Archeologen ondergraven fundamenten van volk Israël

Na zeventig jaar intensief graven zijn de meeste Israëlische archeologen tot opzienbarende conclusies gekomen: de Israëlieten waren geen slaven in Egypte, zij hebben niet door de woestijn gezworven en ze hebben niet het land (Israël) veroverd. Ook was er geen machtig rijk van David en Salomo. En de Joden ontdekten hun ene god pas laat, en niet bij de berg Sinaï. Bekende 'feiten' in het wereldje van de archeologen, maar politiek en maatschappij in Israël willen er liever niet van weten.

De meeste wetenschappers in bijbelstudies zijn het er over eens dat de historische gebeurtenissen met betrekking tot het ontstaan van het Joodse volk grondig verschillen van wat het bijbelverhaal vertelt. Deze archeologische revolutie is nog niet doorgesijpeld in het bewustzijn, maar kan niet worden genegeerd.

Archeologie van Palestina heeft zich pas in een relatief laat stadium als wetenschap ontwikkeld, in de 19e en 20ste eeuw. De beschavingen van Egypte, Mesopotamië, Griekenland en Rome vormden het eerste doel van de onderzoekers, die doorgaans in dienst van de grote musea in Londen, Parijs en Berlijn, op zoek waren naar indrukwekkende vondsten uit het verleden.

Die eerste fase ging in feite voorbij aan het kleine Palestina en zijn geografische diversiteit. De omstandigheden waren er niet uitnodigend voor de ontwikkeling van een uitgebreid koninkrijk. Praalstukken zoals de Egyptische graven of de paleizen van Mesopotamië waren hier zeker niet te vinden.

De aanzet om toch archeologisch onderzoek in Palestina te doen was religieus: de band tussen het land en de heilige schriften. De eerste opgravers in Jericho en Sichem waren bijbelse onderzoekers, op zoek naar de resten van de bijbelse steden.

De archeologie leefde op met de komst van William Foxwell Albright, die zich had bekwaamd in de archeologie, geschiedenis en linguïstiek van het Nabije Oosten. Albright, een Amerikaan, begon met zijn opgravingen in Palestina in de jaren twintig. Zijn uitgangspunt luidde dat vooral de archeologie de kritiek op de historische waarheid van de Bijbel kon weerleggen.

Kritische bijbelvorsers in Duitsland in de tweede helft van de vorige eeuw trokken de bijbelverhalen in twijfel en zeiden dat de bijbelse geschiedschrijving pas was geformuleerd en zelfs grotendeels verzonnen ten tijde van de Babylonische ballingschap. De geschiedenis van het volk Israël als een continuüm - van de dagen van Abraham en Isaük, via de gang naar Egypte, de slavernij, de uittocht, tot en met de verovering van het land en de twaalf stammen - was slechts een latere reconstructie met een theologisch doel.

Albright geloofde in de Bijbel als historisch document, weliswaar meer dan eens geredigeerd, maar toch de oude werkelijkheid weerspiegelend. Hij was ervan overtuigd dat als de oude resten van Palestina eenmaal waren blootgelegd, zij het onbetwistbare bewijs zouden leveren voor de historische juistheid van de geschiedenis van het Joodse volk en zijn land. De bijbelse archeologie leidde tot uitgebreide opgravingen van bijbelse plaatsen als Megiddo, Lachisj, Gezer, Sichem, Jericho, Jeruzalem, Ai, Givon, Beet Sje'an, Ta'anach en andere. De methode was simpel en direct: elke vondst zou bijdragen aan een harmonieus beeld van het verleden - de periode van de aartsvaderen, de steden in Kanaün die door de Israëlieten waren verwoest, de grenzen van de twaalf stammen, de poorten en stallen van Salomo, diens mijnen in Timna. Nog altijd zijn er archeologen hard aan het werk die menen de berg Sinai te hebben gevonden of het altaar van Jozua.

Langzaam ontstonden er scheuren in het plaatje. Paradoxaal genoeg begonnen vele vondsten de historische waarheid van de bijbelverhalen te ondermijnen in plaats van te bevestigen. De theorie kon niet langer de tegenstrijdigheden verklaren. De verklaringen werden ingewikkeld en weinig elegant. Het beeld van de puzzel werd vager. Hieronder enkele voorbeelden.

De aartsvaders: de onderzoekers waren het niet eens over wat de juiste periode is van de aartsvaders. Wanneer leefden Abraham, Isaük en Jakob? Wanneer heeft Abraham de grot in Hebron gekocht? Volgens de bijbelse chronologie heeft Salomo de tempel 480 jaar na de uittocht uit Egypte gebouwd. Daar moeten we 430 jaar van verblijf in Egypte bij optellen en de lange levensjaren van de aartsvaders. Voor de tocht van Abraham naar Kanaün komen we dan uit in de 21e eeuw voor de gewone jaartelling. Maar er is geen bewijs voor deze chronologie. Albright pleitte in de vroege jaren zestig ervoor om de omzwervingen van Abraham in de Midden-Bronzen Tijdperk te plaatsen (22ste-23ste eeuw). Maar Benjamin Mazar, vader van de Israëlische tak van de bijbelse school, wil het duizend jaar later plaatsen, in de elfde eeuw. Weer anderen verwierpen de historiciteit van de verhalen en beschouwden ze als oude legendes uit de tijd van het koninkrijk van Judea. De consensus begon af te brokkelen.

De uittocht uit Egypte, de tocht in de woestijn, langs de berg Sinai: de vele Egyptische documenten waarover we beschikken melden er niets over, wél van de gewoonten van nomaden om bij droogte en honger naar Egypte uit te wijken en hun tenten op te slaan in de Nijldelta. Dat was echter niets uitzonderlijks: het kwam tal van keren voor gedurende de vele duizenden jaren. Generaties onderzoekers hebben getracht de Sinai te lokaliseren, maar geen plek voldoet aan de bijbelse beschrijving. De meeste historici zijn het er over eens dat hooguit een paar families naar Egypte zijn getrokken en dat hun privé-verhaal is 'genationaliseerd' om tegemoet te komen aan ideologische behoeften.

De verovering: het verhaal van de verovering van het land op de Kanaünieten is een van de fundamenten van het volk Israëls in de bijbelse historiografie. Maar pogingen archeologische bewijzen voor dit verhaal te vinden, zijn gestuit op ernstige problemen. Diverse opgravingen in Jericho en Ai, de twee steden waarvan de verovering het meest gedetailleerd is beschreven in het boek Jozua, leverden teleurstellende resultaten op: geen stad, geen muren om omver te halen. Natuurlijk zijn er voor deze tegenstrijdigheden verklaringen gegeven. De muren van Jericho zouden door de regen zijn weggespoeld. Of de oude muren zouden opnieuw zijn gebruikt. Bijbeldeskundigen hebben al een halve eeuw geleden gesuggereerd dat alle veroveringsverhalen legendes zijn. Maar naarmate meer en meer plaatsen werden blootgelegd, bleek dat plaatsen waren verwoest of verlaten in heel verschillende periodes; de grond zonk weg onder alle verhalen over de verovering van het land in een militaire campagne onder Jozua.

Kanaünitische steden: de Bijbel vergroot de sterkte en de fortificaties van de Kanaünitische steden die door de Israëlieten zijn veroverd, 'grote steden met hemelshoge muren' (Deuteronomium 9 vers 1). In werkelijkheid zijn alle blootgelegde plaatsen resten van nederzettingen die niet ommuurd waren. Meestal gaat het om een paar bouwsels of om het paleis van de heerser, niet om steden. De stedelijke cultuur van Palestina in het late Bronzen Tijdperk is gedurende honderden jaren gedesintegreerd, maar niet door een verovering. Bovendien klopt de bijbelse beschrijving niet met de geopolitieke werkelijkheid. Palestina stond onder Egyptische heerschappij tot het midden van de twaalfde eeuw vóór Christus. De Egyptische bestuurlijke centra waren in Gaza, Jaffo en Beet Sje'an. Egyptische vondsten zijn ook gedaan aan weerszijden van de Jordaan. Deze treffende aanwezigheid vermeldt het bijbelverhaal niet, want ze was, zo is duidelijk, de auteur en zijn redacteuren, niet bekend. De archeologische vondsten weerspreken het bijbelse verhaal: de Kanaünitische steden waren niet groot, hadden geen hemelshoge muren; het heldendom van de veroveraars - van de weinigen tegen de velen en de hulp van God die voor zijn volk streed - zijn een theologische reconstructie zonder feitelijke basis.

Dit alles leidt tot de kernvraag: als er geen getuigenis is van de uittocht uit Egypte, en als de archeologie het verhaal over de verovering weerlegt, wie waren dan die kinderen Israëls?

De archeologische bevinding heeft één belangrijk feit vastgesteld: in de vroege perioden van het IJzeren Tijdperk, de tijd van de vestiging, zijn honderden kleine nederzettingen gekomen in het centrale berggebied, waar boeren woonden die het land bewerkten en schapen hielden. Als ze niet uit Egypte kwamen, waar kwamen ze dan wel vandaan? Sommige onderzoekers houden er aan vast dat de Israëlieten nomaden waren van de andere kant van de Jordaan. Twee Amerikanen ontwikkelden een sociologische theorie: de nieuwe kolonisten waren Kanaünieten van de kuststrook, die genoeg hadden van het autoritaire bestuur van hun koningen en naar de onbewoonde bergen trokken.

I. Finkelstein, archeoloog van de universiteit van Tel Aviv, oppert dat deze kolonisten schapenhoeders waren die het berggebied zijn binnengetrokken in het Late-Bronzen Tijdperk (hun graven zijn gevonden, zonder nederzettingen). Volgens deze reconstructie onderhielden de schapenhoeders aanvankelijk een ruileconomie, waarbij ze met de bewoners van de vallei vlees ruilden tegen graan. Met het uiteenvallen van het stedelijke en landbouwstelsel in de laagvlakte, werden de nomaden gedwongen zelf graan te produceren. Zo ontstond de drang zich te vestigen.

De naam Israël wordt vermeld in één Egyptisch document van 1208 voor de jaartelling, de tijd van koning Merneptah: ,,Kwaadaardig beroofd is Kanaün. Ascalon is veroverd, Gezer is bezet, Jeno'am is alsof het nooit bestaan heeft, Israël is verlaten, zijn zaad is niet meer.'' Merneptah verwijst naar het land met zijn Kanaünitische naam en noemt enkele steden van het koninkrijk, plus een niet-stedelijke etnische groep. Volgens deze getuigenis refereerde het woord Israël aan een bevolkingsgroep die in Kanaün leefde tegen het einde van het Late-Bronzen Tijdperk, kennelijk in het centrale heuvelgebied, waar later het koninkrijk van Israël zou worden gevestigd.

Archeologie was ook de bron bij de reconstructie van de periode die wij kennen als die van een koninkrijk onder David en Salomo. De Bijbel beschrijft deze periode als het hoogtepunt van de politieke, militaire en economische macht van het volk Israël in de oude tijden. Na Davids veroveringen strekte het rijk van David en Salomo zich uit van de Eufraat tot Gaza (1 Koningen 5 vers 4). De archeologische vondsten op veel plaatsen tonen aan dat deze periode weinig voorstelde.

De drie steden Hazor, Megiddo en Gezer worden vermeld onder Salomo's bouwwerken (1 Koningen 9 vers 15). Er zijn daar uitgebreide opgravingen gedaan. Slechts de helft van de bovenstad van Hazor was versterkt, dat wil zeggen drie van de ongeveer zestig hectare die in deze Bronzen Tijd bewoond was. In Gezer was een vesting omgeven door een muur die een klein gebied beschermde, terwijl Megiddo helemaal geen muur had.

Het beeld wordt nog ingewikkelder in het licht van de opgravingen in Jeruzalem, de hoofdstad van het verenigde koninkrijk. Grote delen van de stad zijn de laatste anderhalve eeuw blootgelegd, waaronder indrukwekkende overblijfselen uit het Midden-Bronzen Tijdperk en van de IJzeren Tijd daarna, de periode van het koninkrijk Juda. Maar er zijn geen resten van gebouwen gevonden van de tijd van Davids rijk, alleen wat potscherven.

Dat zowel van voor als van na de tijd van David resten zijn gevonden maakt duidelijk dat Jeruzalem onder David en Salomo een kleine stad was, met misschien een kleine burcht voor de koning, maar in geen geval de hoofdstad van een rijk zoals de Bijbel dat beschrijft. En die kleine vesting voor een hoofdman is dan wat op latere Aramese en Moabitische inscripties 'Beth David', huis van David, heet.

De bijbelse schrijvers kenden het Jeruzalem van de achtste eeuw vóór de gewone jaartelling, met zijn muur, zijn rijke cultuur waarvan heel wat resten zijn gevonden en ze projecteerden dit enkele eeuwen terug, tot in de tijd van het ene koninkrijk. Vermoedelijk verwierf Jeruzalem zijn centrale status na de verwoesting van Samaria in 722 vóór de gewone jaartelling.

De archeologische bevindingen passen in de opvattingen van kritische bijbelgeleerden dat David en Salomo heersten over kleine stamgebieden, de eerste in Hebron, de andere in Jeruzalem. Tegelijk vormde zich een apart rijk in de heuvels van Samaria, zoals terug te vinden is in de verhalen over koning Saul. Israël en Judea waren van meet af aan aparte, onafhankelijke rijken die af en toe tegenover elkaar stonden. Dus het ene, gedroomde koninkrijk is op zijn vroegst verzonnen onder het koninkrijk Judea. Doorslaggevend bewijs hiervoor is dat we zelfs niet weten hoe dat koninkrijk heette.

Hoeveel goden had Israël eigenlijk precies? Tegelijk met de historische en politieke aspecten is er ook twijfel aan de geloofwaardigheid over wat wij horen over geloof en godsdienst. De vraag naar wanneer het monotheïsme is aanvaard in Israël en Judea kwam op bij de ontdekking van oude Hebreeuwse inscripties over het godenpaar Jehovah en zijn Asherah. Het blijkt dat men vertrouwd was met dit godenpaar. Zo bezien lijkt het goed mogelijk dat monotheïsme, als een staatsgodsdienst, pas als een nieuwigheid in het koninkrijk Judea is opgekomen, na de verwoesting van het koninkrijk Israël in de achtste eeuw.

Archeologie in Israël zet de kroon op een proces van wetenschappelijke omwenteling. Ze confronteert de bevindingen van de bijbelwetenschap met die van oude geschiedenis. Tegelijk zijn we getuigen van een boeiend verschijnsel, namelijk dat het publiek in Israël deze voor een groot deel al tientallen jaren bekende zaken simpelweg negeert. Vorig jaar verscheen een boek van mijn collega prof. N. Ne'eman in de Ha'aretz met als titel: 'Weg met de Bijbel van de joodse boekenplank'. Er kwam geen publieke reactie.

Elke poging om de betrouwbaarheid van de bijbelse beschrijvingen aan te tasten wordt gezien als een poging om 'ons historisch recht op het land' te ondermijnen en om de mythe stuk te slaan van de natie die het koninkrijk van Israël vernieuwt. Beide symbolen vormen zo'n belangrijk onderdeel van de Israëlische identiteit dat elke poging om ze in twijfel te trekken stuit op een vijandige stilte. Veel Israëliërs zijn geneigd te erkennen dat er onrecht is aangedaan aan de Arabieren en dat aan vrouwen gelijke rechten toekomen. Maar diezelfde mensen zijn vaak niet geneigd te aanvaarden dat archeologische feiten een eind maken aan bijbelse mythen. De klap voor de mythische grondslag van de Israëlische identiteit blijkt dan zo bedreigend dat mensen er liever de ogen voor sluiten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden