Architect Mendini wil de bezoeker een vrolijk gevoel geven

Door een misverstand is de foto van het Groninger Museum op de voorpagina van gisteren, gespiegeld afgedrukt. Hiervoor onze excuses.

Mendini houdt op de ochtend van de perspresentatie 'kantoor' in de bibliotheek van het nieuwe museum. “Als een arts die zijn patiënten ontvangt”. De ene na de andere journalist wil hetzelfde verhaal horen: wat zijn de drijfveren voor het ontwerp geweest? Want zoiets als dit kenden we nog niet in Nederland. Je zou het zelfs on-Nederlands kunnen noemen.

“We zijn begonnen met het analyseren van de functionele problemen. Het kanaal was uitgekozen als lokatie en het moest een groep van mini-musea worden, want van tevoren stond vast dat we niet één groot gebouw wilden, maar een gefragmenteerd complex. Door het water en de drassige bodem was het niet mogelijk om met het depot de grond in te gaan. We moesten daarom de lucht in en besloten van het depot een toren te maken, die het centrum van het ontwerp is geworden. Een schatkamer van kunstobjecten.”

Fragmentatie

Van daaruit is het museumeiland verder ingevuld. In het programma van eisen stonden de maten van de ruimtes al vrij nauwkeurig vast en daar heeft Mendini zich met zijn team keurig aan gehouden. Vervolgens sloeg hij aan het ontwerpen om de gevraagde ruimtes te ordenen en een vorm te geven. Daarbij liet hij zich leiden door wat hij als een goed functionerend museum ziet. “De fragmentatie bood ons de gelegenheid om een concept uit te werken, waarin we de bezoekers als gasten beschouwen. Een museum moet niet monotoon zijn, maar dient de mensen te vermaken met steeds andere dingen. Een bezoeker moet drie uur in het museum rond kunnen lopen en steeds weer iets nieuws ontdekken.”

Veelvormigheid was dus vanaf het eerste begin een uitgangspunt. Zowel binnen als buiten wordt dit spel met veel verve gespeeld. Het is echter niet zomaar een samenraapsel van vormpjes. “Van bovenaf gezien is het complex streng symmetrisch en doet het denken aan een Egyptische tempel, terwijl de gangen in het grondplan, die de diverse bouwdelen met elkaar verbinden, refereren aan een kloosteromgang.”

“Het materiaal van de paviljoens vertelt verder iets over wat er binnenin te zien is. De ronde doos (ingericht door Philippe Starck) is bekleed met keramiek, wat verwijst naar het porselein dat in de afdeling kunstnijverheid wordt getoond. Voor het paviljoen van Michele de Lucchi (archeologie en geschiedenis) is baksteen gebruikt, een typisch Gronings materiaal. Mijn eigen paviljoen is bekleed met een patroon dat verwijst naar de schilderkunst (een uitvergroot detail uit een pointillistisch schilderij van de Franse postimpressionist Seurat). De fragmentatie in vorm zet zich dus voort in een fragmentatie van materiaal.”

Mendini nodigde drie gast-architecten uit, wat voortvloeide uit de wens om van het Groninger Museum een mix van architectuur, vormgeving en beeldende kunst te maken. Starck en De Lucchi zijn geen echte architecten, evenmin als Frank Stella, een beeldend kunstenaar, die in eerste instantie een ontwerp voor het paviljoen van kunst van voor 1950 maakte. “Hem had ik uitgenodigd, omdat ik graag een sculpturaal paviljoen om mijn eigen paviljoen wilde. Coop Himmelb(l)au, die Stella verving op het moment dat diens ontwerp onhaalbaar bleek, is weliswaar een 'echte' architect, maar voor mij ook beeldhouwer.”

Alessandro Mendini zet zich af tegen het postmodernisme, maar tegelijkertijd bezit zijn eigen gebouw wel degelijk een paar van die trekjes. De postmodernisten gebruiken graag een historiserende architectuurtaal en Mendini doet dat ook met zijn Egyptische tempel-ensemble en zijn kloostergangen. Het blijkt echter anders te liggen: “Wij kopiëren het niet, maar gebruiken het alleen op een symbolische manier. Het postmodernisme heeft haar vormentaal nooit vermengd met vormgeving. Het is macro design. Wij wilden totaal iets anders doen en hebben die verbinding wel gezocht. Wat wij doen noem ik neo-modernisme.”

Eén van de meest markante aspecten aan het nieuwe Groninger Museum is het kleurgebruik. Geen wand is hetzelfde gekleurd en de zalen zijn een bont samenspel van pasteltinten. Kleur wordt door Mendini gebruikt om sfeer te scheppen. “Het idee is een spirituele omgeving te creëren, een delicate atmosfeer, door middel van zowel het materiaal als het kleurgebruik. Alsof je bloemen ziet. De hele architectuur is een mooie bloem in het water. In al mijn werk speelt kleur een belangrijke rol, om de gebruiker (en in dit museum de bezoeker) een vrolijk gevoel te geven. Het zijn ook kleuren die mensen in hun huis aanbrengen, waardoor het ook iets huiselijks krijgt.”

“Een museum is er voor mij om de bezoekers door middel van het gebouw en de kunstwerken een plaats te bieden voor meditatie en spiritualiteit. Zoiets vind je bijvoorbeeld ook in het museum van Hans Hollein in Mönchengladbach (dat ik goed heb bestudeerd) en in kleinere privémusea, die vaak in voormalige woonhuizen zijn gevestigd. Maar ook in kerken. Die hangen vaak vol met kunst, maar de mensen komen er in de eerste plaats voor de spirituele atmosfeer en niet voor de kunstwerken.”

Het museum als kerk. Dat betekent ook dat de architectuur zich op hetzelfde niveau stelt als de kunst die erin te zien is. En dat beaamt Mendini. Een 'totaalkunstwerk' is het echter ook weer niet. “We kunnen niet spreken van een synthese van kunstvormen, eerder een assemblage. In de tragische momenten van het hedendaagse leven is geen harmonie meer. Het zijn fragmenten die met elkaar worden vermengd, net zoals in dit gebouw.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden