Arianne vindt haar familie terug op Java

Haar ongehuwde moeder bracht Rosa, een paar maanden oud en doodziek, naar het hospitaaltje van Terre des Hommes in de grote stad. Waarschijnlijk kon er in de kampong niet voor haar gezorgd worden, denkt ze nu.

ANNELIES ROON

Ze knapte op en nog voor haar eerste verjaardag werd ze liefdevol geadopteerd door Adrie en Marianne de Koeijer uit het verre Purmerend. Vorige zomer kwam Diana Rosa, inmiddels Arianne de Koeijer geheten, voor het eerst weer terug in kampong Bojong op Java. Net op tijd om te zien hoe de huisjes van haar opa en van een paar andere gezinnen door de snelstromende rivier zouden worden meegenomen. Net op tijd om te helpen.

Natuurlijk was het moeilijk te bevatten: zo lang je je kunt herinneren ontwaak je elke ochtend tussen je Nederlandse familie in een groeikern als Purmerend en dan ineens, als je 17 bent, word je in een modderig gehucht op Java, zonder drinkwatervoorzieningen of verharde wegen, ingehaald als de verloren zoon. Of kleindochter, in dit geval.

“Ik was twaalf toen we er achter waren gekomen waar ik precies vandaan kwam”, vertelt Arianne de Koeijer. “Mijn vader had altijd tegen me gezegd: als je wilt weten wie je echte ouders zijn, dan gaan we ze zoeken. Op een gegeven moment word je daar natuurlijk toch nieuwsgierig naar. Er was alleen een geboortebewijs met vingerafdrukken, de naam van de kampong waar ik geboren ben en de namen van de dorpsoudsten. Dat was al heel wat. Veel adoptiekinderen uit Indonesië zijn te vondeling gelegd: daar valt niks meer over terug te vinden.”

Het lastige bij haar zoektocht was dat er in hetzelfde district meer dan één kampong bleek te zijn met dezelfde naam. Vader Adrie de Koeijer schreef brieven naar het Koninklijk Instituut voor de Tropen en de Nederlandse ambassade in Jakarta. Na twee jaar kwam er een briefje van het Tropeninstituut: Ariannes kampong was waarschijnlijk gelokaliseerd.

Een kennis van de familie, die op Java was, ging poolshoogte nemen. Het bleek te kloppen. Arianne: “Mijn opa en allerlei tantes en ooms en neefjes en nichtjes woonden daar nog. Het is wel raar om ineens aan de andere kant van de wereld familie te hebben. Ze stuurden foto's van zichzelf op, dus wij gingen meteen zoeken naar overeenkomsten. Met wildvreemden, eigenlijk.” Het meeste lijkt ze nog op een van haar nichtjes, vindt ze.

Ze heeft ook een foto van haar moeder, maar daar ziet ze zichzelf niet in terug. “Het is heel gek, maar haar moeder lijkt sprekend op de buurvrouw hier”, lacht Marianne de Koeijer, wijzend op het huis dat een paar meter verder door het lentegroen schemert. “Met mijn biologische moeder bleek het contact drie jaar geleden te zijn verbroken”, vervolgt Arianne. “Over mijn vader is al helemaal niks bekend. Ik heb wel een halfzus. Die is niet afgestaan, maar ze woont niet meer in de kampong. We weten gewoon nog niet hoe het allemaal precies zit, daar wordt niet zo makkelijk over gesproken. Maar we zoeken wel verder naar mijn moeder.”

Ariannes grootvader, die het bestaan van een onbekende kleindochter niet vergeten was, wilde haar voor het einde van zijn dagen graag nog eens met eigen ogen zien en vroeg haar naar Java te komen. Maar ze was er in eerste instantie nog niet klaar voor: “Ik had geen flauw idee wat ik daar moest doen. Wat zou ik tegen die mensen moeten zeggen? Ik sprak hun taal niet eens.”

Vijf jaar na de eerste uitwisseling van foto's kondigde ze in de zomer van 1996 haar komst aan. Samen met haar vader en haar zus, de dochter van haar adoptiefouders, vertrok ze naar Java. Om de drie Foster Parents-kinderen van de familie te bezoeken, maar natuurlijk in eerste instantie om haar geboortedorp en haar familieleden te zien.

“We kwamen in de kampong aan met een grote jeep. Er komt daar nooit een auto, dus dat was op zich al een soort wonder. Toen stapten er ook nog een verloren gewaand familielid uit en twee hele grote, hele witte mensen. Veel dorpsbewoners hadden nog nooit een blanke gezien, zo afgelegen is het daar. De ontvangst was heel hartelijk. Mijn opa lag net een middagdutje te doen. Ze maakten hem wakker en toen ik binnenkwam, keek hij me aan, opende zijn armen en begon te huilen. Ik ook. Het is moeilijk om uit te leggen, maar het was heel emotioneel. Gelukkig was er een Indonesische vriend van mijn vader bij, die kon tolken.” Binnen een paar uur nadat Arianne in de kampong arriveerde, bleek er een nijpend probleem te zijn. Het vredig ogende stroompje, dat diep in de rivierbedding voorbij kabbelde, bleek elk regenseizoen op te zwellen tot een kolkende rivier, die elk jaar een paar meter land verzwolg. Nog een jaar en het huisje van opa zou op het menu staan, vermoedelijk gevolgd door twee andere huisjes die iets verder van de rivier af lagen. “Eerst dacht ik nog even: 'wat woont opa hier leuk, zo aan het water', maar toen ik begreep wat er aan de hand was, dacht ik alleen maar: 'We gaan actie voeren. We zien wel waar het schip strandt'.”

Vader Adrie, beroepshalve thuis in internationale betrekkingen en rijkelijk voorzien van connecties, liet onderzoeken hoe snel de afkalving van de grond precies zou gaan. Er was inderdaad haast bij. Drie nieuwe huizen moesten er komen, en snel. Een zoon van een vriend maakte de bouwtekeningen, een andere vriend overlegde met de dorpsoudsten van de kampong. Arianne schreef inmiddels brieven naar de regionale media, naar instanties met potjes en kerken. Op haar voordracht kwam de opbrengst van de jaarlijkse rommelmarkt op de speciaal geopende 'kampongrekening' en toen de kabelkrant, de huis-aanhuisbladen en de lokale radio het verhaal oppikten, begon het geld binnen te komen.

“In tweeënhalve maand hebben we ongeveer 14 000 gulden binnengehaald”, glimt Arianne. “We hebben 5000 gulden nodig per huisje, dus dat is bijna genoeg voor alle drie. Het eerste huisje is nu bijna af. Net op tijd, want mijn opa was al bij zijn oudste dochter ingetrokken, omdat de situatie te gevaarlijk werd. Maar we zijn er nog niet. In die nieuwe huisjes worden hele eenvoudige sanitaire voorzieningen aangebracht. Iedereen wast en plast namelijk nog in de rivier. Hartstikke onhygiënisch natuurlijk en gevaarlijk voor de gezondheid. Door die sanitaire voorzieningen van buiten toegankelijk te maken, kunnen ook andere families ze gaan gebruiken.”

“Maar op drie- of vierhonderd inwoners zijn drie sanitaire blokjes erg weinig. Daarom willen we nog verder gaan met geld inzamelen. Er liggen al plannen klaar voor 20 sanitaire units. Daar hebben we nog een keer hetzelfde bedrag voor nodig.”

Ze kijkt er vastberaden bij. Nederlanders geven het liefst aan concrete projecten, waarbij ze precies kunnen zien waar hun geld blijft, weet ze. Haar vader heeft al verschillende fondsen aangeschreven, maar de moeizame betrekkingen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking tussen Nederland en Indonesië maken het er niet makkelijker op. Het is een kwestie van lobbyen, hopen en afwachten. Nog een week of wat, dan kan ze er zich weer helemaal aan wijden. Want eerst moet ze haar eindexamen havo nog doen. Vooralsnog lijkt het er op dat er daarna aan Arianne een doortastend ontwikkelingswerker verloren gaat, want volgend jaar gaat ze naar Schoevers, toeristisch management. “Ik zag op Java die reisleidster bezig, en toen dacht ik: die baan wil ik. Kom ik toch weer terug naar Indonesië.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden