'Argentijnse joden zijn toe aan kritisch zelfonderzoek'

BUENOS AIRES - De Argentijnse katholieke kerk voert een debat over haar rol tijdens de junta (1976-1983). Ook joodse organisaties zouden zichzelf, en Israël, onder de loep moeten nemen, zo bepleit het joods-Argentijnse echtpaar Matilde en Santiago Mellibovsky.

MARIANO SLUTZKY

Redenen voor zo'n debat zijn er volgens het echtpaar Mellibovsky voldoende. Een groot aantal van de desaparecidos (door het leger en de politie ontvoerde en vermoorde personen) waren joden: ongeveer 1 500 van de tien- à dertigduizend desaparecidos. Maar joodse organisaties en Israël bleven zwijgen. “De katholieken evalueren nu ook de gang van zaken van destijds. Waarom wij, joden, niet?”, vraagt Matilde Mellibovsky.

Haar dochter Graciela was 29 jaar toen ze in 1976 door het leger op straat werd ontvoerd. Ze werkte als docente politieke economie bij de universiteit van Buenos Aires, en werd door de militaire regering van linkse sympathieën verdacht. “Inmiddels weten wij dat wij haar nooit meer zullen zien: alle desaparecidos zijn door het leger vermoord.”

Samen met andere moeders van desaparecidos heeft Matilde destijds de Groep van Joodse Moeders opgericht. “Toen wij de belangrijkste organisaties van de Argentijnse joodse gemeenschap - de Daia en Amia - om medewerking vroegen bij het zoeken naar onze kinderen, en hen verzochten druk uit te oefenen op de Argentijnse regering, wilden ze ons eerst niet eens ontvangen. Pas na lang aandringen ontvingen ze ons, maar tijdens de gesprekken keken ze voortdurend naar de klok. Bij de eerste bijeenkomst kregen wij het verwijt onze kinderen geen zionistische opvoeding te hebben gegeven. Anders zou er niets zijn gebeurd. Alsof een zionistische opvoeding de militairen ervan weerhouden zou hebben onze kinderen te ontvoeren.”

“Ook de rabbijnen - op een enkele uitzondering na - wilden niet met ons praten. Vervolgens hebben wij de Israëlische ambassade om hulp gevraagd, maar bij het eerste en enige bezoek vertelde een ambassademedewerker ons dat voor Israël onze problemen niet relevant waren.”

Wie indertijd wèl stelling nam, was journalist Hans Schiler. In 1977 richtte hij het tijdschrift Nueva Presencia op, en in 1982 de Joodse Beweging voor de Mensenrechten. Ondanks twee bomaanslagen bleef hij mensenrechtenschendingen publiceren. Tot zijn eigen verbazing werd zijn tijdschrift door de militaire machthebbers nooit verboden. “Pas in 1983 kwam ik er via medewerkers van de Amia achter waarom het blad nooit verboden werd: de militairen waren bang internationaal aangeklaagd te worden wegens anti-semitisme”, vertelt Schiler.

“Helaas weerhield die vrees de militairen er niet van hun anti-semitisme op joodse gevangenen te botvieren. Elke joodse desaparecido werd extra hard behandeld. Destijds had het leger de leuze 'Doe iets voor het vaderland: dood een jood'.”

Schiler vervolgt: “Het meest sinistere geval van anti-semitisme betrof acht joodse wetenschappers die hoge functies bekleedden bij de Nationale Commissie voor Nucleaire Energie. Alle acht zijn gedurende de jaren van de dictatuur door het leger ontvoerd. Klaarblijkelijk wilde de junta geen joden op zulke belangrijke posten.”

Ook ondervond Schiler tegenwerking van de joodse organisaties: “De toenmalige voorzitter van de Daia heeft ons tijdschrift ervan beschuldigd de joodse gemeenschap in gevaar te brengen. Zelfs in 1982 - in de nadagen van de militaire dictatuur - raadden ze de joodse gemeenschap af om deel te nemen aan demonstraties voor mensenrechten.”

“Maar ook bij de Israëlische regering kregen wij geen poot aan de grond. Wij ontdekten zelfs dat Israël Uzi's en vliegtuigen aan de dictatuur verkocht. Tijdens een bezoek van de toenmalige voorzitter van de Knesset vroegen wij tevergeefs de wapenhandel met Argentinië onmiddellijk te stoppen. Tot onze grote ontsteltenis heeft jaren later een spijtoptant van de junta, ex-politieagent Peregrino Fernandez, verklaard dat de medewerker van de Israëlische ambassade Ernst Inbar de politie van Buenos Aires gedurende de 'vuile oorlog' adviseerde. Zijn verklaring is nooit ontkend door de Israëlische ambassade.”

Naar een verklaring voor deze twijfelachtige houding van de joodse organisaties en Israël kan Schiler slechts gissen. “Door het gebrek aan discussie hebben de joodse nomenklatoera en Israëlische ambassade nooit helderheid hierover hoeven geven. Ik veronderstel dat ze zich afzijdig hielden omdat de militaire dictatuur de joodse feestdagen niet verstoorde en joodse instellingen niet verbood.”

Toch wil hij benadrukken dat de joodse organisaties en joodse geestelijke leiders niet op één lijn gezet mogen worden met de katholieke geestelijke leiders die openlijk de repressie steunden “Er zijn gevallen van priesters en bisschoppen bekend die de legerleiding in de 'vuile oorlog' aangemoedigd hebben. Dat hebben joodse leiders indertijd niet gedaan. Dat zou absurd zijn geweest: het Argentijnse leger was intens anti-semistisch.”

“Maar ik verwijt joodse leiders en Israël onverschilligheid en gebrek aan solidariteit met joodse medeburgers. De Zweedse regering spaart kosten noch moeite om de moordenaars van één Zweed voor de rechter te brengen. Dan is het toch vreemd dat joodse organisaties en de Israëlische regering niets doen om de moordenaars van 1 500 joodse burgers te laten berechten?”

Stille diplomatie

In een reactie vraagt de huidige president van de Daia, de bankier Rubén Beraja, begrip voor de moeilijke situatie van de joodse gemeenschap destijds. “Wat voor zin heeft het om het verleden op te rakelen? Men kan achteraf makkelijk praten, maar het bleek dat stille diplomatie effectiever was. Wij hebben ooit een lijst met joodse desaparecidos aan de machthebbers overhandigd met het verzoek ze op te sporen.”

“Bovendien”, vervolgt hij, “een niet gering aantal joden kon dankzij ons netwerk naar Israël ontkomen.” Beraja ziet weinig kansen dat militaire beulen alsnog bestraft worden: “De amnestie is nu eenmaal gegeven, en dat is moeilijk terug te draaien.”

Ook bij het toonaangevende joodse blad Nueva Sión weet men geen raad met de discussie over het verleden van joodse instellingen. Hoofdredacteur Silvia Chab: “Ik was tijdens het militair regime niet in Argentinië, dus ik ken de rol en motivatie van de Daia en Amia eigenlijk niet. Bovendien, ik denk dat voor de joodse gemeenschap momenteel het oplossen van de anti-semitische bomaanslagen in 1992 en 1994 op de Amia en de Israëlische ambassade belangrijker zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden