Applaus voor de zon

De eerste wedstrijd die Nederland op het WK gaat spelen is in Salvador de Bahia. Journalist Wim Jansen ging voor zijn boek op zoek naar de ziel van de enige Braziliaanse stad waar de zon ondergaat. Een voorpublicatie.

Bij de zwijgende neger onder zijn palmboom kocht ik mijn dagelijkse kokosnoot. Als altijd had hij genoeg aan mijn summiere bestelling 'koud'. Uit een tempex koelbox met water en ijs viste hij zo'n groene joekel, kapte er met een paar slagen de punt van af en knikte met zijn hoofd naar de boomstam, waar aan een spijker een plastic zakje met rietjes hing. Zijn enige communicatie met mij bestond uit een korte blik van herkenning. Toen hij me het wisselgeld teruggaf waren zijn ogen alweer gericht op de mensen in de rij achter mij.

Ik schrijf 'neger', omdat dit hier schijnt te moeten. Al in de eerste ochtendles van de taal- school kreeg de klas van 'gevorderde beginners' te horen dat het woord preto, zwart, een negatieve lading heeft en dat men daarom liever niet van zwarten spreekt, maar van negros. Bahia is de deelstaat waar de meeste negers wonen van Brazilië, had de behoorlijk blanke juf Edna onderwezen, met een korte verwijzing naar de Portugese slavenhandel. Maar juf Rosangela, die zelf het mooiste van zo'n beetje alle Braziliaanse rassen in zich verenigt, vond dat maar politiek-correcte praat. Op straat heeft iedereen het over zwarten, zei ze, inclusief de negers zelf. Ik zal daarom die termen maar door elkaar gebruiken, dan kan ik me daar geen buil aan vallen. Of juist twee builen, het is maar waar je aanstoot aan neemt.

Hangend over de balustrade lurkte ik van het ijskoude kokosnat. Een paar meter beneden me ligt het strand, waar het opkomend tij de badgasten bijeen had gedreven op een smalle strook zand. Dicht op elkaar zaten en lagen ze daar onder hun kleurrijke parasols, naast koelbox en boombox. Geoliede lijven, dik en slank, mooi en lelijk door elkaar. Drinkend en veel geluid makend. Altijd vrolijk. Een vrouw was zo dik en haar bikini zo minuscuul dat ik niet kon zien welke kleur haar broekje had, o¿f ze een broekje aan had. Pas toen ze opstond en dat machtige lichaam gracieus omdraaide ontdekte ik boven haar billen een gele snipper stof, op zijn plaats gehouden door koorden die verdwenen tussen de bilnaad en de kwabben om haar lendenen.

Naast de stoelen- en parasolverhuur was een zandkunstenaar in de weer met een plastic gietertje en een schep. Hij had een wal opgeworpen tegen de vloed en metselde daarop een gedroomd leven, dat hij kleur gaf met waterverf. Een gele sportauto met zilverkleurige velgen. Een vrouw in bikini met laarzen aan op een motor, de helm op haar hoofd was echt. Een man als een robot, met spierbundels als pantser-platen en een gestippelde slang kronkelend over zijn lichaam, vooral voor zijn kruis. Een voluptueuze vrouw, vrijwel naakt op haar buik liggend, uitdagend opkijkend met een heuse zonnebril op. Voor de zandsculpturen, had de strandartiest met sierlijke blauwe letters op een witte ondergrond tegeltjeswijsheden geschilderd als 'Lieg nooit, de waarheid zeggen is altijd makkelijker'. De meeste begreep ik niet, of kon ik niet lezen door de korrelige structuur van het zand. Ik gooide mijn 50 centavos op de enige waarop nog geen geld lag: 'Wie niet leest, spreekt slecht, hoort slecht, ziet slecht'.

Naar deze plek, naar dit uur van de dag, had ik al bij voorbaat heimwee. Het is het moment waarop, om een uur of vijf, het eerste beetje zeewind het zweet op hoofd en armen koelt. Salvador komt in beweging. Onbekommerd slentert, powerwalkt en rent men hier vrijwel ongekleed rond, elkaars lichaam bij het passeren van top tot teen keurend. Terwijl ik daar zo stond met mijn kokosnoot in de hand, kwam een jonge vrouw langs, in bikini en op blote voeten. Ze keek me in de ogen en zei 'oi' en liep een stukje door zodat ik goed zicht had op haar achterkant waar haar bikinibroekje de rondingen van haar strakke billen vrijliet. Ze wiegde er een beetje mee, draaide zich om en vroeg me naar de tijd. Zo hoort het, eerst laten zien wat je in huis hebt en dan contact zoeken. Het heeft allemaal een vanzelfsprekende zwoelheid hier, dat openlijk kijken naar elkaar, de omhelzingen bij alles, ook tijdens een eerste begroeting. Ze kwam dicht tegen me aanstaan om mijn horloge goed te bestuderen, pakte mijn onderarm vast. Beleefd wegkijken hoeft hier niet, het is juist de bedoeling dat je die losjes bij elkaar geknoopte borsten ziet staan.

"Dank je", zei ze. "Cool."

"Geen dank", antwoordde ik, te beleefd.

"Kom je mee naar het strand, naar mijn vrienden? We hebben cachac¿a."

Ik hield het af, geen zwemspullen bij me, moest nog huiswerk maken en nog een flink stuk lopen. Ik voelde me een idioot. "Alles goed", zei ze. "Cool." Ze liep met swingende pas verder, het soepele lijf probeerde me uit alle macht over te halen haar alsnog te volgen.

Waar de boulevard een scherpe knik naar links maakt, is rechts een rotsig schiereilandje met een vuurtoren. Aan het eind van de middag zetten voedsel- en drankverkopers daar hun stalletje op om de dagelijkse drukte van half zes op te vangen. Ben je al naar o por do sol geweest, vroegen ze me hier de eerste dagen voortdurend. Ik zei dat een zonsondergang zo'n beetje overal in de wereld hetzelfde is en dat ik niks te zoeken had in dat romantische cliché¿. Dat leek me meer iets voor jonge stellen en toeristen. "Als je het ritueel bij de vuurtoren niet begrijpt, dan begrijp je Salvador niet", had Elia gezegd, terwijl Robert achter haar rug met een zucht zijn ogen ten hemel sloeg.

Nu ik er toch maar eens bij ging staan bleek het wel een vermakelijk spektakel. De Brazilianen wisten van een trivialiteit als de zakkende zon weer een feestje te maken. Ze dromden dicht tegen elkaar op het stukje steile rotskust aan de voet van de vuurtoren, roepend naar de ijsverkopers en gillend vanwege de gemeen bijtende rode mieren die zich in achtergelaten etensresten hadden genesteld. Veel stellen inderdaad, maar er stonden en zaten ook groepjes jongens, oudere echtparen en volwassenen alleen. Ze werden stiller naarmate de zon zoals dat hoort oranje kleurde en in zee wegzakte. Toen het laatste felle stipje licht verdween welde er in de menigte een applaus op dat tientallen seconden aanhield. Ik begreep er niets van.

Waar dat klappen vandaan kwam, wist een echtpaar uit São Paulo ook niet. Wel konden ze uitleggen waarom dit weliswaar een dagelijks maar ook uniek schouwspel is in Brazilië¿, dat verder alleen maar zonso¿pgangen uit het water kent omdat het land over de volle lengte in het oosten aan de Atlantische Oceaan grenst. De zon verdwijnt hier westwaarts in een inham die zo groot is dat je de overkant niet ziet als je dat niet wilt.

Allerheiligenbaai

Ik kon me voorstellen dat het de Portugese ontdekkingsreizigers op Allerheiligen in 1501 een tijdje kostte voordat ze erachter kwamen dat ze met hun schepen langs de kust van een enorme baai zeilden. Ze noemden deze ideale ankerplaats de Allerheiligenbaai en de vesting op de heuvel kreeg de weidse naam São Salvador da Bahia de Todos os Santos. Bahia, zoals de snel groeiende handelsplaats aanvankelijk kortweg heette, werd de eerste hoofdstad van het koloniale rijk Brazilië¿.

Terwijl hoog in de lucht vederwolken het rode licht vanachter de einder weerkaatsten en de vuurtoren zijn bundel rondzwiepte door de snel invallende duisternis, liep ik de woonwijk Barra in waar ik bij een paar tafeltjes op de stoep stuitte op de handgeschreven mededeling 'Temos Rollmops'. We hebben rolmops! En ook Bockwurst met mosterd en Sauerkraut, las ik op de spijslijst die op tafel lag. Een grote, brede man met rode bretels over zijn witte overhemd dat slordig over de korte broek hing kwam naar buiten en nam de bestelling op. "Twee Duitse worsten met mosterd en een grote Brahma", riep hij naar binnen, en zette zich aan mijn tafel. Uit het feit dat hij, in tegenstelling tot mij, niet zweette maakte ik op dat hij hier al lang thuis was - dat rode hoofd van hem zou wel van de hoge bloeddruk komen. Ja meneer, veertig jaar woonde hij al in Salvador en ik wilde niet weten wat voor lijdensweg hij had doorstaan.

Uit mijn geamuseerde blik en mijn verzoek om een tweede glas aan de donkere serveerster die mijn fles Brahma-bier kwam brengen maakte hij blijkbaar op dat ik dat wel wilde weten. Hij was Oostenrijker, nog steeds, en sinds een jaar of tien uitbater van dit als Duits geafficheerde restaurant. Daarvoor had hij in het binnenland een stuk grond ontgonnen, vee gehouden, groenten geteeld, mensen in dienst genomen en ontslagen, grootgrondbezitters van zich afgeslagen en er weer bevriend mee geraakt, idem met de politie, de autoriteiten en de bureaucratie bestreden en zich verzet tegen de corruptie. Dat hij nu zijn dagen sleet met het uitbaten van een stoeprestaurant met een Europese keuken, was voor hem geloof ik een nederlaag. "De Verenigde Staten wordt wel het land van de onbegrensde mogelijkheden genoemd", fulmineerde hij. "Brazilië is het land van de onbegrensde o¿nmogelijkheden. Alles wat je voor onmogelijk zou moeten houden, heb ik hier al eens meegemaakt. Dit land is gestoord. En Bahia is het epicentrum van deze gekte." Hoofdschuddend herhaalde hij zijn mantra: "Brasil e¿ uma loucura. Brazilië¿ is een gekte. Brazilië¿ is een gekte."

Toen ik de voordeur van mijn appartement opende, zat Elia in een lange gebatikte jurk op de grond van de woonkamer te mediteren voor het tv-journaal, dat net toe was aan de dagelijkse portie moorden en ander geweld. Ik had nog nooit iemand gezien in dit vertrek dat groot genoeg was voor het enorme tv-scherm, een lomp bankstel en een eettafel met acht stoelen. Ik vroeg me af of er gelegenheden waren waarbij de gezinsleden zich losmaakten van de wifi-verbinding op hun eigen kamers om hier iets gezamenlijks te doen. Samen een dvd kijken? Rummikuppen? Elia wilde weten hoe mijn dag was geweest, of ik al iets meer begreep van de ziel van Bahia.

Het verhaal van Lia sloeg ik over, dat was me te ingewikkeld vertellen met die verleden tijd van dertig jaar geleden binnen de verleden tijd van vandaag. Ze begreep niet wat ik niet begreep aan het applaus voor de ondergaande zon. "Sommige dingen zijn zoals ze zijn", filosofeerde ze, "er hoeft toch niet altijd een reden te zijn om je gelukkig te voelen? Toen wij nog in een appartement woonden met uitzicht op de baai, op de twaalfde verdieping, stopte ik meestal even met koken om naar de ondergaande zon te kijken, ook als ik alleen was. Als de zon de laatste stralen door mijn raam had geschenen, gaf ik een applausje in mijn eentje. Een dankzegging, zoals een gebed. Dan voelde ik me gelukkig."

Wim Jansen: De reus ontwaakt / Reizen in Brazilië. Uitgeverij PocaLoca. 240 blz. euro 15.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden