Armste leerling loopt ook in Nederland nog achter

Beeld Hollandse Hoogte

Leerlingen uit een achterstandsmilieu presteren minder op school. Terwijl de situatie in Duitsland de goede kant op gaat, doet Nederland het iets minder goed.

Leerlingen uit de armste gezinnen doen het minder goed op school dan leerlingen uit rijkere gezinnen, maar in Nederland is dat verschil minder groot dan in veel andere rijke landen, constateert de Oeso. Toch praat minister Arie Slob (ChristenUnie) binnenkort met de Tweede Kamer over beter onderwijs aan kinderen met een achterstand.

De Oeso, de club van rijke landen, keek naar de antwoorden van vijftienjarigen op de Pisa-test, bestaande uit vragen op het gebied van wiskunde, leesvaardigheid en natuurwetenschappen. Daaruit blijkt dat Nederlandse leerlingen uit de armste gezinnen in 2015 minder goed konden lezen en rekenen dan in 2006, al zijn de verschillen klein.

In 2015 haalde 33 procent van de armste leerlingen een score die wijst op een academisch denkniveau, in 2006 was dat 38 procent. De testscores van deze groep schommelen in Nederland al jaren rond deze percentages. In 2009 behaalde 34 procent een academische score, in 2012 39 procent.

Daarmee doet Nederland het prima in vergelijking met andere landen. Negen landen doen het beter, waaronder het door onderwijskundigen en leerkrachten veelgeprezen Finland. Maar ook dat land maakt een duikeling: bijna zestig procent van de armste kinderen scoorde in 2006 academisch, in 2015 deed nog geen veertig procent dat.

infographic Dagblad TrouwBeeld Louman & Friso

Het Oeso-rapport komt in de week waarin Slob de Tweede Kamer schrijft over achterstandsleerlingen. In het regeerakkoord is 15 miljoen euro extra gereserveerd voor onderwijs aan deze groep en 170 miljoen extra voor de voorscholen.

Achterstandsleerlingen

Tegelijkertijd verandert de definitie van 'achterstandsleerling'. Sinds 2006 geldt alleen een kind met zeker een ouder die maximaal twee jaar mavo heeft gevolgd als achterstandsleerling. Vanaf 2019 telt het land van herkomst opnieuw mee, net als voor 2006. Verder telt mee of ouders in de schuldsanering zitten, hoe lang de moeder in Nederland woont en wat het gemiddelde opleidingsniveau is van de moeders van klasgenoten.

Scholen zijn tevreden met de nieuwe definitie, maar ze maken zich zorgen over de financiën. Volgens PO-Raad, de organisatie van basisscholen, is het extra geld dat het ministerie straks heeft te besteden, niet genoeg om bezuinigingen van afgelopen jaren te compenseren. Zo krijgen basisscholen sinds 2006 enkel extra geld voor leerlingen met laagopgeleide ouders, terwijl de bevolking als geheel steeds hoger is opgeleid.

De lagere Pisa-scores van de armste kinderen wijt de PO-Raad onder meer aan het slinkende budget. Scholen kunnen minder vaak een klassenassistent aannemen of extra instructie bieden, zegt een woordvoerder. "Dat merk je nog in het voortgezet onderwijs."

De VO-raad, van de middelbare scholen, wijst erop dat een groeiend aantal kinderen opgroeit in armoede. Verder had, volgens een woordvoerder, ook het voortgezet onderwijs in 2015 minder te besteden aan leerlingen met een achterstand dan in 2006.

Lees ook:

Voor kinderen uit achterstandsmilieus in Duitsland is het erg lastig zich eruit los te maken. Die situatie lijkt te verbeteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden