Review

ARNOLD KARSKENS'Het leed van de wereld rust niet op mijn schouders'

'Ik weeg de belangen af. Oorlogsverslaggeving is het schrappen van gevaren en risico's. Hoe minder enge dingen hoe beter', schrijft Arnold Karskens in zijn boek 'Berichten van het front'. Het is het eerste in een serie van drie bundels, waarin de journalist Karskens zijn bevindingen als oorlogsverslaggever optekent. 'Ik ben verslaafd aan geweld geworden.'

De negen hoofdstukken in 'Berichten van het front' bestrijken ongeveer vijftien jaar burgeroorlog. Het decor wisselt van El Salvador, naar Aghanistan, Suriname, Sri Lanka, Irak, Somalië en Rwanda. Arnold Karskens beschrijft en fotografeert de gewapende conflicten gedeeltelijk als free-lancer, in opdracht van Nieuwe Revu, Trouw, Onze Wereld, Ikon, VPRO of NOS. De rode draad in het boek zijn de ervaringen van een jonge journalist die de oorlog wil zien, en ontdekt dat die anders in elkaar steekt dan hij vermoedt.

De eerste ervaringen met oorlog doet hij op als hij acht jaar is. Hij zit achter de deur van de woonkamer, en zijn ouders spreken over bezetting, overvallen en droppings: 'In het donker van de slaapkamer worden de fundamenten gelegd voor mijn oorlogsfascinatie', schrijft Karskens in zijn boek.

“Ik voelde me buitengesloten van iets waar je eigenlijk deel van uit wilde maken. Dat gevoel was belangrijker dan de dingen waar mijn ouders over spraken. Ik heb ontdekt dat meer oorlogsverslaggevers een dergelijke ervaring hebben. Oorlog is niet iets wereldvreemds. Als je het van jongsaf aan meekrijgt, kun je er beter mee overweg. Dan bepaalt het een langere periode van je leven.”

Na twee jaar opleiding aan de School voor de Journalistiek vertrekt Karskens naar Latijns-Amerika. Het is vroeg in de jaren tachtig, de verzetsbewegingen zijn een belangrijke machtsfactor in dat werelddeel. Hij voelt zich betrokken bij die groepen en besluit naar El Salvador te gaan. 'Ik vertrouw op de eerlijkheid van de guerrillagroepen. Met positieve artikelen wil ik hun strijd tegen een kleine geprivileerde groep van landeigenaren van dienst zijn.'

“Toch liep ik tegen een grote muur op. Ik waste iedere dag uitgebreid mijn sokken, om maar niet aan die oorlog te hoeven denken. En uit angst. Het leven is zeer gecompliceerd wanneer je niet weet hoe de wetten van een oorlog luiden. Het voordeel van mijn onervarenheid was, achteraf, dat het me motiveerde, ik een bepaalde drive kreeg om mezelf te bewijzen. Als het de eerste keer erg gemakkelijk was geweest, had ik oorlog na de tweede keer voor gezien gehouden.”

“Mijn voorkeur voor bepaalde groepen is verdwenen. Er bestaan geen linkse mensen. Alleen sympathieke en onsympathieke rechtse mensen. In de eerste jaren van de oorlog in Joegoslavië sprak ik met een socioloog die mij het triple fascism van de Balkan uitlegde. Er zijn moslims, Kroaten en Serven, en de enige vraag die telt is wie het geweer in handen heeft. Als de moslims nu de macht hadden, was de situatie niet veel anders geweest. Ik geloof niet dat je er als journalist verstandig aan doet een bepaalde partij te kiezen. Je wordt altijd door de geschiedenis ingehaald.”

“Ik denk niet dat één artikel ooit een oorlog heeft veranderd. Artikelen kunnen opiniërend werken, so what? De werkelijke belangen liggen anders. Economische of militaire belangen liggen niet in het verlengde van een morele verontwaardiging over een oorlog. Daar trekt niemand zich een fuck van aan. Twee jaar lang riepen journalisten dat de VN in Joegoslavië moesten ingrijpen, maar dat veranderde niet dat het een heel gevaarlijke oorlog blééf.”

Karskens vertelt over Danica Bagaric, een invalide vrouw die een paar concentratiekampen overleefde. Hij praat met haar, na drie oorlogswinters in Sarajevo. Ze zit op haar bed, kettingrokend, met een bepaalde spirit. Zo komt ze de oorlog door. Dat vindt hij bewonderenswaardig. Zij is gepolijst door de oorlog. 'Ze toont me haar flat. In de keuken staat de deur van de koelkast open. De schappen zijn leeg. Er is geen elektriciteit en geen stromend water. Het balkon achter is omgebouwd tot moestuin. In dozen en potten met aarde groeien uien. Op de grond staat een bak met houtskool waarop ze water kookt.'

“Ik denk veel aan Danica, zij maakt het leven spannend voor mij. Ik ontmoet liever haar dan Izetbegovic. Ik snap dat ook de Bosnische president de zaak besodemietert, dat zíín soldaten vanuit het regeringsgebouw de eigen burgers doodschoten. Over Danica wil ik een verhaal maken, niet over Izetbegovic. Je moet verrot zijn op zo'n positie.”

Karskens schrijft inmiddels aan zijn tweede boek, dat als onderwerp de geschiedenis van de Nederlandse oorlogsverslaggeving sinds de Tweede Wereldoorlog heeft. Daarin duikt ook de naam op van de journalist Koos Koster, die in 1982 met drie andere collega's van een Ikon-filmploeg en leden van de verzetgroep FMLN in El Salvador werd doodgeschoten. Hij ontmoette Koster in El Salvador, een jaar voor de fatale schietpartij in de heuvels. Karskens vond Koos Koster erg onsympathiek. “Hij werd in 1982 gewaarschuwd dat het gevaarlijk werd, maar sloeg alle waarschuwingen in de wind. En maakte daarmee een vrij elementaire fout. Ik was uit El Salvador weggegaan - iedereen was weggegaan. Je kunt wel de held willen spelen, maar Koster heeft andere mensen de dood ingetrokken. Iedereen ging op hèm af, inclusief de Ikon. Wat wisten zij nou over de situatie in El Salvador?”

“Je kunt je afvragen of Koster niet gewoon een bevlogen actievoerder met een perskaart was. Hij was radicaler dan de meesten van ons, wou zijn verhaal kwijt. Hoe dan ook. Mensen die zo bevlogen zijn hebben daar vaak een andere reden voor. Gaat het om de achterstandssituatie van de Salvadoranen, of om iets anders? Ik ken oud-communisten die in Nederland pleitten voor arbeiders-zelfbestuur in China, terwijl hun vrouw thuis niets mocht. Snap je?”

'Ik probeer kijkend in de spiegel mezelf voor te stellen als ik dood zou zijn. Als je weet wat het is, ben je er minder bang voor.'

“Rwanda was het voorportaal van de hel. Ik was moe toen ik uit dat land terugkeerde. Collega's kregen malaria, een psychomatische klacht. Misschien werd ik niet ziek omdat ik bewust afstand nam. Als je alles in jezelf opneemt, is dat verschrikkelijk.”

Licht relativerend: “Je kwam daar maffe dingen tegen. Lijkenvelden, met armen en benen die overal uitstaken. Tutsi's werden in een diepe kuil geflikkerd. Mensen die daarna kwamen gooiden er gewoon hun afval bovenop. Scheten erin. Bizar, dit was de eerste oorlog die ik zag waarin dode mensen niet begraven werden.”

“Ik sloot me verder af. Je loopt het gevaar in een crisis te belanden, die ook voor anderen gevaarlijk is. Dat is geen koelheid, maar jezelf aanpassen. Je moet het leed van de wereld niet op je schouders nemen. Journalisten die dat willen maken zichzelf belachelijk. Zo belangrijk is je positie als journalist niet; je geeft verhalen door. That's it.”

“Ik vind dat Els de Temmerman (die voor haar berichtgeving in de Volkskrant dit jaar de prijs voor de beste Nederlandse dagbladjournalist won, red.) in Rwanda overdadig partij koos. Ik heb nog nooit van mijn leven een verslaggeefster gezien die hand in hand loopt met de persvoorlichter van een rebellengroep. Letterlijk. Dat vind ik niet journalistiek. De Temmerman is zeer oncollegiaal. Ze overdrijft, ze liegt aantoonbaar. Liegen, liegen, liegen. Misschien wordt ze op handen gedragen omdat ze een vrouw is, houden mensen van haar spektakel en leugens. 'Ik sta op de dodenlijst', schreef ze. Wijs mij één Hutu aan die Nederlandse kranten leest. Mensen van de BRT hebben er wel eens in Rwanda naar gevraagd. Who the fuck is Els de Temmerman? Zij kenden haar niet. Maar ze schreef alsof zíí de enige was die het onrecht aanvocht, die gevaar liep. Baron von Münchhausen-journalistiek, die in Rwanda niet nodig was.”

'Voor mijn zoon Hugo Reinold. (*11 november 1993, 25 november 1993). Aan wie ik mijn avonturen zo graag had willen vertellen.'

“Er bestaan twee soorten leed. Mijn leed en dijn leed. Je eigen leed bestaat uit je kinderen, je vrouw, je familie. Al het andere leed raakt je minder. Niemand ligt wakker van het bericht dat bij de Filippijnen een veerboot is vergaan met driehonderd mensen aan boord. Behalve wanneer je moeder op die boot zat. Dat moet je ook raken, anders ben je een klootzak.”

“Oorlog is een mannenwereld. Vrouwen hebben de oorlog niet uitgevonden. Ik ben net zo'n macho. Het is de enige manier om in een oorlog te overleven. Ik geloof niet dat ik op het slagveld zal sterven. Ik zal als een oude man doodgaan. De beste oorlogsverslaggevers zijn rond de vijftig. Dat zijn niet van die jonge snelle boys. Ze hebben mijn leeftijd, iets ouder. Dat zijn de beste. De afvalrace ligt dan achter je. Old soldiers never die. Iedereen die niet stabiel is, is weg. Wanneer ik morgen wil stoppen, doe ik dat. Die vrijheid stelt me gerust.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden