Arnon Grunberg 'In zekere zin ben ik een zwakkeling'

Arnon Grunberg schrijft in zijn nieuwste roman 'De man zonder ziekte' directer dan in zijn eerdere boeken.

De bibliotheek van het Ambassade Hotel in Amsterdam is doorgaans een ontmoetingsplek voor de pers met buitenlandse schrijvers. Dus het klopt eigenlijk wel dat we Arnon Grunberg (Amsterdam, 1971) hier spreken. Wonend in New York en rondtrekkend over de hele wereld, ís hij immers eigenlijk ook een buitenlandse schrijver.

Zijn jongste roman speelt zich af in Irak, Zwitserland en Doebai. In 'De man zonder ziekte' fileert hij vilein ons - volgens de auteur - misplaatste idee van een compleet veilig bestaan. Om de ernst van de situatie van hoofdpersoon Sam (een Zwitserse architect die een opera hoopt te bouwen in na-oorlogs Bagdad) zo treffend mogelijk voor de geest te halen, breekt Grunberg met zijn kenmerkende absurdistische zinnen. De ongerijmdheid zit nu meer in de situatie waarin hij zijn hoofdpersoon loodst, dan in de taal. Het verhaal is dwingend, houdt de lezer van het begin tot het eind scherp. En dan nog: wie 'De man zonder ziekte' uit heeft, weet nooit helemaal zeker wat hem is overkomen. De nieuwe Grunberg is gelukt. Alweer.

Merkte u al schrijvende dat u op de goede weg was?
"Je bent in de eerste plaats bezig met het schrijven van een boek, dus je bent bezig met een technisch proces. Ik was me deze keer wel heel erg bewust van de spanningsboog. In dit boek was het heel belangrijk dat de lezer de spanning voelt die de hoofdpersoon voelt. Ik wilde een wereld oproepen waarin achtervolgingswaanzin, paranoia, echt voelbaar werd."

U hanteert een afwijkende schrijfstijl in deze roman. Geen absurdistische zinnen, geen omwegen. Is dat een ontwikkeling of was dat voor deze gelegenheid?
"Ik denk het laatste. Ik bedoel; ik kan me voorstellen dat ik juist ook weer teruggrijp naar dergelijke zinnen. Maar in dit boek moest de taal zelf niet afleiden van het verhaal. Zodat de lezer het absurdisme van de situatie waarin Sam terechtkomt als heel reëel ervaart."

U bent zelf in Bagdad geweest. Had wat Sam overkomt, ook u kunnen gebeuren?
"Voor mij is dit een heel realistisch verhaal. Ik merk dat er lezers zijn die denken: dat kan toch niet zomaar? Of: nee, ons kan dit nooit gebeuren. Maar dat kan wel. En dat zeg ik niet alleen omdat ik verschillende keren in oorlogsgebieden ben geweest. Er zijn genoeg gevallen bekend van mensen die op grond van foutieve informatie vijf jaar op Guantánamo Bay vastgezeten hebben. Dan kun je zegggen, ach, wat is nou vijf jaar Guantánamo Bay, maar het lijkt me toch een behoorlijk trauma. Het kan zomaar gebeuren.Toen ik als journalist in Bagdad was, ben ik wel bang geweest dat ze mij zouden aanzien voor iemand anders, een spion."

'De man zonder ziekte' draait grotendeels om de westerse waan van een wereld waarin we veilig zijn. Een illusie, merkt architect Sam. In Bagdad komt hij nog levend weg, in Doebai niet meer. Denkt u ook werkelijk dat veilig zijn een illusie is?
"Ik denk dat veiligheid een obsessie is geworden. We zien veiligheid als een recht. Ik geloof dat het beter zou zijn als we een beperkte mate van onveiligheid accepteren."

Sam blijft onder zeer onveilige omstandigheden beschaafd en beheerst.
"Ja, ik begreep Sam wel, misschien omdat dat ook wel in mezelf zit. Het heeft weinig zin om..... Agressiviteit is in heel veel gevallen contraproductief. Sam kon het zich ook niet permitteren in zijn benarde situatie. Op het moment dat je je gaat opwinden, verspeel je je laatste kans."

Dat is wel erg verstandelijk geredeneerd.
"Dat is het ook. Maar zo is Sam. En ik ook."

Is het idee voor 'De man zonder ziekte' tijdens uw verblijf in Bagdad ontstaan?
"Dat is geleidelijker gegaan. Ik ben er vier keer geweest en bij de derde keer ging me iets dagen. Mij is in die tijd ook gevraagd om een essay te schrijven over vervreemding. Ik kwam daar niet helemaal uit. Toen dacht ik: ik ga een verhaal schrijven. En toen ik dat verhaal schreef, merkte ik dat er meer in zat: dit zou nog wel eens een novelle of een roman kunnen worden, dacht ik. Het na-oorlogse Irak leent zich toch wel heel goed voor een boek. Een bijkomstigheid was dat er niet heel veel romans zijn die zich daar afspelen. Dit was ook mijn kans om Irak de literatuur in te slepen. En dan eens niet vanuit het perspectief van een militair die terugblikt, maar vanuit een architect die graag iets wil doen aan de wederopbouw van het land. Ik had dit boek niet kunnen schrijven zonder in Bagdad geweest te zijn."

Waarom niet? Je kunt een roman toch ook compleet verzinnen?
"Dat kan, maar ik zou het niet kunnen. Fantasie, verbeeldingskracht is een goeie motor, maar ik had mijn eigen fantasie niet vertrouwd. Daarom zou ik ook nooit een echte historische roman schrijven. Ik vind het een prettig idee dat ik weet wat ik schrijf en dat kan niet goed zonder ergens geweest te zijn."

Dat reizen van u geeft uw werk iets internationaals. Heeft u het rondtrekken literair nodig?
"Als ik alleen op mijn kamer blijf schrijven, dan stop ik te weinig in die motor van de verbeeldingskracht. Op een gegeven moment kom je in een wereld terecht die alleen nog maar uit schrijvers, literatuur en festivals bestaat. Daar is niks mis mee maar het maakt het allemaal wel heel klein. Dorps. Zelfs al zit je in een internationaal circuit, je bent allemaal met hetzelfde bezig. Ik vind nieuwsgierigheid een prettige eigenschap en ik vind dat mijn reizen naar oorlogsgebieden mijn leven verrijken - ik heb daar ook momenten van intens geluk beleefd. Ze verrijken ook mijn schrijverschap. Ik vind dat ik moet waken voor vervreemding. Je zou haast vergeten dat er ook nog mensen zijn op deze wereld die andere dingen aan hun hoofd hebben dan de literatuur."

Maakt u wel deel uit van dat literaire wereldje?
"Nou, nee dat valt reuze mee. Soms kom ik schrijvers tegen. Laatst Herman Koch nog, een ontzettend aardige man. Opvallend aardig voor een schrijver. Schrijvers zijn meestal niet zo aardig - misschien ben ik zelf ook wel niet zo aardig. Christiaan Weijts heb ik pas ontmoet en met Cees Nooteboom heb ik een soort haat-liefde verhouding. Of nee, zo is het ook weer niet. Het is een liefdevolle relatie. Ik heb me wel eens kritisch over zijn boeken uitgelaten, dat leest hij dan allemaal en dat krijg ik dan weer van hem te horen."

Maar echt bevriend met mede-schrijvers bent u niet, toch?
"Nee, maar ik ervaar dat ook niet als een enorm gemis. Zoals ik al zei: Het wordt gauw benauwend als je je alleen omringd met mensen die bezig zijn met boeken. Ik heb bovendien niet de behoefte om samen met een collega over het ambacht van het schrijven te spreken, of zoiets. Als ik daar iets over wil weten dan lees ik hun boeken wel."

Intussen gaat uw status gestaag bergopwaarts. Lovende kritieken, prijzen, vergelijkingen met grote schrijvers; Arnon Grunberg is iemand. De Grote Eén. Houdt u zich bezig met uw eigen positie binnen de literatuur?
"Ik lees wel recensies over mijn werk dus ik lees hoe er over mij wordt gesproken. Toch heb ik niet het idee dat ik nu als de Grote Eén word gezien. Sinds ik elke dag 'de Voetnoot' voor de Volkskrant schrijf, ben ik eerlijk gezegd juist verbaasd hoeveel agressie ik opwek. Misschien is het ook wel goed dat je de negatieve reacties van lezers eerder onthoudt. Ik vind een gerenommeerde status eigenlijk een onwenselijke combinatie met het schrijverschap. Het heeft iets ongemakkelijks en het is iets wat mij van nature niet ligt. Straks ga je er in geloven en dat is geen productieve positie. Ik geloof dat ik best een groot ego heb maar ik zie mezelf toch niet, zoals Mulisch, als een koning op de trap bij het Boekenbal zitten. Ik ben dan liever die koning die alleen op zijn hotelkamer zit te schrijven."

U bent anders zelf ook niet vies van een publiciteitsstunt. Dat u met een geit op een boot over het water trok rondom de verschijning van uw roman 'De Asielzoeker' is slechts één voorbeeld.
"Jawel, maar die stunts zijn dan ook weer ironiserend, natuurlijk. Over die geit op die boot hebben ze het nu nog, maar dat is al tien jaar geleden. Op een gegeven moment heb je een publiek imago dat aan je kleeft en waar je niet meer vanaf komt. Ik denk oprecht dat je status je echt in de weg kan zitten als schrijver. Want je begint gewoon steeds weer van voor af aan. Ik vind dat je aan een nieuw boek moet beginnen alsof het je eerste boek is."

Naast boeken schrijft u veel niet-literair werk, zoals columns en reportages. Bijt dat elkaar niet?
"Het vult elkaar aan. Toen Pieter Broertjes (voormalig hoofdredacteur van de Volkskrant, jvv) mij vroeg om een dagelijkse column te schrijven was dat natuurlijk, op zo'n prominente plek, een aanbod dat ik niet kon weigeren. Eerst zochten we iemand waarmee ik het om en om kon doen, maar daar kwamen we niet uit. Als compromis werd het een korte column van 150 woorden. Maar dan dus elke dag. Die Voetnoten zijn echt onderdeel gaan uitmaken van mijn leven. Ik zou bijna moeten afkicken als ze zouden stoppen. Ze dwingen mij ook om het nieuws goed te volgen en op een andere manier te schrijven. Niet literair, nee. Maar ik probeer ook niet te vervallen in een soort hoofdredactioneel commentaar."

U heeft aan het schrijven van boeken gewoon te weinig.
"Ik heb geen gezin, en ik vind het ook aangenaam om journalistieke stukken te schrijven. Het is dat ik nu allerlei afspraken heb, maar ik zou nu best ergens op af willen. Toen ik hoorde dat je via Turkije naar Syrië kon dacht ik direct: daar wil ik naartoe."

Zowel in uw columns als in uw boeken geeft u een mening. Moet een schrijver de lezer meer meegeven dan slechts een verhaal?
"Dat wordt van schrijvers verwacht. Een volstrekt apolitieke schrijver zijn lijkt mij onmogelijk. Je vervult een publieke rol, je hebt verantwoordelijkheid. Hoe je dat vervolgens brengt is iets anders. Ik heb er een hekel aan als er te veel een morele verontwaardiging in een stuk doorklinkt. Zo van: kijk mij nu eens aan de juiste kant staan. Maar ik vind wel dat je mensen op een analytisch en intellectueel niveau mag aanspreken. De onderbuik wordt al genoeg bespeeld, dus waarom zou je daar in meegaan?"

Staat alles wat u doet in het teken van uw schrijverschap?
"Wel indirect. Het ontmoeten van andere mensen en het betreden van wezenlijk andere werelden is nodig om te kunnen schrijven."

Vindt u zichzelf geslaagd in andere zaken dan het schrijven? Bijvoorbeeld als vriend?
"Ik denk wel dat ik ben uitgegroeid tot een goede zoon. Als vriend denk ik dat ik beter kan. Ja, als vriend - ook als vriend in een liefdesrelatie - schiet ik tekort. Dat komt voor een groot deel door mijn werk. Het is een kwestie van prioriteiten, maar ook hoe ik ben als persoon. Veel mensen vinden het vervelend als ze thuiskomen en er is helemaal niemand. Ik vind het juist een verademing als er niemand is. Ik vind het bijvoorbeeld ook helemaal niet onprettig om alleen een boek te lezen, of om naar de film of naar het theater te gaan. Helaas doe ik dat te weinig."

Legt u zich neer bij het feit dat u tekort schiet als vriend?
"Ik ben in zekere zin een zwakkeling. Ik vind mijn werk heel belangrijk, maar ik ben ook geneigd om het mensen naar de zin te maken. Er is een voortdurend spanningsveld. Je hebt wel te maken met mensen met andere verwachtingen. Die verlangen dat ik tijd voor ze vrij maak. Het is allemaal een uit goede bedoelingen voortkomende tragedie."

De man zonder ziekte. Arnon Grunberg. Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar. 224 bladzijden. ISBN 9789038894836. Prijs € 17,50

Indringender ook. Raker. Hij lijkt inderdaad, zoals Trouw-columnist en recensent Rob Schouten onlangs schreef, 'de Nederlandse literatuur te zijn ontgroeid'.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden