Art nouveau en art deco uit België

Belgische Art-Nouveau en Art Deco meubelen in het Drents Museum (Trouw)

In het Drents Museum in Assen is bijzonder meubilair en serviesgoed te zien van Belgische kunstenaars.

Eindeloos krullende lijnen, soms uitmondend in een zweepslag of in een nog elegantere florale stengel, dat is het beeld dat onmiddellijk oprijst als de term art nouveau valt. Deze stijl, die aan het einde van de 19de eeuw als een roemruchte vernieuwingsbeweging heel Europa in haar ban hield, was een kort leven beschoren. Elke vorm van (organisch ingekleurde) vernieuwing sneefde roemloos in het oorlogsgeweld dat tussen 1914 en 1918 diepe voren door de Europese cultuur sneed. Maar diezelfde cultuur had ook weer voldoende veerkracht om voor iets heel nieuws te zorgen. En omdat de Europese bevolking na jaren van duisternis toe was aan weer wat luxe, groeide er op de puinhopen van Verdun en Ieper een nieuw soort kunst die vanuit Frankrijk de art deco werd genoemd.

Deze twee stromingen zouden niet alleen in Frankrijk, maar ook in België tot een enorme productie aan objecten leiden die een plaats in het nieuwe binnenhuis kregen. Een museum in het Vlaamse Gent dat tegenwoordig kortweg het Design museum heet, heeft de twee stijlen tot zijn core business verklaard en verzamelt kunstnijverheid op een zodanige schaal, dat het er ook mee naar buiten kan komen. Onder de titel ’Art Nouveau en Art Deco uit België’ presenteert het Gentse museum (tot 2002 Museum voor Sierkunst en Vormgeving geheten) zich deze winter in het Drents Museum in Assen. De Drentse hoofdstad is voor de Belgen een uitgelezen locatie: zelf verzamelt het Drents Museum immers de ’schone kunsten’ uit de tweede helft van de 19de eeuw, zij het dat daar ook veel schilderkunst bij komt kijken. Maar in de wijze waarop Gent zich in Assen presenteert, worden jammer genoeg geen dwarsverbanden gelegd, misschien wel omdat die er nauwelijks zullen zijn.

Gent en meer nog Brussel laten zien dat de art nouveau een afsteek naar de architectuur kent met belangrijke art nouveau vertegenwoordigers als Victor Horta en Henry Van de Velde. De laatste heeft ook in Nederland belangrijke architectuur nagelaten, de oudbouw van het Kröller-Müller Museum in Otterlo bijvoorbeeld. Wat Van de Velde voor deze tentoonstelling zo interessant maakt, is dat hij niet alleen de art nouveau heeft ’uitgedragen’, maar ook de overgang van art nouveau naar art deco heeft meegemaakt. Beide bouwstijlen kwamen in Assen echter sporadisch aan bod en wie er tegenwoordig rondloopt ziet wel veel eclecticisme en neo-stijlen, maar de hoekige en soms zelfs haakse elementen die de architectuur van de jaren ’20 kenmerken, zijn er nauwelijks te vinden.

Denk trouwens niet dat er onder de titel van de tentoonstelling een compleet beeld van deze twee verzamelgebieden van het Gentse museum schuilgaat. De art nouveau heeft in de Leiestad een overdreven Vlaams accent gekregen, terwijl de stijl toch via Nancy en Parijs naar Brussel werd geëxporteerd waar ze onmiddellijk door de Franstalige ingezetenen omhelsd werd. Victor Horta, de belangrijkste bouwmeester van de periode rond de eeuwwisseling, heeft zijn oeuvre grotendeels in Brussel nagelaten. Zijn ontwerpen dragen er dan ook allemaal Franse namen: Palais des Beaux-Arts (tegenwoordig vernederlandst in Bozar), de hotels Tassel, Autrique en Solvay, het warenhuis Innovation en de Grand Bazar Anspach. Toegegeven, Horta werd in Gent geboren en heeft daar ook in zijn begintijd huizen laten bouwen, maar eenmaal in Brussel bereikte hij in zijn ontwerpkunst een sierlijke monumentaliteit die onmiskenbaar Franse accenten had.

Voor de ’Belgische’ collectie van het Gentse museum is Horta daarom zo belangrijk, omdat hij een architectonisch ontwerp als een soort van Gesamtkunstwerk beschouwde. Interieur en exterieur vormden een niet te separeren geheel, met andere woorden: de art nouveau hield niet bij de voordeur op, maar verplaatste zich via de kronkelende en spiralende houten trap naar de salons die met hun rijke betimmeringen een weldadige indruk maakten. Dit streven naar zo’n Gesamtkunstwerk onder architecten was overigens een essentieel onderdeel van het artistieke proces waarin zich zowat elke Europese architect bevond. Charles Rennie Mackintosh in Glasgow, Antoni Gaudí in Barcelona, Peter Behrens in Duitsland, Otto Wagner in Oostenrijk en de Nederlanders Pierre Cuypers en Hendrik Petrus Berlage hebben allemaal, naast de gebouwen die ze ontwierpen, voor bijpassende meubelen, verlichtingsarmaturen en soms zelfs serviezen gezorgd.

Dit streven naar een gebouw dat uitgroeide tot een totaalkunstwerk werd ook na de Eerste Wereldoorlog voortgezet. Maar het was gedaan met de zweepslaglijnen en eigenlijk raakte elke verwijzing naar een herkenbare, organische vorm (vooral bloemen, maar ook vlinders, kikkers en vogels) uit de gratie. De pijnlijke herinneringen aan het oorlogsgeweld echoën in feite nog na in de expressieve vormgeving van hoekige woonpaleizen, dito tuinen, hoekige salonmeubelen en dito verlichtingsarmaturen. Met de meandervorm (genoemd naar een rivier in Turkije die met omega-bochten een lang traject afstroomt) werden meubelstoffen en tapijten zo vaak gedecoreerd, dat menigeen moet hebben gedacht dat hem een landkaart onder de neus werd geduwd.

Anderzijds laat de Belgische art deco ook een bijna overdreven hang naar exotisme zien. Stoffen met tijgerprent die sinds het begin van de 21ste eeuw helemaal terug in de mode zijn, beleefden hun opkomst in de jaren ’20 van de vorige eeuw. Ook verlichtingsarmaturen toonden prints en ingenieuze, aan de glaskunst refererende stijltrekken die weinig ’inlands’ aandeden. Gedachten aan de koloniën in Afrika steken de kop op bij het zien van decoraties met edelstenen en voorstellingen met de overgestileerde zwarte medemens, niet zelden naakt getoond omdat daarmee de status van de ’nobele wilde’ kon worden verklaard. Ook alweer in Frankrijk hupste de zwarte variété-artieste Josephine Baker slechts gestoken in een bananenrokje met een luipaard over de bühne. En ja, het leidde er toe dat luipaardprint nadien weer op stoffen was te zien.

Het is jammer dat het Design museum met deze presentatie al bij de art nouveau zijn kruit heeft verschoten. De art deco komt alleen in de paar laatste zalen in beeld en dan nog weinig overtuigend. Manco’s op dit gebied worden ongetwijfeld aan het in het verleden menigmaal haperende verzamelbeleid toegeschreven, maar vermeld zoiets dan even op de rondgang of in de begeleidende publicatie. Of zou Gent zijn beste art deco stukken hebben achtergehouden om het Asser publiek te verleiden alsnog naar Vlaanderen af te reizen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden