ARCHITECTUUR Ronde balkons, schuine gevels en scheve kozijnen rekenen af met rechttoe rechtaan-nieuwbouw

Almere en de Rotterdamse Blaak staan niet langer alleen met hun nieuwbouw als toeristische attractie. Steeds meer gemeentes maken furore met de bouw van bijzondere wijken. Lag na de bombardementen en vijf jaar Duitse overheersing de prioriteit bij het oplossen van de woningnood, tegenwoordig zijn 'kwaliteit' en 'openbare ruimte' de toverwoorden in de woningbouw. Superblokken, strokenbouw, doorzonwoningen, woonerven en inspraakprocedures: in de nieuwe modelwijk kan alles en mag het zelfs knus zijn, zolang het vooral maar niet saai is.

Anno 1993 is hedendaagse architectuur een attractie.

Architectuurroutes per fiets of te voet behoren tot het standaardpakket van VVV's en de ene na de andere publicatie over recente gebouwen verschijnt. Voor gemeentes betekent het een mogelijkheid om zich te profileren in de strijd om het werven van projectontwikkelaars en kopers, want die moeten het geld inbrengen, nu het Rijk de subsidie op de sociale woningbouw gekort heeft.

Amersfoort pronkt trots met Kattenbroek, Haarlem met de Zuiderpolder en Almere met zijn Filmwijk. Het devies is veel kleur en variatie. Ronde balkons, schuine gevels, scheve kozijnen, wisselende bouwhoogten en alle tinten van de regenboog in stuc en hoogglansverf rekenen af met het rechttoe rechtaan-karakter van veel nieuwbouwwijken. Vijvers en doordacht geplant groen scheppen ruimte en beschutting en speelplaatsen, bankjes en intieme pleinen moeten uitnodigen tot spontaan sociaal contact.

De woningen liggen gegroepeerd in speciaal ontworpen stratenplannen, liefst passend bij het landschap en in principe niet rechtlijnig - behalve in de Zuiderpolder, waar het verkavelde polderland juist strak is. In Kattenbroek ontsluiten een ringweg en een lange straat in banaanvorm subwijkjes met kleine straatjes en pleinen. De Filmwijk heeft de opbouw van een historische stad, gegroeid rond een centrum: een half wagenwiel met de spaken als straten.

De nieuwe modelwijk is een cocktail van stijlen, vormen, materialen en kleuren, vijvers, pleinen en parkjes. De architecten bekeken sleden vol dia's, maakten excursies naar geslaagde en afschrikwekkende voorbeelden en discussieerden volop om vooral niet opnieuw dezelfde fouten te maken als vroeger. Het is een reactie op de eenvormigheid, de grauwheid en het standaard-karakter van veel nieuwbouw van na de tweede wereldoorlog.

In de jaren vijftig moest woningbouw groot, goedkoop en massaal zijn, in de jaren zestig nog meer, nog groter en moderner. In de jaren zeventig was de trend juist kleinschalig, knus en nostalgisch. In de jaren tachtig veranderden de ideeen over bestaande architectuur. De grachtengordel van Almere-Haven gezellig? Juist walgelijk om grachtenpanden te imiteren in baksteen en beton in een poging om nieuwbouw een nostalgisch tintje mee te geven.

De Bijlmer een betonzee in een gevaarlijke omgeving? Misschien wel, maar ook een plek met veel groen en een levendige eigen cultuur van illegale winkeltjes en in het weekeind een disco in de parkeergarage.

De renovatie van de binnensteden een goede zaak? Uiteraard, maar door alle pleintjes, verkeersdrempels en kleinschaligheid waan je je in de binnenstad van Groningen soms meer in een dorp dan in een stad. Net als in Almere, waar zoveel niet mag met de auto dat het voor een buitenstaander onmogelijk lijkt om ooit zijn bestemming te bereiken.

Terwijl ook hier de woonwijken vaak ver van de winkels liggen, wat ze nog altijd afhankelijk maakt van auto's.

Het idee van de jaren tachtig was, dat een stad of gemeente een gebouwde omgeving vormt, een historisch gegroeide smeltkroes van stijlen, gebouwen, functies en herinneringen. Daar hoorden historische gebouwen bij en de 19deeeuwse buurten, maar ook de recente betonkolossen. Op zich leek de trek uit de steden sinds de jaren zestig een stap vooruit: weg van de cityvorming in de steeds onleefbaarder wordende binnensteden naar woningen met volop licht, lucht, ruimte en groen. Achteraf bleek de stad echter een aantal kwaliteiten te bezitten die de buitenwijk en de groeigemeente ontbeerden: een eigen karakter, variatie en geschiedenis.

Zeker sinds de verpauperde, oude wijken en leegstaande, historische panden onder druk van buurtcomite's en de kraakbeweging werden gerenoveerd, trokken veel mensen in de jaren tachtig opnieuw naar de stad. Want in de Chinese Muren van Capelle aan de IJssel en in de konijnehokken van AmsterdamNoord tierden de flatneurosen welig, evenals de fenomenen groene weduwe en sociaal isolement in de standaard-uitbreidingswijk. De straten mochten dan Grutto, Rijtuigendreef of Parnassiaveld heten, hun eentonigheid bleek dodelijk.

Staande op de autovrije winkelpromenade, zijn veel groeigemeenten vaak nog steeds niet van elkaar te onderscheiden. Overal dezelfde betontegels, plantenbakken, strakke, lage winkels met grote etalages en vestigingen van Blokker, Jamin, De Boekelier en ABN-AMRO. Het zijn de naweeen van wat nog steeds een van de meest geslaagde combinaties van wonen en werken in de stad is: de Rotterdamse Lijnbaan uit 1955. Maar ze missen de uitgebalanceerde verhoudingen tussen hoog en laag, breed en smal, groot en klein die maken dat Nederlands eerste autovrije winkelpromenade, die winkelenm tot recreatie maakte, nog altijd een prima winkelcentrum is.

Dat nieuwbouw een omgeving net zo veelzijdig kan maken als historische gebouwen, bleek toen steeds meer architecten in de loop van de jaren zeventig en tachtig het regime van bakstenen gevels en schuine daken loslieten. Mooi of lelijk, de 'wouden' van boomwoningenop-palen van Theo Bosch in Helmond (1972-76) en aan de Rotterdamse Blaak (1978-84) waren in ieder geval somber noch saai en ze boden op zijn minst volop gespreksstof. Ook de nieuwbouw van de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt was misschien niet overal even fraai maar wel kleurig en afwisselend, met een grote variatie aan formaten en soorten huizen. Bovendien waren wonen en werken in deze wijk gecombineerd en waren ook de oude panden die bij de kaalslag ten behoeve van de metro waren gespaard, in het plan verwerkt.

Daarbij kwam het pleidooi van architecten als Rem Koolhaas en Carel Weeber om de stad met nieuwe hoogbouw opnieuw tot een echte stad te maken. Weeber plantte grote bouwblokken in Rotterdam (de Peperklip), Den Haag en Alphen aan de Rijn: opnieuw massawoningbouw, direct flink verguisd en niet onterecht, want met hun megaschaal brachten deze gebouwen meteen de problemen van geluidsoverlast, verwaarlozing en asociaal gedrag terug. In het stadsbeeld waren ze echter geslaagd: groot van gebaar en niet eentonig maar gekromd, in kleur en met een gemeenschappelijke binnenhof.

Toen daarbij een aantal architecten sociale woningbouw neerzette, die zowel monumentaal als prettig bewoonbaar en gevarieerd van uiterlijk bleek, waren alle smoezen voor het leveren van eenheidsworst ontzenuwd en de ingredienten voor een levendige en comfortabele nieuwbouw in stadscentrum en woonwijk present. Door eindeloos schuiven binnen het budget, door op onzichtbare onderdelen te bezuinigen en koop- en huurwoningen te combineren, bleek ook binnen een minimaal budget vrij veel mogelijk. Zelfs de door de meeste architecten als de pest gemeden inspraakprocedures (vaak verworden tot eindeloos gezever over de kleur van een voordeur of de plaats van een fonteintje) werden door de Portugese architect Alvaro Siza succesvol gehanteerd bij zijn nieuwbouw van de Haagse schilderswijk. In samenspraak met de - voornamelijk islamitische - bewoners ontwierp hij een aantal afwijkende plattegronden, waarbij de ingang van het toilet bijvoorbeeld niet naast de keuken ligt.

In Nieuw-Sloten besloot de gemeente Amsterdam voor het eerst van het bestaande landschap uit te gaan in plaats van het gebruikelijke zand op te spuiten. In steeds meer nieuwe wijken wordt aansluiting bij de bestaande bebouwing gezocht door bijvoorbeeld zichtlijnen naar oude gebouwen te maken. De buitenexpositie van de BouwRai (in 1990 en 1992 in Almere, met de Muziek- en de Filmwijk) hoopt met experimentele woonprojecten van verschillende architecten een stimulans voor projectontwikkelaars te zijn. De organisatie wist zelfs een projectontwikkelaar zo gek te krijgen om tussen alle laagbouw een zeven verdiepingen hoge woonflat met koopappartementen te plaatsen. In 1994 is de Haarlemse Zuiderpolder deel van de buitenBouwrai, naast Kattenbroek: die wijk wordt nu al platgelopen door gemeentebesturen die zelf willen zien hoe al die variatie en kleuren mogelijk zijn zonder het budget te overschrijden.

Er kan dus een heleboel, maar er komen ook weer nieuwe problemen. Door nieuwbouw en renovatie worden de huren steeds hoger en komen steeds minder goedkope woningen op de markt. Bijgebouwd worden die alleen wanneer een gemeente of een idealistisch planner daar heel erg zijn best voor doet. In de praktijk zijn de leukere huizen daardoor meestal voor de hogere inkomensgroepen. Voor de minder bedeelden betekent dat verhuizen ... naar de stadsvernieuwingsgebieden van de toekomst, de Chinese muren van Capelle aan de IJssel, Amsterdam-Noord of Zoetermeer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden