Arnhemmers beleven bij beelden uit Joegoslavië weer evacuatie

ARNHEM - Ruim 90.000 Arnhemmers verlieten precies vijftig jaar geleden gedwongen door de autoriteiten, maar ook moe van het oorlogsgeweld de stad. Voor drie dagen, dachten ze. Maar het duurde uiteindelijk precies een jaar tot de herbevolking van Arnhem was voltooid. Bij terugkomst waren van de ruim 26.000 Arnemse gebouwen er nog 156 onbeschadigd. Bezoekerscentrum De Watermolen in Arnhem herdenkt tot 7 oktober deze massale evacuatie met een tentoonstelling.

TON BENNINK

“We zijn ons huis uitgeschoten en kruipend naar een andere plek in de stad gegaan. Een paar dagen later kwam het bevel tot evacuatie.” J. Kramer was veertien jaar oud toen hij met zijn familie gedwongen werd huis en haard te verlaten. Alle bezittingen achterlatend, verliet het gezin met vijf kinderen de stad. Te voet, richting Apeldoorn. Kramer: “Ik kreeg een kinderwagen met een baby erin mee van een familie die naast ons woonde en waarvan de moeder niet best kon lopen. In Beek-Bergen nam iemand de kinderwagen van me over. Dat moet familie zijn geweest, maar ik weet tot op de dag van vandaag niet om welk kind het ging.”

De colonne van vluchtelingen waar Kramer deel van uit maakte, ging zonder eten en met schamele kleding op pad. Om de haverklap werden ze beschoten door Engels Spitfires, die het Duitse materieel onder vuur namen dat in tegengestelde richting naar frontstad Arnhem trok. Kramer: “'s Avonds om zes uur waren we in Beekbergen. Daar stonden families langs de kant. Die namen vluchtelingen op en gaven ze te eten.”

Gortpap

Kramer kwam bij een boer terecht die een schuurtje met stro en wat gortpap voor de Arnhemse familie beschikbaar stelde. Een dag later trok het gezin Kramer verder naar familie in Apeldoorn. Daar bleven ze vier weken. Zijn vader werd op transport gezet. Hij moest voor het Duitse leger aan loopgraven werken. De wereld stortte voor hem helemaal in toen hij vernam dat zijn ouderlijk huis in Arnhem door het oorlogsgeweld met de grond gelijk geschoten was.

Op goed geluk ging Kramer op zoek naar zijn vader. Hij belandde uiteindelijk in Zevenaar, waar hij tot zijn stomme verbazing zijn vader op het marktplein zag lopen. Die vertelde hem dat hij onmogelijk mee terug kon naar Apeldoorn omdat de Duitsers dan als vergelding gijzelaars uit het dorp namen en doodschoten. Maar Kramer junior moest wel als de wiedeweerga terug naar Apeldoorn. Zijn vader had vernomen dat het gezin terecht kon bij familie van zijn moeder in de Achterhoek. Zijn oom zou het gezin de volgende dag ophalen. De volgende dag trok de familie verder naar de Achterhoek en kwam uiteindelijk aan bij de oom die aan de Duitse grens woonde.

Kramer: “Toen we daar aankwamen ben ik letterlijk in elkaar gezakt. Ik was de vorige dag van Apeldoorn naar Zevenaar gefietst. Onmiddellijk weer teruggegaan en de volgende dag om zes uur moest ik weer op pad richting Achterhoek.”

In zijn nieuwe onderkomen bleef het oorlogsgeweld Kramer niet bespaard. Het dorp waarin het gezin woonde, lag vlakbij het Duitse Emmerich dat zwaar door bombardementen getroffen werd.

Traumatisch

Tot de bevrijding bleef het gezin in de Achterhoek. Tijdens de winter zag zijn vader toch kans zich bij het gezin te voegen. Maar wat voor Kramer een avontuur van drie dagen leek te zijn, werd uiteindelijk een gedwongen verblijf van negen maanden. Aan de Duits-Nederlandse grens beleefde Kramer zijn meest traumatische ervaring. In de omgeving van zijn vluchtadres stond kapotgeschoten materieel gestald. Voor de jonge Kramer reden om eens te gaan neuzen. “Die kanonnen waren uitermate interessant. Op een dag bleek dat een van de richters van die kanonnen was verdwenen. De jongens uit dat dorp hadden gezegd dat ik er een gestolen had. Je bent echt een paria als evacué. Er werd gezegd dat we zelf de hel en verdoemenis over ons af hadden geroepen. Dat moesten we maar aan den lijve ondervinden. 's Avonds kwamen SS-ers mij ophalen en hebben mij toen tegen de muur gezet met een geweer in mijn rug. Ik moest zeggen waar dat ding was. Maar ik wist echt van niks. Het gekke is dat ik nu pas realiseer hoe penibel mijn situatie was als ik lees hoe gemakkelijk SS-ers mensen oppakten en doodschoten.”

Soldaten van de Wehrmacht bevrijdden Kramer uit zijn benarde positie. Even later kroop de familie wederom door het oog van de naald. Toen tijdens het grote offensief over de Rijn vlak voor Pasen dat granaatvuur almaar dichterbij kwam, besloot het gezin om de kelder in te gaan. Op het kelderdak legde de vader van Kramer een grote metalen plaat afkomstig van een gierput. Daar overheen werd zand geschept zodat het geheel goed afgedekt was. Kramer: “We zaten net in de kelder en een van de eerste granaten die op ons huis terechtkwam viel precies op dat luik. Had dat er niet op gelegen dan was die de kelder ingevallen en had ik het niet na kunnen vertellen.”

Kramer bleef in de kelder tot zijn moeder op een gegeven moment een aantal 'vreemde' militairen zag. Dat bleken de eerste geallieerden te zijn. Een man uit het dorp die zich ook bij de familie in de kelder had verschanst, waagde zich naar boven. Hij zag tot zijn schrik dat het achterhuis in brand stond. Met emmers met water probeerden de bewoners de zaak te redden. De bluswerkzaamheden werden gestaakt toen er een geallieerde tank aan kwam rijden die zijn kanon naar beneden draaide. Kramer: “In het achterhuis bleken nog Duitsers te zitten. Twee Canadezen gingen op onderzoek uit en een van die Duitse soldaten schoot zo een van die Canadezen neer. Dat is het laatste dat wij daar meegemaakt hebben. Het is een avontuur geweest dat van ongeluk en geluk aan elkaar hing.”

Hitje

Zijn leeftijdsgenote mevr. H. Ubbink woonde in hartje stad toen het evacuatiebevel kwam. Zij trok met haar benedenbuurman de stad uit. Ubbink: “Hij had een klein wagentje met een hitje. De hele buurt mocht daar iets opzetten om mee te nemen. Mijn ouders hadden allebei een fiets en een paar konijnen. Die beesten hebben we onderaan het karretje gehangen. Mijn twee kleine zusjes mochten op dat karretje zitten en ik moest met een wandelwagentje volgeladen met dekens en kussens er naast lopen.”

Het gezin van Ubbink kwam in de grote stoet vluchtelingen terecht. Ubbink: “Ik lette meer op de lucht dan op de weg tijdens die tocht, benauwd als ik was voor die vliegtuigen. Ik lag regelmatig met mijn wandelwagentje in de greppel.”

Ze kwam tegen de avond aan in een modelboerderij vlak voor Hoenderlo. Daar kregen ze een box ter beschikking waar voorheen varkens in lagen. Ubbink: “Daar hebben we enorm gelachen. Er lagen ook mensen uit Klarendal, een volkswijk in Arnhem, in een box. Midden in de nacht begon het te regenen en het water drupte door de luchtpijpjes in het dak van de stal in die box. Die meneer uit Klarendal werd wakker en schreeuwde tegen zijn vrouw: 'Heb je verdomme die kinderen weer in bed genomen, ik ben zeiknat.' In alle ellende kwamen we niet meer bij van het lachen.”

De volgende dag trok de familie door naar Otterlo. Maar de tocht was zwaar. Sinds het vertrek uit Arnhem had de familie niets meer gegeten. Tegen de middag kwamen ze daar aan, kregen voor het eerst een paar hompen brood en werden daar verder verwezen naar de Harskamp. In de buurt van de Harskamp vonden ze met haar familie onderdak bij een boerenfamilie. Daar bleven ze negen maanden. Ubbink: “Die boer was een goeie man. Maar de boerin zei dat het onze eigen schuld was dat we weg moesten want alle stadse waren van de duivel. 'Nou ik hoop dat u het nooit meemaakt', zei mijn moeder toen. Dat was nog een nette reactie.”

Haar vader wist uit Duitse dienst te blijven door zich als broodbakker aan te melden bij de plaatselijke bakker. Na de bevrijding werd vader Ubbink ingedeeld bij de brandweer. Daar maakte hij niet alleen ellende mee. Ubbink: “Hij moest de kelder van een kerk leegpompen. In het water lag allemaal avondmaalwijn die volgens mijn vader nog wel goed was. Brandweerlieden hebben die wijn opgedronken en ze zijn straalbezopen teruggekeerd op hun post.”

Puinhoop

Ook het huis van de familie Ubbink bleek na de Slag om Arnhem verwoest door brand. Ze trokken in bij haar grootouders. Ubbink: “Die hadden een winkel in behangartikelen. Het huis stond dan nog wel overeind, maar de puinhoop is onbeschrijfelijk. Ze hadden een vat met carbolineum losgedraaid, en overal hun ontlasting achtergelaten, zelfs op het servies. Op ieder bord hadden ze gekakt. Meubels hadden ze kapotgestoken met bajonetten, het was een drama.”

De 66-jarige mevrouw A. Thijsen had bij de evacuatie rekening te houden met de handicap van haar ouders. Haar vader was MS-patiënt en haar moeder had chronische reuma. Samen met haar ouders en haar twaalfjarige broertje werd het gezin op een wagen van het Rode Kruis gezet en na een tussenstop in Dieren vond het gezin onderdak in een pension voor oud-Indiëgangers in Laag-Soeren. Thijsen: “Daar hebben we enorme honger geleden. Die Indische-Nederlanders hadden best geld, maar erg gul waren ze niet. Ik moest voor die families brood halen. Daar kreeg ik een beschimmelde boterham voor terug.”

In oktober pakte Thijsen haar fiets en ging ze terug naar Arnhem om wat spullen uit haar ouderlijk huis te halen. Ze werd gepakt door de Duitse Grüne Polizei. Thijsen: “Achteraf realiseer ik mezelf pas wat ze daar allemaal met me hadden kunnen doen. Op terugkeer naar Arnhem stond de doodstraf. Maar ik heb slechts drie dagen op het politiebureau vastgezeten.”

Thijsen kwam met de schrik vrij en mocht terug naar Laag-Soeren. Thijsen: “Daar kreeg ik een standje van mijn moeder. Ze was erg ongerust geweest. Bovendien kwam ik terug met een foto-album. En er waren wel belangrijkere zaken die ik mee had kunnen nemen.”

De familie reisde in februari verder naar de Achterhoek. Daar bleven ze tot augustus 1945. Thijsen:“We mochten na de bevrijding van Arnhem niet terug naar huis. Mijn vader kon niet werken voor de gemeente, dus er moesten andere mensen in ons huis.”

Begin jaren tachtig beleefde An Thijsen de oorlog opnieuw. Na de moord op vier Ikon-journalisten in El Salvador kwam er bij haar weer het nodige boven. Thijsen: “Eén van hen, Joop Willemsen, kende ik goed. Toen ik ging nadenken over wat ze allemaal met hem zouden hebben uitgespookt, kwam ook mijn eigen verleden weer boven. Ineens herinnerde ik me weer dat ik bijna verkracht werd door een doorgedraaide Duitser die me het 'Wald' in wilde hebben en die ik met de nodige overredingskracht van me af heb weten te houden. Het was krankzinnig wat ik als jong meisje allemaal alleen heb moeten opknappen.”

Vijftig jaar na hun vlucht uit Arnhem, komen de beelden voor de drie evacués op de meest onverwachte momenten weer terug. Thijsen:“Die oorlog tussen Irak en Amerika en die toestanden in Rwanda, ik was er van overtuigd dat het niet meer zou gebeuren, maar er kwam toch weer oorlog. Maar het meest geschrokken ben ik van Roemenië. Ik zat op een avond naar het journaal te kijken en zag beelden van een massagraf daar. En opeens, ik had er nooit meer aan gedacht, pak ik weer een handschoen met een hand op die ik tijdens een bombardement had gevonden. Ik kan er niet meer tegen. Als het journaal me te gortig wordt, gaan bij mij de oogjes even dicht.”

De meeste affiniteit hebben de drie evacués met de burgers in voormalig Joegoslavië. Kramer: “Je ziet dat die mensen de stad uitgejaagd worden en dat gebouwen in puin worden geschoten. Dan komt je eigen verleden weer boven. Ik was een klein jongetje toen ik de Duitse soldaten zagbinnenvallen. Dat maakte een monsterlijke indruk. Wij waren toch een vreedzaam landje. Onze soldaten waren een soort clowns. De Duitse inval raak je niet meer kwijt. Ik vind dan ook dat ze nu niet bij de herdenkingen betrokken moeten worden, terwijl dat toch tegen mijn verstand ingaat.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden