Archeologie ondersteunt bijbelboek

Geeft het bijbelboek Jozua historische gebeurtenissen weer? Lang werd aangenomen dat het fictie was, maar theoloog Koert van Bekkum vond aanwijzingen dat sommige verhalen uit het boek echt zijn gebeurd.

’Ik weet niet hoe zo’n sfeer ontstaat”, zegt Koert van Bekkum, theoloog en adjunct-hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad. „Misschien willen mensen niet graag voor fundamentalist doorgaan.” Hij heeft het over een wetenschappelijke consensus, die sinds de jaren zestig de bijbelwetenschap in haar greep had: de oudste versies van het bijbelboek Jozua zouden dateren uit de vijfde of zevende eeuw voor Christus, uit de periode net voor of na de Babylonische ballingschap. En de erin beschreven gebeurtenissen, die ongeveer acht eeuwen eerder moesten hebben plaatsgevonden, waren niet of nauwelijks historisch te noemen.

In zijn proefschrift ’From Conquest to Coexistence’ (Van verovering naar vreedzaam samenleven) over het bijbelboek Jozua probeert Van Bekkum die consensus te doorbreken. Het belang van zijn onderzoek overstijgt het Jozuaverhaal en behandelt een kwestie waar iedereen die oude tradities bestudeert mee te maken krijgt: in hoeverre weerspiegelen die tradities de historische werkelijkheid of (nationale) mythevorming? En welke rol kan archeologie al dan niet spelen bij de beantwoording van die vraag?

Van Bekkum probeert niet de historiciteit van de in Jozua beschreven voorvallen onomstotelijk te bewijzen. Maar hij zet wel vraagtekens bij de gebruikelijke scepsis. Hij vindt dat de sceptici essentiële vragen uit de weg gaan. „Ik ben sceptisch over die scepsis”, vat hij samen. En hij bepleit een hervatting van de ’dialoog’ tussen archeologie en tekstwetenschap.

Zijn argumenten haalt Van Bekkum uit de geografische en sociologische gegevens in het boek Jozua over het land Kanaün. Volgens historische bronnen en de moderne archeologie dateren deze gegevens uit de periode tussen de twaalfde en negende eeuw voor Christus, de late bronstijd en het begin van de ijzertijd. Daarover kan een schrijver uit de vijfde eeuw voor Christus onmogelijk hebben beschikt. Van Bekkum denkt dat het boek Jozua kort na de tijd van het koninkrijk van David (1010 voor Christus – 970 voor Christus) is geschreven. „De ideologische inkleuring van het boek is dat de omvang van het rijk samenhangt met de mate van gehoorzaamheid aan God. De schrijvers waren op de hoogte van de schrijftechnieken van hun tijd. Opvallend is dat hun verhaal niet is geschreven ter ere van een koning maar van God.”

Archeologische gegevens bevestigen volgens Van Bekkum vergaand de sociale en politieke context, waarin de Bijbel het Jozuaverhaal plaatst. En dat maakt het aannemelijk dat dat verhaal minstens een aantal historische herinneringen bevat.

Het bijbelboek Jozua beschrijft een cruciale fase in de geschiedenis van het volk Israël. Vanuit wat nu Jordanië is, trekt dat volk het door God beloofde land Kanaün binnen en verovert daar stad na stad, waarna de twaalf verschillende stammen elk een eigen leefgebied krijgen toebedeeld. Het is een gedetailleerd verhaal met veel geografische gegevens en soms mooie anekdotes.

Voordat in de negentiende eeuw de bijbelkritiek opkwam, stelden weinigen kritische vragen bij het relaas van Jozua. Later ontstonden sceptische theorieën. Volgens een daarvan zouden de Israëlieten niet via een gewelddadige invasie Kanaün zijn binnengekomen, maar via een geleidelijke immigratie. Andere theorieën wilden zelfs helemaal niets weten van een allochtone oorsprong van het volk Israël en verklaarden maatschappelijke veranderingen in het land Kanaün vanaf de dertiende eeuw voor Christus uit een boerenopstand. Van Bekkum denkt zelf aan een combinatie van een korte gewelddadige inval en een daarop volgend proces van gedeeltelijke integratie met de bevolking van Kanaün. Hij kan zich niet voorstellen dat de Israëlieten autochtone inwoners van het land waren: „De hele traditie wijst op een allochtone afkomst. Hoe moet je dat dan verklaren?”

In de jaren twintig van de vorige eeuw pasten Duitse geleerden de werkwijze van de gebroeders Grimm toe op Jozua. Ze zagen Jozua als een compositie, waarin allerlei volksverhalen over kleine immigraties en veroveringen van verschillende groepen woestijnbewoners versmolten waren tot een grote, nationale saga van het volk Israël, een verovering van Kanaün onder één leider, Jozua. Het boegbeeld van deze wetenschappelijke stroming was de lutherse theoloog Albrecht Alt.

Daarop volgde een reactie. Vooral Amerikaanse archeologen probeerden te bewijzen dat het Jozuaverhaal wel degelijk historisch klopt. Maar na ongeveer veertig jaar waren de meeste wetenschappers het er over eens dat die pogingen waren mislukt. De mogelijke sporen van een grote verovering (brandlagen) lagen in tijd te ver uit elkaar. Van Bekkum: „De algemene reactie was: we dachten al dat het verhaal niet historisch was, en dat klopt dus.”

Van Bekkum legt uit waarom de pogingen van de archeologen weinig kans van slagen hadden: „Gebeurtenissen laten geen ondubbelzinnige sporen achter. Het is daardoor moeilijk om via de archeologie historische voorvallen te reconstrueren of te bewijzen. Een brandlaag kan door verschillende oorzaken zijn ontstaan, niet alleen maar door een gewelddadige verwoesting.”

Van Bekkum ervoer het zelf, toen hij eind jaren negentig meedeed aan een opgraving in de Kanaünitische nederzetting Tel Megiddo, een van de steden die Jozua verovert en waarvan hij de koning doodt. De stad lag strategisch belangrijk bij de overgang van de vlakte van Jizreël (ten noorden van wat nu de westelijke Jordaanoever is) en de kustvlakte. De stad beheerste de belangrijke zeeweg. Megiddo bevat een schat aan informatie over de periode die voor het Jozuaverhaal van belang is, de late bronstijd en de vroege ijzertijd. Van Bekkum en zijn collega-onderzoekers groeven daar een huis uit. Het stond vast dat het was verbrand en ingestort, en in het huis troffen de onderzoekers de resten van een vrouw aan.

Tot zover was alles duidelijk, maar daarna kwamen de verschillende interpretaties. Een aardbeving? Een ongeluk? Oorlog? Het eindrapport maakt geen duidelijke keuze. Eén enkel huis riep al zo veel discussie op – hoe hachelijk is het dan wel niet om grote historische gebeurtenissen te bewijzen via archeologie.

Soms vinden onderzoekers teksten. Maar ook dan moet je maar hopen dat die niet alleen propaganda bevatten. Een extra probleem bij de Bijbel is dat die bestaat uit overgeleverde teksten. De eindversies ervan zijn vaak van vele eeuwen later dan het mondelinge of schriftelijke ’origineel’ waarop ze teruggaan. Waarbij het de vraag is of ze zoiets als historische herinneringen bevatten uit de beschreven tijd, of dat ze van begin tot eind latere fantasieproducten zijn. Dat laatste was, met hier en daar nuances, de afgelopen veertig jaar ten aanzien van het boek Jozua de overheersende opvatting.

Van Bekkum deelt die visie niet. Hij ziet wel degelijk historische ondersteuning voor het Jozuaverhaal, al is die van een andere aard dan waaraan vroegere archeologen dachten. Toen hun pogingen om de historiciteit van Jozua’s veldtocht te bewijzen waren mislukt, voltrok zich een scheiding tussen archeologie en tekstwetenschappen. Nog maar weinig geleerden hielden beide specialismen bij. Het werden, zoals van Bekkum het uitdrukt, monologen. Van Bekkum: „Ik snap dat ook wel. Die combinatie is zo complex, het is bijna niet te doen.”

Toch probeert hij de dialoog tussen archeologie en tekstwetenschap te herstellen. Hij denkt dat nieuwe ontwikkelingen binnen de archeologie dat mogelijk maken. De oriëntatie veranderde. Moderne archeologen proberen niet langer bewijzen te vinden voor historische gebeurtenissen, maar vooral een maatschappelijk, sociologisch, economisch en politiek tijdsbeeld te geven. Ze leveren context.

In het bijbelverhaal voert Jozua oorlog tegen Kanaünitische stadsvorsten. Wat vertelt de archeologie? Van Bekkum: „In de late bronstijd waren er in de zuidelijke Levant (het gebied direct ten oosten van de Middellandse Zee, red.) inderdaad kleine koninkrijkjes met een stad als centrum. Ook Jozua botst op stadsstaten. Hoe komt die herinnering in de Bijbel terecht? In de dertiende en twaalfde eeuw degenereren die steden. Het hele sociale systeem stort in. In die tijd behoorde Kanaün officieel tot Egypte. De farao had het gebied uitgewrongen. De plaatselijke elite deed daaraan mee. De invallen van de zeevolken spelen een rol. Maar zou ook een volk, dat al door de Egyptische farao Menepta Israël werd genoemd, een factor kunnen zijn geweest? En dan is er vanaf de dertiende eeuw tot ongeveer het jaar duizend een bevolkingsexplosie in het bergland, die je niet kunt verklaren vanuit normale demografische ontwikkelingen. Je ziet ook een versterking van het tribale element. En rond het jaar duizend raakt de Saronvlakte bewoond en zijn er forten in Galilea. Welk machtscentrum is er dan?”

En dan is er nog een geografische aanwijzing in Jozua 13:4, die lijkt uit te sluiten dat de auteur het hele verhaal in de vijfde eeuw in Babylon heeft verzonnen: ’tot aan Afek op de grens van het land van de Amorieten’. Van Bekkum: „Die grens, ergens in Libanon, is later blijven bestaan, maar de benaming Amorieten is vanaf de negende eeuw verdwenen. Die grens stond in de vijfde eeuw allang niet meer zo bekend.”

Van Bekkum kreeg een cum laude van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Kampen. Gemakkelijk heeft hij het zich niet gemaakt. De combinatie van tekstwetenschap en archeologie was een herculesarbeid en zijn begeleiders waren ook niet bij voorbaat overtuigd van zijn standpunt. Zijn promotors waren de professoren Gert Kwakkel en Ed Noort van de Rijksuniversiteit Groningen. Noort kreeg zijn opleiding in Göttingen in Duitsland, in de sfeer van Albrecht Alt. In Van Bekkums promotiecommissie zat professor Baruch Halpern van de Pennsylvania State University. Van hem is de uitspraak: ’The book of Joshua is good and competent history that is wrong.’ Bang voor gebrek aan kritische begeleiding hoefde Van Bekkum dus niet te zijn. Van Bekkum: „Maar ze vinden nu wel dat mijn standpunt, dat er wel degelijk historische ondersteuning voor het Jozuaverhaal is, serieus moet worden overwogen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden