ARCHEOLOGIE

De jaarlijkse Reuvensdagen voor archeologen staan morgen en overmorgen in het teken van grote infrastructurele projecten. Zoals dat van de aanleg van de Betuwelijn, waar oudheidkundigen, in een geheel nieuwe aanpak, vanaf het begin bij zijn betrokken. Projectleider Boudewijn Goudswaard zal in Nijmegen uitleggen wat de voordelen daarvan zijn. De hete adem van de graafmachinist blijft uit. Al op de tekentafel kan er hier en daar wat worden aangepast. En er is tijd voor weloverwogen keuzes: wat op te graven en wat niet. In het geval van de Betuwelijn gaat dat resulteren in “een doorsnede van Nederland, van alle perioden en typen vindplaatsen. Langs één, smalle lijn: we ritsen daar de bodem als het ware even open.”

Bij de aanleg van de Betuweroute moet dat heel anders gaan. Nog voor er een aannemer in het veld is verschenen en er een spa de grond is ingegaan voor de lijn, zitten archeologen al op de voorste rij in de voorbereiding. De Managementgroep Betuweroute van NS Railinfrabeheer telt niet alleen de spoorwegbouwer, de kabel- en leidingenlegger en de jurist, maar ook de archeoloog.

Het is even wennen. Meestal zitten archeologen ergens in het veld. Hier zetelt Boudewijn Goudswaard met zijn Projectgroep Archeologie in Utrecht in het gebouw van NS, midden tussen het treinvolk. Hij zal zijn laarzen weinig gebruiken als projectleider. Hij zal zich moeten bedwingen om het veld in te gaan. “Mijn doel ís uiteindelijk, net als van mijn collega's hier, het bouwen van een spoorlijn. Ik moet er daarbij op toezien dat de archeologie gewaarborgd is. Als die niet geregeld is, kan de lijn niet worden aangelegd.”

De integrale aanpak van het project is uniek voor Nederland. De aanleg van de goederenspoorlijn van 160 kilometer is zo omvangrijk dat de planning strak geregeld moet zijn, ook voor de archeoloog. Die kan niet op eigen houtje in de grond gaan prutten en wel zien waar hij uitkomt - of waar het schip strandt: opgraving driekwart gevorderd, onverwachte ontdekkingen, geld op. Daarvoor worden er op de route tussen Rotterdam en Zevenaar te veel vindplaatsen verwacht.

De projectgroep stuurt en coördineert het werk van de archeologen op de route. Dat werk zelf wordt uitbesteed aan universiteiten en particuliere instellingen.

Goudswaard: “Wij moeten voorkomen dat het onderzoek een onbeheersbaar projectiel wordt. Wij zorgen dat er goede afspraken gemaakt worden, eventueel meer- of minderwerk vroegtijdig wordt gesignaleerd en in het project kan worden ingepast en de uitvoerders van de opgraving een duidelijke opdracht krijgen. Ook moeten wij de kosten in de hand houden. Archeologen zijn geen bouwers, wij doen onderzoek naar het onbekende. Er blijft altijd een grote mate van onzekerheid. Stel dat je een aantal extra bewoningslagen aantreft, dan kijken wij of daar in de planning ruimte voor bestaat.”

De projectgroep begon in 1993. En er is al heel veel werk verzet. Op basis van archiefinformatie is een computerkaart gemaakt van alle losse vondsten tot dan toe op en langs het tracé van de Betuweroute. Dat leverde 260 interessante locaties op. Dat is veel maar niet vreemd: historische bronnen hebben immers uitgewezen dat de spoorlijn gepland is door een gebied dat in de prehistorie het Hart van Nederland was. Uit die 260 selecteerde de stichting Regionaal Archeologisch Archiveringsproject (RAAP), een particuliere stichting voor archeologisch onderzoek, na bestudering van de bodemkaart (het geologisch profiel) van de route 150 terreinen waar archeologen ook echt iets kunnen verwachten: locaties die méér zullen opleveren dan die incidentele vondst, of die bijvoorbeeld ooit bewoond zijn geweest.

RAAP voerde op die locaties achtduizend grondboringen uit, waarbij soms verrassende ontdekkingen werden gedaan, zoals pleistocenen rivierduinen (donken) en oude oevers (stroomruggen) die niet op de bodemkaart stonden. Ook deed RAAP veldverkenningen. “Wij noemen dat landloperij”, zegt Goudswaard. “De laarzen aan en het veld in, kijken wat de mollen omhoog gebracht hebben, langs de slootkant lopen. Het blote oog van de kenner ziet heel veel. Als het om hevig vernielde plekken gaat, is een opgraving niet zinvol.”

Het onderzoek van RAAP resulteerde in 45 vindplaatsen, die volgens de stichting het behouden waard zijn. Drie werden geschrapt; 42 zijn nader onderzocht. “Op die locaties zijn proefsleuven gegraven, soms van enkele tientallen meters lengte en een paar meter breedte. Soms volstaan we met hele kleine putjes van vier bij vier; daarvan wordt de grond opgegraven en gezeefd.”

De volgende stap is de vaststelling van de definitieve lijst van opgravingsgebieden. Daarover beslist uiteindelijk niet de Project Archeologie, maar de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Goudswaard: “Ik voel aan mijn water dat er uiteindelijk nog 20 tot 25 locaties overblijven, die echt van belang zijn. Daarmee maken we een doorsnede van Nederland, van alle perioden en typen vindplaatsen. Langs één, smalle lijn: we ritsen daar de bodem als het ware even open.”

“De vindplaatsen die overblijven, zullen alle perioden vertegenwoordigen. Van het Mesolithicum (8800 - 4900 voor Chr.) tot de Late Middeleeuwen. We komen alle mogelijke soorten archeologische overblijfselen tegen: grafvelden, nederzettingen, versterkingen.”

“Het gebied langs de rivieren heeft altijd een grote aantrekkingskracht gehad op mensen. In het westen zitten de vindplaatsen uit het Mesolithicum en Neolithicum (5000 - 1700 voor Chr.) heel diep op donken die soms wel vijf tot zeven meter onder het maaiveld liggen. Dat zijn fantastische vindplaatsen, omdat ze prachtig verpakt in het veen liggen. Af en toe duikt er wat van op, bij Sliedrecht en Gorkum bijvoorbeeld.”

“Meer naar het oosten liggen in het rivierengebied goedbewaarde nederzettingen uit de Bronstijd (1700 - 700 voor Chr.), met name bij Kesteren, Zetten en Dodewaard. Daaronder zitten resten uit het Neolithicum en daarboven uit de Romeinse tijd. Soms is een periode van 5000 voor Chr. tot 500 na Chr. samengeperst in een bodemlaag van twee meter.”

“Ga je nog verder oostwaarts, voorbij het Pannerdensch Kanaal, dan zit je op de stuwwallen waar het pleistoceen echt aan de oppervlakte komt. Daar hoeven we dus ook niet zo diep te boren.”

De uiteindelijke selectie van de vindplaatsen gebeurt op basis van een stel afgewogen criteria: wat is er al aan grondsporen en archeologische resten aangetroffen, hoe goed is de plek bewaard gebleven, hoe zeldzaam is de vondst, wat voor soort plaats is het. “Hoe meer er geploegd is of hoe meer sloten er zijn, des te minder waardevol is die plek. Hebben we elders al zo'n soort vindplaats, dan kun je gaan vergelijken. Op al die criteria kun je een puntensysteem toepassen. Dat klinkt allemaal wat procedureel, maar het is van het grootste belang dat je criteria goed zijn en dat je de tijd en het geld zo efficiënt mogelijk gebruikt.”

De 'winst' van de nieuwe aanpak zit niet alleen in het uitgebreide vooronderzoek, maar bijvoorbeeld ook in het feit dat de archeologen vanaf het begin konden meekijken naar de tekeningen van de route. Met de inventarisatie op zak konden ze de waardevolle plekken aanwijzen en is het tracé op sommige stukjes verlegd of is een bocht iets ruimer genomen om een archeologisch monument te sparen. En nog steeds leunen ze mee over het tekenschot en kan er zonodig een nuance worden aangebracht in de hoogte of de breedte. “Dan praat je over een halve meter naar links of naar rechts en over centimeters in de diepte.”

Ongeveer de helft van alle geselecteerde vindplaatsen zal worden opgegraven. In een aantal gevallen worden er voorzieningen getroffen om de vindplaats te bewaren voor later. “Die komen onder de rails te liggen en blijven beschermd totdat de spoorlijn ooit nog eens wordt afgebroken, over een paar eeuwen of zo.”

“Dat lijkt misschien lang, maar in archeologische zin is het een schijntje. Daarbij: kijk eens wat wij in de afgelopen tweehonderd jaar gedaan hebben aan bouwen, ploegen, zandzuigen, baggeren. We ruimen in recordtempo ons archeologisch erfgoed op dat in tienduizend jaar is opgebouwd, met onze huidige, beperkte technische kennis en visie. Wij nemen het nu de archeologen uit het begin van deze eeuw kwalijk dat ze alle grafheuvels in Nederland onderzocht hebben. Er is er geen meer in originele staat over. Ook hunebedden zijn allemaal al uitgegraven. Was dat niet gebeurd, dan zouden we ze veel beter kunnen dateren.”

“Daar moeten wij op onze beurt voor waken. Wat we niet kunnen waarmaken, moeten we laten liggen. Ik heb daar overigens geen moeite mee. Ik lig er eerder wakker van dat we met 20 tot 25 projecten doorgaan. Met graven hebben we tijd tot 1999, dan moeten we overal weg zijn. Dat is kort, maar redelijk goed ingepland.”

Minstens zo belangrijk als de opgraving is de presentatie van de vondsten. “Je vraagt voor de archeologie belastinggeld van de burger, dan moet je ook een goed verhaal maken - daar hangt immers het voortbestaan van de archeologie van af. En niet alleen van het eindresultaat. We willen per vindplaats ook tussentijds zo goed mogelijk informatie geven: naar het publiek, naar de wetenschap, maar ook naar de NS-collega's. Tentoonstellingen maar ook een schriftelijke presentatie.”

“Daar is veel belangstelling voor. We zitten wel eens aan de keukentafel van een boerengezin. 'Wat zit er in mien land', willen ze dan weten. Als je vertelt dat er in de Bronstijd ook boeren hebben gezeten, zijn ze stomverbaasd.”

“Daarnaast willen we het onderzoek ook zo goed mogelijk uitwerken. Vroeger bleven er van opgravingen vaak enorme lijsten met vondstnummers over, waar je niks mee deed. Dan raakte je in de war van alle gegevens en bleef het vervolg steken in het Land van Ooit. Wij willen informatie en data zo documenteren en vastleggen dat anderen daarmee verder kunnen in vervolgonderzoeken.”

Goudswaard noemt de opzet van het project een proeftuin voor de toekomst van de archeologie. “De procesmatige benadering is beslist geen keurslijf. Op deze wijze wordt je bewegingsvrijheid juist vergroot, je holt als archeoloog niet meer achter de feiten aan.”

“We hebben een punt op het bord, daar willen we eindigen. Als projectleider kan ik bijsturen als we er een beetje naast zitten. Dat is soms moeilijk uit te leggen. Dat stuur is niet vastgelast. Als je niet stuurt, krijg je nooit een goed eindproduct.”

“Het aardige is dat deze aanpak ook in het onderwijs gestalte zal krijgen. Er komt een postdoctorale opleiding uitvoerende archeologie. Je kunt nog zo'n goeie archeoloog zijn, je moet ook de trucjes kennen om je project in de hand te houden. Wij proberen een schil te creëren waarbinnen het eigenlijke werk gedaan kan worden, een zwembad aan te leggen waarin gezwommen kan worden. Dat wil zeker niet zeggen dat wij alles al weten. Het is ook voor ons vallen en opstaan, maar het blijft een prachtig en leerzaam project.”

Uit 260 potentieel interessante locaties langs het tracé van de Betuwelijn zijn 42 archeologische vindplaatsen geselecteerd. Dat zijn van oost naar west: (illustratie)

1 Bemmel (Lodderhoeksestraat, Angeren) Romeinse nederzetting 2 Elst (Merm) mogelijk huisplaats uit Middeleeuwen 3 Elst (Ressen) zeldzame nederzetting, Late Bronstijd 4 Elst (Knooppunt Ressen) huis uit IJzertijd 5 Valburg (Verlengde Kerkstraat) Romeinse nederzetting, mogelijk ook vindplaats Late IJzertijd 6 Valburg (De Eshof, Herveld-Zetten) mogelijk prehistorische nederzetting 7 Valburg (Vergulde Bodem, Zetten) vondsten uit Neolithicum en uit Romeinse tijd 8, 9 en 10 Valburg (Zettensche Veld, Zetten/Andelst) nederzettingen uit Midden- en/of Laat-Neolithicum; resten uit Late Neolithicum, Vroege en Midden-Bronstijd 11 Dodewaard/Valburg (Hiensche Veld) twee vondstconcentraties uit Vroege en Midden-Bronstijd, vermoedelijk van een huis 12 en 13 Dodewaard (Veedijk) paalkuil en voorwerpen wijzen op Laat-Neolithicum; nederzetting Midden-Bronstijd, deels onderzocht in 1967; ook resten Laat-Neolithicum 14 en 15 Dodewaard (Kerkstraat) materiaal uit Late Bronstijd-IJzertijd en sporen uit jongere periode 16, 17, 18 en 20 Dodewaard (Dalwagen) drie locaties van uitgebreide nederzetting vermoedelijk uit Bronstijd; huisplaats uit Late Bronstijd of Vroege IJzertijd 19 Dodewaard (Plas van Schouls) vondsten uit nederzettingscomplex, over honderden meters verspreid in minstens zes concentraties, vermoedelijk Midden-Bronstijd 21 Dodewaard (Peyenkampse Veldweg) nederzetting uit Neolithicum 22 Kesteren (De Woerd) zeer omvangrijke nederzetting uit Romeinse tijd en waarschijnlijk ook IJzertijd, mogelijk ook vondsten uit Bronstijd en Neolithicum 23 Kesteren (Lienden) bewoningssporen als huisplattegrond, kuilen en aardewerk uit Midden-Bronstijd 24 Lienden/Kesteren (woonwagenkamp) aardewerk, glas en metaal uit grafveld Romeinse tijd, daaronder nederzetting Neolithicum of Bronstijd 25 Echteld (Kleine Meer) in 1967 zijn urnen gevonden, vermoedelijk grafveld uit prehistorie, Romeinse tijd of Vroege Middeleeuwen 26 Tiel (Linge) deel van nederzetting uit Vroege of Late Middeleeuwen

27 Buren (Stenen Kamer, Kerk Avezaath) sporen uit Middeleeuwen 28 Buren (Malburg, Kerk Avezaath) nederzettingen uit Vroege en Late Middeleeuwen, ook scherven uit Romeinse tijd 29 Geldermalsen (Lage Blok) restant nederzetting uit IJzertijd; paalkuilen gevonden 30 t/m 33 Geldermalsen (Meteren) vermoedelijk Romeinse nederzetting; drie concentraties vondsten uit Laat-Mesolithicum, mogelijk restanten van nederzettingen; twee grote vindplaatsen uit Laat-Neolithicum en uitVroege of Midden-Bronstijd; kleine vindplaats, vermoedelijk Laat-Neolithicum 35 en 36 Geldermalsen (Eigenblok) nederzetting en boerderijen uit Midden-Bronstijd, ook overblijfselen uit Late Bronstijd of IJzertijd; veel paalsporen; aardewerkvondsten uit Laat-Neolithicum en Vroege Bronstijd 37 Geldermalsen (De Laar-Eendenkooi) vondstlaag uit Neolithicum of Bronstijd; veel houtskool gevonden 38 Giessenlanden (Schelluinen) geul met veel ingeslagen palen; scherven uit Late Middeleeuwen 39 Hardinxveld-Giessendam (Polderweg) goed bewaarde Vroeg-Neolithischenederzetting op rivierduin; grote kans op grondsporen van haarden en hutten 40 Hardinxveld-Giessendam (De Bruin/Zwijnskade) goed bewaarde Vroeg-Neolithische nederzetting op donk; grondsporen van haarden enhutten verwacht 41 Sliedrecht kleine nederzetting, mogelijk 5000 voor Chr. 42 Graafstroom (bij Papendrecht) grafveld en/of cultusplaats uit IJzertijd en Romeinse tijd; sporen van brand of crematie en glazen armband gevonden.

Van deze 42 zullen er nog zo'n 20 afvallen. De rest van de vindplaatsen zal worden afgegraven of worden afgedekt en bewaard voor onderzoek door toekomstige generaties.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden