Archeologie van de archeologie

Niet iedere archeoloog gaat steeds weer op zoek naar een maagdelijk nieuwe vindplaats. Sommigen keren terug naar bekende opgravingen, en onderwerpen de oude vondsten aan nieuwe technieken. Of ze spitten in de archieven, in de hoop dat ze daar tot nieuwe inzichten komen.

Een les geschiedenis leidde onlangs tot een kleine opstand op een basisschool in Leiden. "Mijn zoontje van negen kreeg te horen dat de eerste boeren van Nederland de bouwers van de hunebedden waren", zegt Ivo van Wijk. "Maar dan begin je bijna tweeduizend jaar te laat."

Laat het duidelijk zijn: de eerste boeren van Nederland woonden zevenduizend jaar geleden in Limburg. Je weet dat je hun woonplaatsen aan het bekijken bent als je de resten van hun kook- en voorraadpotten tegenkomt: aardewerk dat rondom versierd is met ingekerfde lijnen. Bandkeramiek.

Over twee maanden komt het onderzoeksrapport "'Vergeten' bandkeramiek" uit dat die bandkeramische cultuur weer bekend moet maken. Van Wijk, die werkt bij het archeologiebedrijf Archol, is een van de auteurs. Drie jaar lang ploegde hij zich met andere onderzoekers niet door zand of klei, maar door oude aantekeningen van archeologen die van 1925 tot 2001 werk hadden gemaakt van de bandkeramiek. Het onderzoek was onderdeel van het Odyssee-programma, waarin ook allerlei ander archeologisch onderzoek opnieuw werd bekeken. Maandag worden de resultaten van de 31 projecten gepresenteerd op een symposium in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. En vanaf dinsdag is in dat museum de tentoonstelling 'Bij nader inzien - nieuw onderzoek naar oude opgravingen' te zien.

De oude opgravingen naar de bandkeramische cultuur, die in Nederland het begin inleidde van de Nieuwe Steentijd, kwamen na 1925 op gang. Toen werden bij Maastricht, in een groeve op de Caberg, scherven gevonden van een type dat in België en Duitsland al eerder was ontdekt. "Tot aan de Tweede Wereldoorlog was het echt een hausse. Maar de resultaten zijn veelal in vergetelheid geraakt. De mooiste potjes kwamen in vitrines in musea, de rest ging in dozen in archieven", vertelt Van Wijk.

In de jaren vijftig en zestig maakte het onderzoek een opleving door. In Stein, Elsloo en Sittard werden door archeologen van de Rijksuniversiteit Leiden en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (nu Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) onder leiding van prof. P. Modderman enkele grote internationaal toonaangevende opgravingen gedaan. Daardoor konden aan de hand van bodemsporen bijvoorbeeld 250 plattegronden worden gereconstrueerd van de langwerpige huizen waarin deze boeren woonden.

Nationale erfgoed
Daarna was het weer het terrein van de amateurs en kleine noodopgravingen, vaak onder dagelijkse leiding van studenten. Van Wijk: "De belangstelling van de wetenschappelijke wereld verplaatste zich naar Duitsland, waar veel werd gevonden in de grote bruinkoolgroeven. Maar sinds kort is er weer veel 'Malta- onderzoek', opgravingen die we volgens een internationaal verdrag verplicht zijn te doen omdat er op een plaats gebouwd wordt waar iets kan liggen dat tot ons nationale erfgoed behoort. Dus bij elkaar is het een lange onderzoeksperiode, met pieken en dalen."

Dat de bandkeramiek bij archeologen en historici wat uit het zicht raakte, kan Van Wijk wel begrijpen. "Die cultuur besloeg een enorm gebied, van Wit-Rusland tot aan het Parijse bekken. Daarin neemt Nederland maar een kleine plaats in. En in Nederland zelf gaat het alleen maar om Zuid-Limburg, tussen Sittard en Maastricht, een gebiedje van 300 vierkante kilometer. De rest van het land zat toen nog in het tijdperk van jagers en verzamelaars."

Maar dat is nog geen reden om het onderwerp op school over te slaan, want die potten bieden onverwacht veel informatie over hoe het zevenduizend jaar geleden ging als mensen honkvast werden. Van Wijk: "Als je een scherf ziet, herken je het meteen als bandkeramiek, maar er zijn veel verschillen. In de oudste fase was het heel simpel, een enkele lijn, een golf. In de loop van de tijd werd het steeds complexer. Het idee is dat het patroon van moeder op dochter overging, maar dat die dochter er weer iets eigens van maakte, een soort handtekening. Dus het ontwikkelde zich snel, van generatie tot generatie. Die pot was een soort identiteit, zoals bij Schotse tartans het ruitpatroon. Op die manier zou je bijna een familie kunnen traceren."

Om dat te doen, moet je van zoveel mogelijk nederzettingen de scherven dateren, beschrijven en met elkaar in verband brengen. Maar ondanks het feit dat het onderzoek naar de bandkeramiek al een eeuw loopt, kon dat helemaal niet. Nu wel. Grote opgravingen en kleine projecten van amateurs of van een student voor zijn of haar scriptie zijn door Van Wijk en zijn collega's beschreven en in de computer gestopt, op zo'n manier dat de gegevens vergelijkbaar zijn. Meer dan 50.000 afzonderlijke sporen van het leven in de Nieuwe Steentijd.

Pater Munsters
"Het merendeel was best goed gedaan", zegt Van Wijk. "Mensen maakten een opgravingsverslag, beschreven hoe ze de dingen aantroffen, schreven dagrapportjes. Zelfs de oudste opgraving, door het Rijksmuseum van Oud- heden, was eigenlijk heel goed. Maar je had op die berg ook pater Munsters, die liep in zijn vrije tijd langs de groeves, verzamelde vondsten, maar heel selectief, en waarvan de herkomst meestal niet helemaal duidelijk was. Dat is informatie waarmee we weinig kunnen doen. Maar in die tijd was zo iemand wel degelijk nuttig, want hij fungeerde wel als verkenner, die archeologen opmerkzaam maakte op een plek waar wat te vinden was."

Al die onderzoeken bij elkaar leveren volgens het eindrapport het begin van een nieuwe kijk op de bandkeramiekers aan de Maas. De indruk bestaat bijvoorbeeld dat de rivier voor de gemeenschappen in Limburg geen grote barrière was. Aan beide oevers zie je hetzelfde soort patronen op de potten. Maar bij het gebruik van het vuursteen en de wijze waarop nederzettingen werden ingericht weer niet. Om het zeker te weten, is meer onderzoek nodig.

"Wij zitten aan de rand van dat enorme cultuurgebied, maar dat is juist wat het zo leuk maakt", zegt Van Wijk. "Op de zandgronden ten noorden van Sittard woonden nog jagers-verzamelaars, en daar komt dan in één keer een ander volk Limburg binnenzetten om te gaan boeren op die lössgronden, dat doen ze 300 jaar en dan verdwijnen ze weer. Het was voor Nederland eigenlijk een soort testfase van de neolithisatie, de overgang van een zwervend naar een vast bestaan. Want uit die tijd zijn bandkeramische bijlen tot bij Arnhem gevonden, en pijlspitsen zelfs bij Hardinxveld. Die mensen zijn echt niet zelf naar zee gelopen om die te verkopen, dat is via via gegaan."

Ondertussen heeft het Odyssee-onderzoek " 'Vergeten' bandkeramiek" ook de belangstelling voor de bandkeramiek bij de Limburgers van nu wakker gekust. "Limburgse gemeenten gaan zich met bandkeramiek identificeren, ze zien het als deel van hun cultuur. Beek heeft er een website over gemaakt."

'Bij nader inzien - nieuw onderzoek naar oude opgravingen', Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, 15 april t/m 14 september.

Naar de bron: Cooper's Ferry
Als je gaat graven in de bodem van Idaho bij Cooper's Ferry, aan de samenloop van Rock Creek en Salmon River, in het noordwesten van de VS, vind je de sporen van mensen die er lang geleden waren: as uit kookvuren; pijlpunten van een type dat 9000 jaar geleden uit de mode raakte; en een bierblikje, van een brouwerij die in 1999 de deuren sloot.

Timothy De Smet vond het geweldig om dat blikje te vinden. "Het betekende dat we bezig waren op de plek waar Robert Butler in 1966 een opgraving had gedaan!"

En het was geen onverschilligheid van Butler die het blikje daar had laten belanden, maar eerder hoffelijkheid: zo maken archeologen aan de collega's die na hen komen duidelijk dat ze met een verstoorde vindplaats te maken hebben, die is opgegraven en weer dichtgegooid. En dat ze dus moeten oppassen met conclusies die ze trekken uit de volgorde van aardlagen en de aanwezigheid van andere sporen. De Smet, promovendus en assistent-curator antropologie aan de A&M universiteit in Texas, doet dat zelf ook: "Centen."

Dat een archeoloog in 2012 precies op dezelfde plek als Butler aan het graven sloeg, was natuurlijk geen toeval. Amerika is groot, en wie wil weten hoe en wanneer de mens na de laatste IJstijd via de Beringstraat overstak en het continent in bezit nam, heeft duizenden plaatsen om uit te kiezen. Maar De Smet en zijn collega's wilden juist de locatie onderzoeken waar Butler een halve eeuw geleden bezig was. Die was kwijt. Terwijl zijn onderzoeksrapport toch zo opzienbarend was geweest.

De Smet: "Cooper's Ferry is een beroemde vindplaats. Want Butler zei dat hij in lagen die hetzelfde tijdperk vertegenwoordigden twee soorten pijlpunten had gevonden: met en zonder steel. Als die pijlpunten echt in dezelfde context zouden zijn gevonden, dan kon 100 jaar archeologische orthodoxie de prullenbak in."

Inmiddels is het onderzoek van Butler niet meer het enige dat twijfel zaait over de theorie dat de makers van pijlpunten zonder steel, de 'Clovis-punten', de enige echte eerste immigranten in Amerika waren. Maar Cooper's Ferry bleef trekken. De Smet: "Archeologen zijn nu eenmaal altijd sceptisch. En deze opgraving is lang door iedereen afgewezen. Toen we de plek eenmaal gevonden hadden, zijn we er pal naast gaan graven. En we vonden met onze veel betere meetapparatuur dezelfde ouderdom voor de diepste aardlagen als hij, en vier bergplaatsen van pijlpunten."

Een andere reden om de opgraving van Butler nauwkeurig te onderzoeken, was als demonstratieproject: hoe nauwkeurig kun je de activiteiten van een archeoloog tientallen jaren later nog reconstrueren? Daarvoor brachten de Texaanse onderzoekers allerlei meetapparatuur in stelling, bijvoorbeeld een magnetometer die de locatie van bepaalde metaalhoudende mineralen verraadt, en een röntgenspectrometer, die het voorkomen van allerlei chemische stoffen kan aantonen. En De Smet vindt dat de poging om inzicht te krijgen in de opgraving goed geslaagd is.

Dat kan helpen om vragen te beantwoorden waar de oorspronkelijke archeoloog geen raad mee wist, zoals in het geval van Butler ouderdom van materiaal op plaatsen waar ooit kuilen waren geweest, waardoor de aardlagen heel anders liggen. Of vragen waar hij niet eens op kwam. De Smet: "Daarmee waren het nog geen slechte archeologen. De meesten dan. Sommigen waren niet veel beter dan plunderaars. Maar ja, wat gaan ze van ons zeggen over vijftig jaar? Ik ga niet op ze neerkijken."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden