traditionele vormen vast.

De later beroemd geworden glasontwerper Andries Copier behield grote voorliefde voor de natuur, al zocht hij bij aanvang van de Art deco in de jaren ’20 ook naar geometrische vormen. De meeste experimenten voltrokken zich in de keramiekwereld, maar ook die kende een scheiding tussen decorateurs en vormgevers. Bij veel bedrijven werden schilders ingezet om klassieke vaas- en potvormen te decoreren.

Alleen bij een select aantal kleine bedrijven werd over nieuwe vormen nagedacht. Soms werden bij een en hetzelfde bedrijf objecten gemaakt die heel plantaardig oogden en andere die aan islamitische motieven zijn ontleend. De ontwerpers waren daar niet minder integer om; beïnvloeding is van alle tijden en de culturele globalisering dateert al vanaf de Gouden Eeuw. Het gaat echter te ver om in hun werk de grote vernieuwing te zien die hun nu zo kritiekloos wordt toegeschreven.

Het beste voorbeeld laat H.P. Berlage zien, die aanvankelijk sterk op de Engelse variant van de Art nouveau, Arts and Crafts geheten, was gericht. De vroege binnenhuisontwerpen van Berlage ogen middeleeuws met het donkere en loodzware eikenhout dat toch graag de eigenlijke constructie wil verraden.

Of neem Michiel de Klerk, die met chic ogend donker hout een bankstel als een ware vesting bouwde. Bij beiden is de opmaat naar expressiviteit gekoppeld aan abstract constructivisme te zien, maar tot die revolutionaire stap is het bij hen nooit gekomen.

(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden